Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:3378

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22-04-2014
Datum publicatie
25-04-2014
Zaaknummer
200.125.165-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bijzondere overeenkomst. Verbruikleen (geldlening). Wet op consumentenkrediet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.125.165/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 394877\ CV EXPL 12-4139)

arrest van de eerste kamer van 22 april 2014

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. E.T. van Dalen, kantoorhoudend te Groningen,

tegen

Incassade Leeuwarden B.V.,

gevestigd te Leeuwarden,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: Incassade,

advocaat: mr. R. Dijkema, kantoorhoudend te Hilversum.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis van
15 januari 2013 van de rechtbank Noord-Nederland, sector kanton, locatie Leeuwarden (hierna: de kantonrechter).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 2 april 2013,

- de memorie van grieven d.d. 20 augustus 2013,

- de memorie van antwoord d.d. 12 november 2013.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3

De vordering van [appellant] luidt:

" (…) om bij arrest, bij voorraad uitvoerbaar, het vonnis dat op 15 januari 2013 door de Rechtbank, Noord-Nederland, afdeling Privaatrecht, locatie Leeuwarden onder zaaknummer 394877 tussen partijen is gewezen, te vernietigen en opnieuw rechtdoende, bij arrest, bij voorraad uitvoerbaar:

1. te verklaren voor recht dat geïntimeerde onrechtmatig jegens appellant heeft gehandeld door het groot aantal opgaven van het openstaand saldo van de schuld van [appellant] aan de bank N.V. niet zorgvuldig op te geven en kosten op te voeren waarvoor geen wettelijke basis bestaat

2. geïntimeerde te veroordelen om aan appellant alle schade te betalen die appellant lijdt ten gevolge van voornoemd onrechtmatig handelen van geïntimeerde, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet

3. geïntimeerde te veroordelen in de kosten van beide procedures".

3 De vaststaande feiten

3.1.

Tegen de weergave van de vaststaande feiten in rechtsoverweging 2 van het bestreden vonnis van 15 januari 2013 is geen grief ontwikkeld en ook anderszins is niet van bezwaren daartegen gebleken, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan. Deze feiten, aangevuld met feiten die in hoger beroep zijn komen vast te staan, komen op het volgende neer.

3.1.1

IDM Bank N.V. (hierna: de bank) heeft [appellant] en zijn echtgenote [echtgenote] bij kredietovereenkomst van of omstreeks 15 september 1989 een krediet van fl. 17.700,- verstrekt, onder de verplichting voor [appellant] en [echtgenote] om dit verstrekte krediet, vermeerderd met een kredietvergoeding van fl. 5.548,80, vanaf 15 oktober 1989 in achtenveertig maandelijkse termijnen van fl. 484,35 aan de bank terug te betalen.

3.1.2

[appellant] en [echtgenote] hebben vanaf 15 juli 1990 niet meer voldaan aan de maandelijkse betalingsverplichtingen jegens de bank. De bank heeft Incassade, destijds Gerechtsdeurwaarderskantoor Oordijk & Struiksma genaamd, ingeschakeld om de openstaande vordering op [appellant] en [echtgenote] te incasseren. Incassade heeft [appellant] en [echtgenote] diverse malen opgave gedaan van de vordering van de bank en hen aangemaand tot voldoening van deze vordering. Deze aanmaningen hebben niet geleid tot de voldoening van de vordering van de bank.

3.1.3

De bank heeft [appellant] en [echtgenote] gedagvaard voor de rechtbank Leeuwarden, teneinde haar vordering op hen voldaan te krijgen. De rechtbank heeft [appellant] en [echtgenote] bij vonnis van 27 januari 1997 bij verstek hoofdelijk veroordeeld om aan de bank een bedrag te betalen van fl. 29.050,47, zijnde een bedrag van in hoofdsom fl. 18.889,65 en de vervallen vertragingsvergoeding over dit bedrag tot 14 november 1996 ad fl. 11.160,82, te vermeerderen met de overeengekomen vertragingsvergoeding over het bedrag van

fl. 18.889,65 vanaf 14 november 1996 tot de dag van voldoening van de vordering. [appellant] en [echtgenote] zijn daarnaast hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten, fl. 710,- voor salaris en fl. 641,30 voor verschotten.

3.1.4

[appellant] heeft vervolgens aan mr. A. Atema van Rechtshulp Noord te Leeuwarden gevraagd om verzet aan te tekenen tegen voormeld verstekvonnis. Mr. Atema, die destijds niet als procureur stond ingeschreven op het tableau, heeft aan mr. J.R.E. van Smeden gevraagd om namens hem verzet aan te tekenen, hetgeen mr. Van Smeden vervolgens heeft gedaan.

3.1.5

De rechtbank Leeuwarden heeft bij vonnis van 10 december 1997 het verstekvonnis van 27 januari 1997, voor zover gewezen tussen de bank en [appellant], bekrachtigd. De rechtbank heeft geoordeeld dat de vordering van de bank jegens [echtgenote] is verjaard en het verstekvonnis in zoverre vernietigd. De rechtbank heeft [appellant] veroordeeld in de proceskosten, fl. 887,50 aan salaris procureur.

3.1.6

Incassade heeft [appellant] op 25 februari 1998 de volgende opgave van de vordering van de bank gestuurd:

"hoofdsom fl. 18889.65

rente tot heden fl. 13318.38

betekening fl. 123.67

proceskosten fl. 1351.30

informatiekosten fl. 163.23

nasalaris prokureur fl. 370.13

VERSCHOTTEN MR. GREVELING fl. 1775.00

totaal fl. 35991.36

Onverminderd verdere rente en kosten".

3.1.7

Mr. Atema heeft Incassade bij faxbericht van 2 maart 1998, voor zover van belang, het volgende meegedeeld:

" Uw specificatie d.d. 25 februari jl. kan ik op de juistheid niet controleren.

U hebt onder meer opgenomen f 123,67 voor betekening, wilt u meedelen dat precies betekend is?

Informatiekosten zijn mijn inziens niet verschuldigd omdat daar geen titel voor is. Verschotten mr Greveling kan ik niet traceren. De rechtbank heeft het vonnis en oppositie slechts f 887,50 toegewezen."

3.1.8

Incassade heeft [appellant] op 13 maart 1998 een gecorrigeerde opgave van de vordering van de bank doen toekomen:

"hoofdsom fl. 18889.65

rente tot heden fl. 13398.08

betekening (vonnis d.d. 22-1-97) fl. 123.67

proceskosten fl. 2223.80

nasalaris procureur fl. 370.13

totaal fl. 35,020.33

onverminderd verdere rente en kosten".

3.1.9

[appellant] heeft mr. Atema opdracht gegeven tot het instellen van hoger beroep tegen het vonnis van 10 december 1997. Mr. Atema heeft op zijn beurt mr. Van Smeden opdracht gegeven tot het instellen van dit hoger beroep. Mr. Van Smeden heeft op 10 maart 1998 een appeldagvaarding uitgebracht. Deze appeldagvaarding is door hem evenwel niet aangebracht bij het gerechtshof te Leeuwarden, waardoor het vonnis van de rechtbank van

10 december 1997 in kracht van gewijsde is gegaan.

3.1.10

Op 19 maart 1999 heeft Incassade [appellant] de navolgende opgave van de vordering van de bank gestuurd:

"hoofdsom fl. 29050,47

Rente tot heden fl. 4861,63

Proceskosten fl. 2223,80

Overige executiekosten fl. 428,30

Reeds betaald fl. 100,00

fl. 36479,20

onverminderd verdere rente en kosten"

3.1.11

In april 1999 hebben [appellant] en Incassade een betalingsregeling getroffen. De regeling is op 28 april 1999 ingegaan en hield in dat [appellant] gedurende een periode van 12 maanden een maandelijkse aflossing zou betalen van fl. 100,-.

3.1.12

[appellant] heeft Rechtshulp Noord aansprakelijk gesteld voor de schade die hij meende te hebben geleden doordat Rechtshulp Noord heeft verzuimd de appeldagvaarding aan te brengen bij het gerechtshof Leeuwarden. [appellant] heeft deze schade in een procedure bij deze rechtbank op Rechtshulp Noord proberen te verhalen. Hij heeft zich in die procedure op het standpunt gesteld dat, indien het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Leeuwarden d.d. 10 december 1997 inhoudelijk zou zijn beoordeeld, zijn beroep op verjaring tegen de vordering van de bank zou zijn gehonoreerd, zodat de vonnissen van de rechtbank Leeuwarden van 10 december en 27 januari 1997 zouden worden vernietigd en de vordering van de bank alsnog zou zijn afgewezen. De rechtbank heeft de schadevordering van [appellant] jegens Rechtshulp Noord afgewezen en het gerechtshof Leeuwarden heeft het vonnis van de rechtbank op dit punt bekrachtigd. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep dat [appellant] tegen voornoemd arrest van het gerechtshof Leeuwarden heeft ingesteld, bij arrest van 18 december 2009 verworpen.

3.1.13

[appellant] heeft [administratiekantoor] vervolgens gevraagd om een oordeel te geven over de facturering van (de rechtsvoorganger van) Incassade. [administratiekantoor] heeft [appellant] op 3 maart 2010 onder meer bericht:

"De correspondentie van Oordijk en Partners richting [appellant] is inconsequent, slordig en niet te volgen. We geven een aantal voorbeelden waaruit dat blijkt.

1. Het bedrag van de BTW dat op de factuur van 28 november 1990 staat, staat niet meer vermeld op de factuur van 13 februari 1991. De BTW moet altijd zichtbaar zijn op de factuur.

2. Ook worden er voortdurend kosten opgevoerd, waar geen specificatie van aanwezig is. Het nasalaris van de procureur staat op de factuur van 18 februari 1998 en is op de factuur van 19 maart 1999 weer verdwenen.

3. Op de factuur van 25 februari 1998 staat een bedrag van verschotten mr Greveling vermeld van 1775. Dat bedrag blijkt gefingeerd te zijn. Ook dat is later weer verdwenen.

4. Ook blijkt op de inleidende dagvaarding van 25-11-1996 dat er een bedrag gevorderd wordt van 29050,47.

Op 10-12-1997 blijkt dat weer 28560,67.

5. De hoofdsom blijkt ook voortdurende te veranderen.

Op de ene factuur is de rente bij de hoofdsom inbegrepen, op een andere weer niet. De renteberekening is onduidelijk. Wordt de rente over de oorspronkelijke hoofdsom berekend, of over de hoofdsom plus rente."

3.1.14

Incassade heeft [appellant] bij brief van 23 april 2010 een opgave verstuurd van hetgeen hij volgens haar aan de bank is verschuldigd. Deze opgave luidt als volgt:

"hoofdsom € 8.571,75

rente . 14.538,98

proceskosten . 1.202,53

overige executiekosten . 56,12

informatiekosten . 74,06

nasalaris procureur . 167,96

in mindering voldaan € -8.923,89 +

€ 15.687,51".

3.1.15

De gemachtigde van [appellant] heeft Incassade bij brief van 13 juli 2011 aansprakelijk gesteld voor de schade die [appellant] lijdt doordat Incassade [appellant] te veel kosten in rekening heeft gebracht en ook kosten berekent waarvoor Incassade niet over een executoriale titel beschikt. De gemachtigde heeft Incassade gesommeerd ter vergoeding van die schade een bedrag van € 5.000,- te betalen.

3.1.16

Incassade heeft aan deze sommatie niet voldaan.

Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.2

[appellant] heeft onderhavige procedure aanhangig gemaakt bij de kantonrechter en daarbij jegens Incassade gevorderd, samengevat, voor recht te verklaren dat Incassade door de niet correcte opgaven van het openstaand saldo en het opvoeren van kosten waarvoor geen wettelijke basis bestaat, onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld. [appellant] heeft tevens gevorderd dat Incassade wordt veroordeeld tot betaling van de schade die hij daardoor heeft geleden, op te maken bij staat. Hij heeft de kantonrechter ten slotte verzocht Incassade te veroordelen in de kosten van de procedure.

3.3

De kantonrechter heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen en hem veroordeeld in de proceskosten van Incassade.

4 De grieven

4.1

De kantonrechter heeft in het vonnis van 15 januari 2013 onder 4.4, samengevat weergegeven, als volgt geoordeeld. Uitgangspunt is dat [appellant] op grond van het vonnis van de rechtbank Leeuwarden van 10 december 1997 dat in kracht van gewijsde is gegaan

een bedrag van fl. 29.050,47 aan de bank is verschuldigd, te vermeerderen met de overeengekomen vertragingsvergoeding over het bedrag van fl. 18.889,65 vanaf
14 november 1996. Dit vonnis, en niet de opgaven van Incassade, vormt de titel voor de bank om haar vordering te innen bij [appellant]. Indien en voor zover Incassade, die door de bank is ingeschakeld om de vordering bij [appellant] te innen, meer in rekening zou brengen dat de bedragen waartoe [appellant] op grond van voornoemd vonnis is veroordeeld, dan is hij niet gehouden om dit meerdere te voldoen. [appellant] zal dan ook geen schade lijden door de enkele opgaven van de vordering van de bank door Incassade. Om die reden dient de schadevordering van [appellant] alsmede de gevorderde verklaring voor recht te worden afgewezen. In het midden kan blijven of de vordering van [appellant] is verjaard.

4.2

[appellant] bestrijdt deze oordelen met grief 1. Volgens [appellant] heeft de kantonrechter miskend dat Incassade door betaling af te dwingen van kosten waarvoor geen executoriale titel bestaat op onrechtmatige wijze gebruik heeft gemaakt van haar executiebevoegdheid. Door het in rekening brengen van kosten waarvoor geen executoriale titel bestaat, heeft Incassade gehandeld in strijd met de op haar rustende zorgplicht, wat jegens [appellant] onrechtmatig is. [appellant] stelt dat zij hierdoor schade heeft geleden. Ook dit heeft de rechtbank miskend, aldus [appellant].

4.3

Het hof leest in de grief en in de daarop gegeven toelichting in essentie geen andere relevante stellingen of verweren dan die reeds in eerste aanleg waren aangevoerd en door de rechtbank gemotiveerd zijn verworpen. Het hof onderschrijft hetgeen de rechtbank ter motivering van haar beslissing heeft overwogen en neemt die motivering over. Ter toelichting voegt het hof daar nog het volgende aan toe.

4.4

Het uitoefenen van pressie op een schuldenaar door aan te kondigen over te gaan tot het treffen van executiemaatregelen indien een vordering niet wordt betaald, is op zichzelf genomen niet onrechtmatig. Bijkomende omstandigheden kunnen het dreigen met executie echter alsnog onrechtmatig maken in de zin van artikel 6:162 BW. Dit is naar het oordeel van het hof onder andere het geval indien de schuldenaar door de gerechtsdeurwaarder onder dreiging van executoriale beslagen of andere uit artikel 434 Rv voortvloeiende executiehandelingen wordt gedwongen bedragen te betalen waarvoor de executoriale titel geen grondslag biedt.

4.5

[appellant] heeft geen concrete feiten of omstandigheden aangevoerd die erop wijzen dat Incassade heeft gedreigd met executoriale beslagen of andere executiehandelingen. Uit de gestelde feiten en omstandigheden blijkt slechts dat Incassade aan [appellant] opgaven heeft gestuurd van de vordering van de bank. Het versturen van die opgaven is naar het oordeel van het hof geen bijzondere omstandigheid die tot aansprakelijkheid van Incassade leidt in de zin van artikel 6:162 BW. Met de opgaven wordt [appellant] immers niet gedwongen te betalen.

4.6

Verder is van belang, zoals [appellant] stelt en Incassade betwist, dat evenmin is komen vast te staan dat er door Incassade kosten in rekening zijn gebracht waarvoor de executoriale titel van het vonnis van 10 december 1997 geen grondslag biedt. Daartoe is het volgende redengevend

4.7

De door [appellant] gestelde derde vordering (vgl. pt. 57 van de memorie van grieven) betreft de hoofdsom van de lening die hij op grond van het vonnis van 10 december 1997 aan Incassade dient terug te betalen. De daarop betrekking hebbende klachten had [appellant] in de procedure voor de rechtbank Leeuwarden naar voren moeten brengen. Dat heeft hij echter nagelaten. De vordering is onbestreden toegewezen. Het vonnis is in kracht van gewijsde gegaan. Incassade is in haar opgave derhalve terecht uitgegaan van de vordering als toegewezen in het vonnis van 10 december 1997.

4.8

[appellant] kan evenmin worden gevolgd in haar betoog dat ten onrechte verschotten in rekening zijn gebracht. Het hof stelt vast dat verschotten in het vonnis van 22 januari 1997 voor een bedrag van fl. 710,- zijn toegewezen. Het verstekvonnis van 22 januari 1997 is door de rechtbank, voor zover gewezen tussen de bank en [appellant], bekrachtigd. Het vormt derhalve een rechtsgeldige titel voor de inning van de verschotten. Dit geldt echter niet voor in de opgave van 25 februari 1998 opgenomen post "verschotten mr. Grevelink" ten bedrage van fl. 1775,-. Uit de hiervoor onder 3.1.8 genoemde opgave van 13 maart 1998 blijkt dat deze post op verzoek van de advocaat van [appellant] is geschrapt. De post komt ook niet meer voor op de daaropvolgende opgaven van 19 maart 1999 en 23 april 2010. Het hof gaat er dan ook vanuit dat deze post niet in rekening is gebracht.

4.9

De derde post waarvan [appellant] stelt dat deze ten onrechte in rekening is gebracht, betreft de post incassokosten. De post is niet terug te vinden in de opgaven van Incassade. Het hof houdt het erop dat er door Incassade geen incassokosten in rekening zijn gebracht. Voor zover die incassokosten wel in rekening zijn gebracht, geldt het navolgende.

4.10

De incassokosten, alsook de door [appellant] genoemde informatiekosten en nasalaris procureur, moeten als nakosten worden aangemerkt. De vraag is of de proceskostenveroordeling in het vonnis van 10 december 1997 een titel oplevert voor de nakosten. Die vraag moet nu het vonnis is gewezen onder de werking van het vóór 1 januari 2002 geldende procesrecht, worden beantwoord onder het oude recht. De strekking van artikel 56 oud Rv is gelijk aan artikel 237 Rv. De vraag is door de Hoge Raad op 19 maart 2010 in verband met artikel 237 Rv bevestigend beantwoord (vgl. ECLI:NL:HR:2010:BL1116). Met dien verstande dat indien over de hoogte van de kosten een geschil ontstaat, de rechter die kosten alsnog kan begroten.

Het hof ziet, gelet de gelijkluidende strekking van artikel 56 oud Rv geen reden om die vraag onder het oude recht anders te beantwoorden. Dit betekent dat de kostenveroordeling in het vonnis van 10 december 1997 ook voor de hier genoemde nakosten een executoriale titel oplevert, nu gesteld noch gebleken is dat over de hoogte van deze kosten een discussie is gevoerd.

4.11

Aan [appellant] kan worden toegegeven, zoals door Incassade ook is erkend, dat de opgaven niet altijd even duidelijk zijn geweest. Zoals hiervoor is overwogen, is evenwel niet gebleken dat er door Incassade kosten in rekening zijn gebracht waarvoor het vonnis van 10 december 1997 geen titel oplevert. Door [appellant] is dus geen schade geleden. Het hof wijst er in dit verband op dat [appellant] niet heeft onderbouwd dat hij inmiddels meer heeft betaald dan hij op grond van het vonnis is verschuldigd. Grief 1 is tevergeefs voorgedragen. De kantonrechter heeft [appellant] terecht als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van Incassade veroordeeld. De daartegen gerichte grief 2 slaagt dus evenmin.

4.12

[appellant] heeft nog aangeboden te bewijzen dat Incassade bij voortduring bedragen in rekening brengt waarvoor geen titel aanwezig is en hem middels sommaties dwingt die bedragen te betalen. Uit wat hiervoor onder 4.5 is overwogen, volgt dat dit bewijsaanbod niet ter zake dienend is. Het hof zal er dan ook aan voorbij gaan.

4.13

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, kan ook in appel in het midden blijven of de vordering van [appellant] is verjaard.

5 Slotsom

Het bestreden vonnis zal door het hof worden bekrachtigd. [appellant] zal ook in hoger beroep als de verliezende partij in de proceskosten van Incassade worden veroordeeld (1 punt in tarief I).

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, sector kanton van 15 januari 2013;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Incassade vastgesteld op € 632,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 683,- voor verschotten;

Dit arrest is gewezen door mr. K.E. Mollema, mr. H. de Hek en mr. R.E. Weening en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 22 april 2014.