Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:3369

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22-04-2014
Datum publicatie
24-04-2014
Zaaknummer
200.062.019-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verkoper aansprakelijk voor herstelkosten zwamaantasting woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.062.019/01

(zaaknummer rechtbank Groningen 102585 / HA ZA 08-458)

arrest van de tweede kamer van 22 april 2014

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. A.J. van der Kolk, kantoorhoudend te Zwolle,

tegen

1 [geïntimeerde 1],

wonende te [woonplaats],

hierna: [geïntimeerde 1],

2. [geïntimeerde 1],

wonende te [woonplaats],

hierna: [geïntimeerde 2],

geïntimeerden in het principaal hoger beroep,

appellanten in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eisers,

hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden],

advocaat: mr. P. van Wijngaarden, kantoorhoudend te Groningen.

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 28 mei 2013 hier over.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Ter uitvoering van voormeld arrest is een op 19 augustus 2013 gedateerd deskundigenbericht uitgebracht door [deskundige], hierna te noemen: de deskundige. Bij beschikking van 17 oktober 2013 zijn de kosten van de deskundige begroot op € 1.948,10 inclusief btw, met bepaling dat het restant voorschot ad € 51,90 aan partijen, ieder voor de helft, zal worden teruggestort.

1.2

Vervolgens hebben partijen ieder een memorie na deskundigenbericht genomen. Daarna hebben zij de stukken wederom overgelegd en arrest gevraagd.

2 De verdere beoordeling

2.1

Het rapport van de deskundige houdt voor zover van belang het volgende in:

3 DE HUISZWAM (SERPULA LACRYMANS) EN BESTRIJDING

In de rapporten van [deskundige 4] en [deskundige 2] wordt al ingegaan op de biologie, de groeiomstandigheden en bestrijding van de huiszwam. Het is belangrijk op te merken dat door schimmels aangetast hout in gebouwen en woningen in twee typen voorkomt: bruinrot en witrot. De bepaling van de zwam soort is zeer belangrijk, omdat elke soort specifieke eigenschappen bezit. Voor de huiszwam gelden specifiek andere regels, omdat deze soort

agressiever is dan andere zwam soorten, die op hout voorkomen.

Alle houtrotters hebben water (vocht) nodig om te groeien, maar Serpula lacrymans kan zich ook in droge omstandigheden ontwikkelen (daarom ook wel de True Dry Fungus genoemd). De zwam kan water en voedingsstoffen vanuit een andere bron halen middels de zogenaamde schimmeldraden of strengen (strands of rhizomorphs). Schmidt en Huckfeldt (2011) beschrijven, dat de sporen van S. lacrymans in principe overal aanwezig kunnen zijn en dat ze kiemen op vochtig hout of andere materiaal dat cellulose bevatten. De zwamvlok of mycelium kan over en door andere oppervlakken (bijv. steen en beton) groeien die niet als voedselbron gebruikt worden. De initiële kolonisatie kan bij een lage hout vochtigheid plaatsvinden. Op grond van uitvoerige onderzoekingen stellen Schmidt en Huckfeldt (2011) dat het gevaar van Serpula lacrymans schuilt in de combinatie van de volgende feiten:(1) het is de enige schimmelsoort die alle capaciteiten heeft om een woning of gebouw te koloniseren (2) te groeien door anorganische materiaal, (3) vorming van een dicht oppervlak van het mycelium, zodat het oppervlak niet uitdroogt en (4) te overleven op droog hout.

Voor de aanpak van bestrijding, eliminatie en renovatie noemt Schmidt (2007), een zeer bekende Duitse expert op het gebied van huiszwam, 7 internationale publicaties, die adviseren de vochtbron te elimineren, het verwijderen van de zwam en het hout tot 1 meter na de laatste waargenomen aantasting en andere eventueel besmette (bouw)materialen.

In Duitsland bestaan verschillende normeringen: DIN 68 800 Teil 4, DIN 52 175, het WTA-Merkblatt ,,Der Echte Hausschwamm”, Verdingungsordnung für Bauleistungen (VOB — Teil B), die alle het verwijderen van 1 meter na de laatste waargenomen aantasting adviseren, In Oostenrijk wordt de Önorm B3802(3) gevolgd, waarbij het hout

zelfs 1.5 meter na de laatste waargenomen aantasting verwijderd moet worden. De Nederlandse Rijksdienst voor archeologie, cultuurlandschap en monumenten (2007) hanteert normaal een afstand van 30 tot 45 cm. Dit is echter vaak in overweging met gevallen in gebouwen met bijzondere historische waarde, waarbij men zoveel mogelijk van het gebouw wil sparen.

Uit het bovenstaande kan geconcludeerd worden, dat naast het weghalen van de vochtbron, er een duidelijke consensus en advies bestaat over het verwijderen van zwam en

(niet-) aangetast hout.

Gebruikte literatuur:

(…)

4. BEANTWOORDING VAN DE VRAGEN:

1. Kunt op basis van de waarneming en bevindingen van diverse deskundigen zoals die blijken uit hun rapportages ([deskundige 4], Schipper en Meijerink, [deskundige 3] en [deskundige 2]) met voldoende mate van zekerheid bevestigen of de door [deskundige 2] geadviseerde werkzaamheden redelijk en noodzakelijk waren ter bestrijding van de aangetroffen zwam en ter herstel van de door de zwam opgetreden schade. Wilt U daarbij zo gedetailleerd mogelijk te werk gaan.

De door [deskundige 2] geadviseerde werkzaamheden waren redelijk en noodzakelijk. Het bedrijf adviseert een aanpak die (inter)nationaal wordt gevolgd en zorgt ervoor dat de omstandigheden voor verdere groei en mogelijke aanwezigheid van levensvatbare delen van de huiszwam worden geëlimineerd. De aanpak van [deskundige 4] is vooral gericht om de omstandigheden voor groei te reduceren, maat hij vindt het niet nodig om de zwam en eventueel besmet materiaal te verwijderen. Deze aanpak heeft het gevaar, dat de sporen en de zwamvlok aanwezig blijven en dat bij een geringe verandering van omstandigheden (bijvoorbeeld stijging van vocht) deze zwam weer uit kan groeien.

[deskundige 2] benoemt ook de zwam, namelijk de huiszwam Serpula lacrymans. Deze identificatie is essentieel, omdat men bij deze specifieke hout rotter een strategie van aanpak kan uitstippelen. Hoewel [deskundige 2] een NEN norm niet volgt, volgen zij wel de geaccepteerde strategie (zoals boven beschreven) om het vocht probleem op te lossen, de zwam te verwijderen, het aangetaste en niet aangetaste hout tot 1 meter te verwijderen en de

grondslag schoon te maken.

2. Meer in het bijzonder: acht u de rapportage van [deskundige 2] voldoende verantwoord dat en waarom niet met minder vergaande wijze van bestrijding en herstel had kunnen worden volstaan.

Ik acht het advies van [deskundige 2] voldoende verantwoord omdat deze de (inter)nationale aanpak volgt.

3. Hoe beoordeelt u in dit licht de kritiek van deskundige [deskundige 4] op de rapportage van [deskundige 2] en de door hem voorgesteld wijze van aanpak, zoals die blijkt uit zijn (ongedateerde rapportage die als productie 1 bij de memorie van grieven) is overlegd?

[deskundige 4] claimt een wetenschappelijke aanpak, maar volgt niet de adviezen volgens vele (inter)nationale wetenschappelijke publicaties, zoals ik die hierboven heb beschreven. Ik kan niet met [deskundige 4] meegaan in zijn bewering, dat [deskundige 2] niet de waarheid spreekt en dat hun visie en advisering ver naast de werkelijkheid en ernstig misleidend is. Verder deel ik de commentaren van [deskundige 2] op de kritiek van [deskundige 4], zoals verwoord in hun reactie van 13 december 2012.

4. Indien u het rapport van [deskundige 2] niet volgt, kunt u dan bij benadering een schatting maken van de minimale herstelkosten die volgens u in elk geval gemaakt hadden moeten worden.

NVT en zie mijn antwoorden bij 1 en 2.

2.2

[geïntimeerden] hebben zich achter de conclusies van de deskundige geschaard.

[appellant] heeft die conclusies bestreden en heeft daartoe het navolgende aangevoerd.

De deskundige is geen praktijkexpert op het terrein van bestrijding en herstel. De deskundige heeft geen gedetailleerde analyse gemaakt van de aanpak aan de hand van fotomateriaal, de zichtbare constructies en de vormen van aantasting. Ook ontbreekt een vergelijking met de voorstellen van de andere in de zaak betrokken deskundigen. De deskundige gaat uit van een norm van 1 meter vanaf de laatst waargenomen aantasting, echter een van zijn bronnen (inzake cultureel erfgoed) heeft hij selectief benut. De deskundige heeft niet meer gelijk dan [deskundige 2], [deskundige 3], [deskundige 4] of [deskundige 5]. [appellant] heeft een en ander voorgelegd aan deskundigen [deskundige 6]. Zij vinden “het kostenplaatje extreem hoog”.

2.3

Alvorens hierop in te gaan, stelt het hof vast dat uit het deskundigenrapport niet blijkt dat de deskundige partijen in de gelegenheid heeft gesteld opmerkingen te maken en verzoeken te doen (artikel 198 Rv). Dit verzuim hoeft echter niet in de weg te staan aan het gebruik van het deskundigenrapport voor het bewijs (HR 7-01-1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1225). In het onderhavige geval ziet het hof geen aanleiding hierover anders te oordelen. De vraagstelling aan de deskundige was erop gericht zijn mening te vernemen omtrent tot de stukken behorende adviezen van andere deskundigen. Een dergelijke opdracht leent zich minder voor opmerkingen en vragen van partijen. Voorts hebben partijen zich na het deskundigenrapport zich hierover kunnen uitlaten en zal het hof daarop hieronder ingaan.

2.4

Het hof overweegt naar aanleiding van de bezwaren van [appellant] tegen de conclusies van de deskundige als volgt. Uit het door [appellant] overgelegde CV van de deskundige blijkt dat deze een internationaal vooraanstaande mycoloog is. Door het hof is juist een deskundige van dat kaliber benoemd vanwege de uiteenlopende opvattingen in het dossier van andere deskundigen. Dat in het CV van de deskundige geen melding wordt gemaakt van ervaringen op het gebied van zwambestrijding in combinatie met herstel van bouwkundige constructies, wil niet zeggen dat de deskundige die ervaring niet heeft, of de kennis mist om over dit onderwerp te kunnen adviseren. Het hof is voorts van oordeel dat de deskundige zijn conclusies voldoende en overtuigend heeft gemotiveerd, door verwijzing naar relevante wetenschappelijke opvattingen en publicaties. Deze zijn als zodanig niet door [appellant] bestreden. Tevens heeft de deskundige uitgelegd waarom in gebouwen met historische waarde de grens van 1 meter niet (altijd) wordt gehanteerd, namelijk om het gebouw zoveel mogelijk te sparen. De verwijzing door [appellant] naar de mening van [deskundige 6] is niet gedocumenteerd met van hen afkomstige rapporten of verklaringen.

2.5

Op grond van dit alles zal het hof zich baseren op de conclusies van de door hem benoemde deskundige. Het hof neemt derhalve tot uitgangspunt dat de door [deskundige 2] geadviseerde werkzaamheden redelijk en noodzakelijk waren ter bestrijding van de aangetroffen zwam en ter herstel van de door de zwam opgetreden schade.

2.6

In rechtsoverweging 2.4 van het tussenarrest van 28 mei 2013 heeft het hof overwogen dat en waarom het ervan uitgaat dat de vraag of de begroting van [aannemer] aansluit bij de door [deskundige 2] geadviseerde werkzaamheden geen inzet vormt van de rechtsstrijd tussen partijen en dat centraal de vraag staat of het advies van [deskundige 2] juist was. Het hof zal gelet op dit uitgangspunt alleen acht slaan op specifieke en concrete bezwaren die door [appellant] zijn aangevoerd tegen de begroting van [aannemer]. Voor het overige gaat het hof ervan uit dat de door [aannemer] begrote werkzaamheden aansluiten bij wat door [deskundige 2] aan werkzaamheden is geadviseerd. In zijn memorie na deskundigenbericht heeft [appellant] betoogd dat het hiervoor bedoelde uitgangspunt van het hof onjuist is. Het hof ziet evenwel geen reden om op zijn beslissing terug te komen. In genoemde rechtsoverweging heeft het hof aan de hand van concreet genoemde vindplaatsen in de memorie van grieven en onder verwijzing naar de akte die [appellant] ter comparitie heeft genomen, uiteengezet hoe het tot zijn beslissing is gekomen. [appellant] heeft niet aangegeven wat hieraan niet juist zou zijn en uit welke concrete passages in de memorie van grieven blijkt dat door hem wel bedoeld is de relatie tussen de begroting door [aannemer] en de door [deskundige 2] geadviseerde werkzaamheden integraal (dus niet alleen ten aanzien van concreet genoemde bezwaren) in de rechtsstrijd tussen partijen te betrekken. Mocht hij dit bedoeld hebben met zijn grief 5, dan blijkt dat daar onvoldoende uit en mist die grief een behoorlijke onderbouwing. Voor zover [appellant] met zijn memorie na deskundigenbericht (mede) hebben beoogd de hiervoor bedoelde vraag alsnog in de rechtsstrijd te betrekken, dan strandt dit op de zogenaamde in artikel 347 lid 1 Rv besloten "twee-conclusieregel" die meebrengt dat de rechter in beginsel niet behoort te letten op grieven die in een later stadium dan in de memorie van grieven, dan wel (in het geval van een incidenteel appel) in de memorie van antwoord worden aangevoerd (ECLI:NL:HR: 2009:BI8771). Op deze regel kunnen onder omstandigheden uitzonderingen worden aanvaard, zoals in genoemd arrest is aangegeven. Het hof oordeelt dat daarvoor in dit geval geen aanleiding bestaat.

2.7

[appellant] heeft onder 26 en 27 en 31 van zijn memorie van grieven ten aanzien van een aantal concrete schadeposten bezwaren aangevoerd. Het hof stelt vast dat een aantal van deze bezwaren is gericht tegen posten die in de aangepaste schadebegroting al niet meer voorkomen (zie r.o. 12 van het arrest van 2 oktober 2012) of die al door de rechtbank zijn afgewezen (zoals de keuken). Op deze niet relevante bezwaren zal het hof dan ook niet ingaan. De nog wel relevante bezwaren betreffen de volgende punten:

  1. vervanging houten vloer door betonnen vloer

  2. nieuwe tegels in de hal

  3. nieuwe kozijnen met dubbele ramen

  4. schilderwerk en glasvezelbehang

  5. drie kozijnen in de achtergevel

  6. deskundigenkosten

  7. percentage nieuw voor oud.

Dienaangaande overweegt het hof als volgt.

Ad a

2.8

[geïntimeerden] hebben in eerste aanleg aan de hand van een verklaring van bouwbegeleider [bouwbegeleider] (overgelegd bij comparitie van 8 oktober 2009 en aangehecht aan het proces-verbaal van die zitting) uiteengezet dat het vervangen van de houten vloer door een betonvloer juist goedkoper was. Hiertegenover heeft [appellant] niets aangevoerd dat op het tegendeel kan wijzen. Het bezwaar wordt dan ook verworpen.

Ad b

2.9

De rechtbank heeft het bezwaar tegen deze post gemotiveerd verworpen in r.o. 2.3.4 van het vonnis van 6 januari 2010. Het hof neemt die motivering over. Het hof leest in de (toelichting op de) grieven geen nieuwe argumenten. Het bezwaar wordt verworpen.


Ad c

2.10

In de begroting van [aannemer] zijn 7 stuks Meranti buitenkozijnen opgenomen. De rechtbank heeft de hierop door [geïntimeerden] toegepaste aftrek van 25% in verband met “nieuw voor oud” voldoende beoordeeld (r.o. 2.3.1 vonnis 6 januari 2010). [appellant] betoogt dat deze post ten onrechte is toegewezen, althans (grief 8) dat de aftrek 50% had moeten zijn. Een deugdelijke onderbouwing voor deze standpunten ontbreekt evenwel in het licht van de door het hof gevolgde rapporten van [deskundige 2] en [deskundige].

De dubbele beglazing is opgenomen in de “offerte Stukje”. [geïntimeerden] hebben in eerste aanleg aan de hand van voornoemde verklaring van bouwbegeleider [bouwbegeleider] uiteengezet dat plaatsen van nieuwe dubbele beglazing goedkoper was dan het aanbrengen van de bestaande dubbele beglazing in de nieuwe kozijnen. Het hof leest in de grieven geen onderbouwing die tot een ander oordeel kan leiden.

Ook dit bezwaar wordt derhalve verworpen.

Ad d

2.11

Voor het schilderwerk en het glasvezelbehang heeft de rechtbank een aftrek “nieuw voor oud” toegepast van 75 % (r.o. 2.3.1. vonnis 6 januari 2010). Het hof leest in de grieven geen onderbouwing waarom deze post had moeten worden afgewezen of waarom de korting nog hoger zou moeten zijn. Het bezwaar wordt verworpen.

Ad e

2.12

Er zijn drie kozijnen in de achtergevel vervangen. Volgens [appellant] was dit niet nodig gelet op de rapportage van [deskundige 4]. Het hof volgt die rapportage echter niet, gelet op de bevindingen van deskundige [deskundige]. Uit het rapport van [deskundige 3] van 21 januari 2008 volgt dat ook deze kozijnen vervangen moeten worden. Ook dit bezwaar wordt dus gepasseerd.

Ad f

2.11

[appellant] betoogt (grief 7) dat ten onrechte deskundigenkosten zijn toegewezen, aangezien uit het rapport [deskundige 4] volgt dat de deskundigen niet deskundig waren. Nu echter het hof de rapportage van [deskundige 4] niet volgt, mist dit betoog feitelijke grondslag. Het hof verwerpt ook dit bezwaar.

Ad g

2.13

Hiervoor is reeds vastgesteld dat [appellant] niet deugdelijk heeft onderbouwd waarom een hogere aftrek nieuw voor oud had moeten worden toegepast.

2.14

Gelet op al het vorenstaande falen in het principaal appel de grieven 4, tweede deel en 5 tot en met 8. Eerder is vastgesteld dat ook de grieven 1 tot en met 4, eerste deel, falen.

2.15

In het incidenteel appel beklagen [geïntimeerden] zich over de afwijzing dan wel niet volledige toewijzing van een aantal schadeposten. Het gaat om:

- kosten dubbele beglazing (grief I incidenteel)

- bouwbegeleiding (grief II incidenteel)

- keukeninrichting plus tegels (grief III incidenteel)

- huur caravan (grief IV incidenteel).

Ad grief I

2.16

[geïntimeerden] klagen dat de rechtbank in r.o. 6.6.3 van haar vonnis van 8 juli 2009 heeft overwogen dat de kosten van dubbele beglazing niet, althans niet volledig voor toewijzing in aanmerking komen. Zoals zij echter zelf al aangeven, blijkt uit het vonnis van 6 januari 2010 niet dat de rechtbank voor deze post een bedrag in mindering heeft gebracht. Daarom hebben [geïntimeerden] bij deze grief geen belang.

Ad grief II

2.17

[geïntimeerden] maken aanspraak op vergoeding van de kosten van bouwbegeleider [bouwbegeleider] omdat dankzij zijn inspanningen de kosten van de bouw lager zouden zijn uitgevallen dan aanvankelijk begroot. Het hof overweegt dat [geïntimeerden] hun schade zoveel mogelijk dienen te beperken. Het hof acht onvoldoende aangetoond dat daartoe noodzakelijk was om kosten voor een bouwbegeleider te maken. De grief faalt.

Ad grief III

2.18

De rechtbank heeft de kosten voor de keuken en tegels voor in de keuken afgewezen omdat de keuken economisch volledig afgeschreven was. [geïntimeerden] erkennen dit laatste maar maken toch aanspraak op een vergoeding, omdat de keuken nog wel bruikbaar zou zijn geweest. Het hof acht evenwel voldoende aannemelijk dat [geïntimeerden] als nieuwe eigenaar van de woning de totaal afgeschreven keuken toch hadden vervangen. Deze schadepost is derhalve niet toewijsbaar. De grief faalt.

Ad grief IV

2.19

De rechtbank heeft overwogen dat naast de kosten voor opslag en huur van een woning die voor huur van een caravan niet toewijsbaar is. Volgens [geïntimeerden] is er echter geen sprake van een overlap. Onder verwijzing naar overgelegde producties hebben zij betoogd dat zij eerst een caravan hebben gehuurd voordat zij de door hen gehuurde woning konden betrekken. Zij maken ter zake aanspraak op vergoeding van € 1.000,-. [appellant] wijst erop dat [geïntimeerden] ook zonder herstel van de schade kosten voor onderdak zouden hebben gehad, zodat hooguit de meerkosten kunnen worden geclaimd. Op dat punt is niets aangetoond, aldus [appellant]. Het hof verwerpt dat verweer, nu de kosten voor de woning ondanks de uitvoering van het herstel gewoon zijn doorgelopen en de gemaakte kosten dus wel degelijk extra zijn. Nu de grief verder niet is bestreden, slaagt deze en zal alsnog een bedrag van € 1.000,- worden toegewezen.

De slotsom

2.20

Het principaal appel faalt.

Het incidenteel appel slaagt slechts ten dele (grief IV). Het hof zal het bestreden eindvonnis van 6 januari 2010 slechts vernietigen voor zover daarbij niet tevens in verband met de huur van de caravan een bedrag van € 1.000,- is toegewezen, vermeerderd met rente en dit alsnog toewijzen. Voor het overige zullen de bestreden vonnissen worden bekrachtigd.

In het principaal appel zal [appellant] als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten daarvan:

- griffierecht: €1.188,-;

- deskundigenkosten: € 1.948.10 inclusief btw, waarvan de helft te betalen aan [geïntimeerden]; - geliquideerd salaris van de advocaat aan de zijde van [geïntimeerden] ad € 6.580,- conform 2,5 punten in tarief V.

In het incidenteel appel zijn partijen over en weer in het (on)gelijk gesteld en zal het hof de kosten daarvan compenseren als na te melden.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt het vonnis van 6 januari 2010 slechts voor zover de schadevergoeding in verband met de huur van de caravan is afgewezen en in zoverre opnieuw recht doende:

veroordeelt [appellant] ter zake tot betaling van € 1.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 juni 2008 tot aan de dag van voldoening;

bekrachtigt genoemd vonnis voor het overige en bekrachtigt het vonnis van 8 juli 2009;

veroordeelt [appellant] tot betaling van de proceskosten in het principaal appel, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerden] begroot op € 2.162,05 aan verschotten (griffierecht en de helft van de deskundigenkosten) en € 6.580 aan geliquideerd salaris van de advocaat;

compenseert de kosten van het incidenteel appel aldus dat iedere partij haar eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mr. L. Janse, mr. I. Tubben en mr. R.A. van der Pol en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag
22 april 2014.