Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:3320

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22-04-2014
Datum publicatie
12-05-2014
Zaaknummer
200.121.812
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitoefening erfdienstbaarheid. Beperkingen. Uitleg akte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RVR 2014/84

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.121.812

(zaaknummer rechtbank Arnhem 218705)

arrest van de tweede kamer van 22 april 2014

in de zaak van

1 [appellant sub 1]
2. [appellant sub 2],

beiden wonende te [woonplaats appellanten],

appellanten,

hierna: [appellanten] (mannelijk enkelvoud),

advocaat: mr. R.G.M. Sleutels,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[geïntimeerde] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats geïntimeerde],
geïntimeerde,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. A. Robustella.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 5 oktober 2011, 30 mei 2012 en 31 oktober 2012 die de rechtbank Arnhem tussen [appellanten] als eiser in conventie en verweerder in reconventie en [geïntimeerde] als gedaagde in conventie en eiseres in reconventie heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 14 januari 2013,

- de memorie van grieven,

- de memorie van antwoord,

- een akte van [appellanten] en een antwoordakte.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.6 van het bestreden vonnis van 30 mei 2012.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1

Het gaat in dit geding kort samengevat over het volgende. [appellanten] is eigenaar van de onroerende zaak, kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie [sectie] nummer [nummer 1], plaatselijk bekend [adres] te [plaats] (hierna: het heersend erf). [geïntimeerde] is eigenaar van de aangrenzende onroerende zaak, kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie [sectie] nummer [nummer 2] (hierna: het dienend erf).

4.2

Ten behoeve van het heersend erf en ten laste van het dienend erf is bij akte van 24 januari 1979 (productie 1 bij conclusie van antwoord) gevestigd “de erfdienstbaarheid van weg om te komen van en te gaan naar het pad gelegen ten westen van het lijdend erf, welke pad eigendom is van de gemeente [plaats].” (hierna: het [naam 1]). De erfdienstbaarheid is gevestigd onder de volgende bepalingen:
“De breedte van de uitweg bedraagt zes meter, de eigenaar van het heersend erf zal aan de eigenaar van het lijdend erf jaarlijks een vergoeding betalen van driehonderd gulden
(ƒ 300,-) (…).
Het onderhoud van de uitweg is voor rekening van de eigenaar van het heersend erf.
Op de scheiding van het heersend en lijdend erf zal door en voor rekening van de eigenaar van het heersend erf een deugdelijk hekwerk worden geplaatst, waarvan de kosten voor de berekening van de verschuldigde overdrachtsbelasting worden geschat op zevenhonderd gulden (ƒ 700,-).
Voor de berekening van de verschuldigde overdrachtsbelasting wordt de waarde van de erfdienstbaarheid geschat op vijfhonderd gulden (ƒ 500,-).”

4.3

Op het dienend erf ligt thans een pad van ongeveer 6 m breed dat van het [naam 1] naar een achterterrein voert dat dienst doet als parkeerplaats. Op het heersend erf is thans een muziekschool/dansschool/theaterruimte gevestigd (hierna: de muziekschool). In 1979, ten tijde van de vestiging van de erfdienstbaarheid, was aldaar een technisch handelsbureau gevestigd dat in 1983 is opgevolgd door een sportschool. De sportschool is in 2005 verhuisd en rond 2008 is de muziekschool er gevestigd. De hoofdingang van het pand bevindt zich aan de achterzijde van het gebouw en is toegankelijk via het pad. Aan de voorzijde van het pand bevindt zich een nooduitgang die via een ander perceel uitkomt op de [adres] van [plaats]. Aan de parkeerplaats liggen voorts nog een medisch centrum en een drukkerij. Op het dienend erf exploiteert [geïntimeerde] garageboxen die aan derden worden verhuurd.

4.4

In eerste aanleg heeft [appellanten] een verklaring voor recht gevorderd dat hij de weg mag laten herstellen, welke verklaring is toegewezen en in het hoger beroep niet meer in geschil is. In reconventie heeft [geïntimeerde] gevorderd 1) een verklaring voor recht dat de erfdienstbaarheid niet toestaat dat van de uitweg in het kader van de exploitatie van een muziekschool/dansschool/theater gebruik wordt gemaakt, 2) een gebod aan [appellanten] te bevorderen dat de huurder van de muziekschool/dansschool/het theater binnen vier weken uitsluitend gebruik maakt van de aan de [adres] gelegen ingang, 3) een gebod aan [appellanten] om binnen vier weken een zodanige voorziening te treffen dat de gebruikers en bezoekers van het medisch centrum en de drukkerij niet langer gebruik maken van de erfdienstbaarheid, een en ander op straffe van een dwangsom, en met veroordeling van [appellanten] in de kosten van de procedure.

4.5

De rechtbank heeft aangenomen dat bij de vestiging van de erfdienstbaarheid beoogd is een in frequentie beperkt industrieel of zakelijk dienstverlenend gebruik. Omdat de rechtbank tevens overwoog dat de muziekschool wellicht aanspraak kon maken op een buurweg of noodweg, heeft zij partijen in het tussenvonnis van 30 mei 2012 in de gelegenheid gesteld zich daarover uit te laten. Bij eindvonnis heeft de rechtbank de vordering in conventie toegewezen met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten. De vorderingen in reconventie heeft de rechtbank aldus toegewezen dat zij voor recht heeft verklaard dat van de erfdienstbaarheid geen ander dan in frequentie beperkt industrieel of zakelijk dienstverlenend gebruik mag worden gemaakt. Zij heeft [appellanten] geboden te bewerkstelligen dat de huurders van de muziekschool geen ander gebruik van het dienend erf maken dan een in frequentie beperkt industrieel of zakelijk dienstverlenend gebruik, op straffe van een verbeurte van een dwangsom van € 250 per dag met een maximum van € 25.000. De vordering onder 3) is afgewezen. [appellanten] is veroordeeld in de proceskosten.

4.6

Het hoger beroep richt zich tegen de toewijzing van de vorderingen in reconventie. Verder heeft [appellanten] zijn eis vermeerderd in die zin dat hij primair (onder b) een verklaring voor recht vordert dat het pad een buurweg is, subsidiair (onder c) dat het hof het pad aanwijst als noodweg en d) [geïntimeerde] gelast de erfdienstbaarheid van weg, de buurweg en/of de noodweg te respecteren en [appellanten], haar huurders en personeel, leveranciers en bezoekers de vrije doorgang te verschaffen en te blijven verschaffen, een en ander op verbeurte van een dwangsom van € 500 per dagdeel dat [geïntimeerde] zich hieraan niet houdt, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide procedures.

4.7 [geïntimeerde] heeft bezwaar gemaakt tegen de eiswijziging, mede omdat [appellanten] in eerste aanleg in de gelegenheid is gesteld haar eis te wijzigen maar dat heeft nagelaten. Het bezwaar wordt verworpen. [geïntimeerde] ziet over het hoofd dat het hoger beroep ook bedoeld is voor herstel van eerder gemaakte (procedurele) fouten. Overigens ligt de gewijzigde eis in het verlengde van het partijdebat in eerste aanleg, zodat (ook daarom) niet valt in te zien dat deze strijdt met de eisen van een goede procesorde.

4.8 Het springende punt in deze zaak is de uitleg van de bij akte van 1979 gevestigde erfdienstbaarheid. Krachtens artikel 5:73 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) worden de inhoud van de erfdienstbaarheid en de wijze van uitoefening daarvan immers bepaald door de akte van vestiging en, voor zover in die akte regelen daaromtrent ontbreken, door de plaatselijke gewoonte. De tweede zin van deze bepaling houdt verder in dat indien een erfdienstbaarheid te goeder trouw geruime tijd zonder tegenspraak op een bepaalde wijze is uitgeoefend, in geval van twijfel deze wijze van uitoefening beslissend is.

4.9 Met de erfdienstbaarheid wordt bewerkstelligd dat over het pad de openbare weg kan worden bereikt door de eigenaars en gebruikers van het heersend erf en vice versa. Bij de uitleg van de akte van vestiging van deze erfdienstbaarheid komt het aan op de in de notariële akte tot uitdrukking gebracht partijbedoeling die moet worden afgeleid uit de in de akte gebezigde bewoordingen, uit te leggen naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte. In dit verband komt betekenis toe aan alle omstandigheden van het geval — met uitzondering van de niet-kenbare bedoeling van degenen die de bepaling van de akte hebben geredigeerd — waarbij de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden tevens van belang is.

4.10

Omdat degenen die destijds de erfdienstbaarheid hebben gevestigd niet meer de eigenaren zijn en partijen in zoverre hebben te gelden als derden, is er geen aanleiding om bij de uitleg mede acht te slaan op de partijbedoelingen toentertijd die uit een obligatoire overeenkomst zouden kunnen blijken.

4.11

Met [appellanten] onderkent het hof dat aan de uitoefening van de erfdienstbaarheid, zoals geformuleerd in de vestigingsakte en opgenomen in de successieve leveringsakten van partijen, geen beperkingen zijn gesteld. Omtrent de vraag wie als gebruikers van het heersend erf moeten worden aangemerkt, bepaalt de akte niets. Ook overigens zijn in de akte geen aanknopingspunten te vinden die meebrengen dat aard en omvang van de gebruikers van het heersend erf beperkt zouden (moeten) zijn. Het enkele feit dat eigenaar van het heersend erf destijds een bepaalde bedrijfsvoering zou hebben gehad, brengt niet zonder meer mee dat bedoeld is de uitoefening van de erfdienstbaarheid te beperken tot de aard en omvang van de tot dat bedrijf behorende personen en voertuigen.

4.12

De jaarlijkse vergoeding van ƒ 300 wijst naar het oordeel van het hof evenmin op een beperking in de uitoefening van de erfdienstbaarheid. Niet alleen kan een erfdienstbaarheid gevestigd en gecontinueerd worden zonder enige vergoeding, ongeacht de wijze van uitoefening, maar ook is de jaarlijkse vergoeding ten opzichte van de door partijen aan de erfdienstbaarheid gehechte waarde van ƒ 500 voor de overdrachtsbelasting, tamelijk hoog te noemen.

4.13

In de vestigingsakte is opgenomen dat op kosten van de eigenaar van het heersend erf een hek wordt geplaatst tussen beide erven. Uit de tekst noch de context van de betreffende bepaling valt af te leiden dat hiermee bedoeld zou zijn de erfdienstbaarheid te beperken in die zin dat het hek het heersend erf voortdurend zou dienen af te sluiten van het dienend erf, behoudens indien een voertuig of een persoon van en naar het Slikkepaadje zou gaan.

4.14

Tot slot is in de akte opgenomen dat het pad 6 meter breed zal zijn, hetgeen duidt op een breed toegankelijke uitweg en voorts dat de onderhoudskosten voor het pad voor rekening van de eigenaar van het heersend erf zijn, waaruit kan worden afgeleid dat voorzien is in een intensiever gebruik van het pad door het heersend erf dan het gebruik (door de huurders van de garageboxen) van het dienend erf.

4.15

Gelet op de akte van vestiging is dus aan de wijze van uitoefening van de erfdienstbaarheid geen beperking gesteld, zodat het ervoor moet worden gehouden dat de bedoeling van partijen was om geen beperkingen op de uitoefening te leggen. Voor zover er al twijfel zou kunnen bestaan over de reikwijdte van de erfdienstbaarheid, bepaalt het tweede lid van artikel 5:73 BW dat indien een erfdienstbaarheid te goeder trouw geruime tijd zonder tegenspraak op een bepaalde wijze is uitgeoefend, in geval van twijfel deze wijze van uitoefening beslissend is. Als onvoldoende weersproken staat vast dat op het heersend erf van 1983 tot in elk geval 2005 een sportschool is geëxploiteerd met 400 bezoekers per week. Uit de op dit onderdeel niet weersproken verklaring in hoger beroep van [naam 2] (productie 21 van [appellanten]), kunnen de openingstijden van de ochtend tot laat in de avond (23 uur) van de sportschool worden opgemaakt. De huidige muziekschool ontvangt gemiddeld 346 bezoekers per week. Daarnaast vinden er 15 theatervoorstellingen per jaar plaats. Openingsuren en bezoekersaantallen verschillen dus niet wezenlijk van elkaar zodat het ervoor moet worden gehouden dat de erfdienstbaarheid al geruime tijd op een bepaalde wijze is uitgeoefend. Daaraan doet onvoldoende afbreuk dat het pand op het heersend erf na 2005 enige tijd zou hebben leeg gestaan voordat de muziekschool zich erin vestigde.

4.16

De opmerking van [naam 2] in haar verklaring in eerste aanleg dat zij met de vorige eigenaren afspraken heeft gemaakt over het gebruik van het pad, staat niet in de weg aan het feit dat zij vanaf 1983 de erfdienstbaarheid op een bepaalde wijze heeft uitgeoefend. Een samenloop van een persoonlijk gebruiksrecht een erfdienstbaarheid, voor zover al mogelijk, ligt immers niet in de rede en heeft [naam 3] ook onvoldoende toegelicht.

4.17

Voor de beperking in de erfdienstbaarheid tot een in frequentie beperkt industrieel of zakelijk dienstverlenend gebruik ziet het hof gelet op al het bovenstaande onvoldoende grond. De grieven 1 tot en met 7 slagen dus. Omdat deze grieven slagen, dient het hof krachtens de devolutieve werking van het hoger beroep de overige stellingen en verweren van partijen te onderzoeken.

4.18

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg subsidiair aangevoerd dat sprake is van een verzwaring van de erfdienstbaarheid. Gelet op het voormalige gebruik door de sportschool en bij gebreke van een nadere (cijfermatige) toelichting van [geïntimeerde] passeert het hof dat betoog. Voor zover de verzwaring ziet op het gebruik van het pad door bezoekers/eigenaren van het medisch centrum en de drukkerij dient [geïntimeerde] tegen dat gebruik zelf op te treden. Het betreft niet een verzwaring van de erfdienstbaarheid – voormelde derden hebben immers geen rechten uit erfdienstbaarheid – maar een intensiever gebruik van het pad dat in eigendom toebehoort aan [geïntimeerde].

4.19

Omdat als onvoldoende weersproken vast staat dat de ingang van de muziekschool aan de kant van de [adres] een nooduitgang betreft die uitkomt op een perceel van een ander, is er evenmin aanleiding [appellanten] te gebieden te bevorderen dat de huurder van de muziekschool binnen vier weken uitsluitend gebruik maakt van de aan de [adres] gelegen ingang.

4.20

De stellingen en verweren van [geïntimeerde] worden dus verworpen. Nu [appellanten] beschikt over een erfdienstbaarheid tot het onbeperkt gebruik van het pad, komt het hof niet toe aan de vraag of sprake is van een buurweg/noodweg, nog daargelaten de vraag of een samenloop van deze rechtsfiguren met een gevestigde erfdienstbaarheid mogelijk is.

4.21

[appellanten] heeft in hoger beroep zijn eis gewijzigd in de zin dat hij onder d) vordert [geïntimeerde] te gelasten de erfdienstbaarheid van weg te respecteren en [appellanten], haar huurders en het personeel daarvan, de leveranciers en bezoekers de vrije doorgang te verschaffen. Naar het hof begrijpt heeft [appellanten] deze vordering ingesteld omdat in opdracht van [geïntimeerde] op 13 maart 2013 een hekwerk is geplaatst op het perceel van [geïntimeerde] met de eis dat het hekwerk na elk gebruik van het dienende erf wordt afgesloten (randnummer 3.5 memorie van grieven). In het licht van hetgeen hiervoor is overwogen is deze eis van [geïntimeerde] niet gerechtvaardigd en ligt de vordering van [appellanten] voor toewijzing gereed. Het hof zal de gevorderde dwangsom beperken en maximeren als na te melden.

4.22

De door partijen gedane bewijsaanbiedingen passeert het hof, omdat de te bewijzen aangeboden feiten en omstandigheden, indien bewezen, niet tot een andere conclusie kunnen leiden.

Slotsom

4.23

De grieven 1 tot en met 7 slagen zodat het bestreden vonnis moet worden vernietigd. Het hof zal de vorderingen van [geïntimeerde] in reconventie alsnog afwijzen en de vordering van [appellanten] in hoger beroep onder d) toewijzen als na te melden.

4.24

Als de (overwegend) in het ongelijk te stellen partij zal het hof [geïntimeerde] in de kosten van de eerste aanleg in reconventie en het hoger beroep veroordelen. De kosten voor de procedure in eerste aanleg in reconventie aan de zijde van [appellanten] zullen worden vastgesteld op € 678. De kosten voor de procedure in hoger beroep zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten € 92,82

- griffierecht € 299

- salaris advocaat € 1.341 (1,5 punten x tarief II)

Totaal € 1.732,82.

4.25

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals hierna vermeld. Voor de toewijzing van wettelijke handelsrente over de proceskosten bestaat geen grondslag.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt de vonnissen in reconventie van de rechtbank te Arnhem van 30 mei 2012 en 31 oktober 2012 en doet opnieuw recht:

in reconventie

wijst de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog af;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van de eerste aanleg, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van [appellanten] begroot op € 678;

gelast [geïntimeerde] de erfdienstbaarheid van weg te respecteren en [appellanten], zijn huurders en het personeel, leveranciers en bezoekers de vrije doorgang (te voet, per motorfiets, per auto dan wel met een ander passend vervoermiddel) te verschaffen en te blijven verschaffen, een en ander op verbeurte van een dwangsom van € 250 per dag dat [geïntimeerde] zich niet houdt aan deze veroordeling, met een maximum van € 25.000;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellanten] vastgesteld op € 1.732,82 en te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en - voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.L. Valk, Th.C.M. Willemse en D. Stoutjesdijk en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 22 april 2014.