Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:3291

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-04-2014
Datum publicatie
08-05-2014
Zaaknummer
200.141.309-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Faillissementsrecht. Schuldsanering natuurlijke personen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer 200.141.309/01

(zaaknummer rechtbank C/16/347572/FT RK 13/1655)

arrest van de derde civiele kamer van 17 april 2014

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. M.P.J. Appelman, kantoorhoudende te HOORN NH.

1 Het geding in eerste aanleg

Bij vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 22 januari 2014 is het verzoek van [appellant] tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling ten aanzien van hem afgewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij beroepschrift, binnengekomen bij de griffie van het hof op 29 januari 2014, heeft [appellant] verzocht voornoemd vonnis te vernietigen en opnieuw beslissende te bepalen dat hij wordt toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.

2.2

Het hof heeft kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een aanvullend beroepschrift van 24 maart 2014, ingekomen op 25 maart 2014.

2.3

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 april 2014, waarbij [appellant] is verschenen, bijgestaan door zijn advocaat en een medewerker van diens kantoor.

3 De beoordeling

3.1

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is het hof het volgende gebleken. De totale schuldenlast van [appellant] bedraagt € 162.686,31 en bestaat uit een schuld aan de ABN AMRO van € 161.538,31 en een schuld aan ICS van € 1.148,-. [appellant] lost op de schuld aan ICS af met een bedrag van € 30,- per maand. De schuld aan ABN AMRO betreft, kort gezegd, de financiering van de opleiding van [appellant] tot piloot.

3.2

De rechtbank heeft het verzoek van [appellant] om te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen. De rechtbank meent dat niet is gebleken van een problematische schuldsituatie c.q. dat redelijkerwijs te voorzien is dat [appellant] niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden ofwel in de toestand zal komen te verkeren dat hij is opgehouden te betalen. De rechtbank verwacht dat de financiële positie van [appellant] nog zal verbeteren omdat hij jong is - 25 jaar - en de nodige potentie heeft om zich te ontwikkelen en zich een goede positie op de arbeidsmarkt te verwerven. In de visie van de rechtbank heef [appellant] zijn maximale aflossingscapaciteit nog niet bereikt. [appellant] is verder een hoge lening aangegaan voor zijn opleidingskosten, maar heeft daarbij ook moeten beseffen dat het afronden van de opleiding niet ook noodzakelijkerwijs zou betekenen dat hij een baan en inkomen als piloot zou kunnen gaan verwerven. Dat hij thans niet in staat is om af te lossen, dient voor zijn rekening en risico te komen. Tot slot heeft de rechtbank overwogen dat ABN AMRO [appellant] ook een bemiddelingstraject heeft aangeboden waarvan de uitkomsten niet duidelijk zijn geworden.

3.3

[appellant] kan zich met het oordeel van de rechtbank niet verenigen. Hij stelt in zijn (aanvullend) beroepschrift dat de situatie als bedoeld in artikel 284 lid 1 Fw zich wel degelijk voordoet. Hij heeft zijn best gedaan om inkomen en aflossingscapaciteit te genereren, maar zijn inkomen is gering en de lasten die verbonden zijn aan de lening bij ABN AMRO zijn overweldigend. Hij heeft een betalingsregeling met een van de beide crediteuren. Een betalingsregeling met de andere crediteur is niet haalbaar vanwege gebrek aan draagkracht. Op basis van de overeenkomst van geldlening zou hij aan ABN AMRO gedurende 25 jaar een bedrag van ruim € 1.460,- per maand moeten betalen. Op dit moment heeft hij daarvoor geen ruimte. Hij betaalt aan huur aan zijn vader een bedrag van € 650,- per maand met een voorschot van € 393,- per maand voor de kosten van nutsvoorzieningen en verdere belastingen en heffingen. Hij werkt 20-24 uur per week en zijn kansen op de arbeidsmarkt zijn gering omdat hij naast zijn pilotenopleiding slechts een havo diploma heeft, en hij geen geld heeft voor verdere opleiding. Hij heeft een modaal uurloon (niet het minimumloon voor 25-jarige) en heeft een ploegentoeslag. Hij solliciteert naar een aanvullende baan of een fulltime baan. De mogelijkheid om nog als piloot aan de slag te kunnen, is uitgesloten omdat hij zijn opleiding niet actueel heeft kunnen houden (door gebrek aan financiën). ABN AMRO heeft een trainingstraject bij Pilots4Pilots (en niet een bemiddelingstraject) aangeboden om de vliegvaardigheden op peil te houden en daar is hij ook op ingegaan. Hij is direct na het afronden van zijn opleiding op eigen verzoek betrokken bij het nazorgprogramma van de luchtvaartschool dat is bedoeld als actieve bemiddeling, maar dat heeft niets opgeleverd. ABN AMRO heeft (nadat de behandeling van de procedure omtrent het opleggen van een dwangakkoord was aangehouden) wel aangeboden om ook in bemiddeling te voorzien, maar heeft vervolgens volstaan met de aanmelding van [appellant] voor trainingen die hij op eigen initiatief al had gevolgd. Intussen is het vliegbrevet van [appellant] verlopen. De suggestie van de rechtbank dat [appellant] een onverantwoord risico heeft genomen door te lenen voor een dure opleiding, en geen rekening te houden met de mogelijkheid dat geen baan op dat niveau gevonden zou kunnen worden, acht [appellant] niet terecht. Hij heeft als 18-jarige die risico's niet kunnen overzien, terwijl ABN AMRO een rooskleurig beeld heeft geschetst van de opleiding, mogelijkheden en de financiering en niet heeft gewaarschuwd voor de risico's.

3.4

Een verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling kan worden gedaan indien sprake is van een problematische schuldsituatie c.q. dat redelijkerwijs is te voorzien dat [appellant] niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden ofwel dat hij is komen te verkeren in de toestand dat hij is opgehouden te betalen. Het verzoek kan eerst worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat [appellant] niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden.

3.5

Het hof heeft geconstateerd dat het inleidend verzoekschrift van 1 juli 2013 niet tot de stukken in hoger beroep behoort. Het hof gaat er evenwel van uit, gezien de inhoudelijke beoordeling door de rechtbank, dat dit verzoekschrift aan de eisen heeft voldaan. In ieder geval is duidelijk dat er slechts twee schulden zijn. Ook staat vast dat [appellant] zijn beide crediteuren een minnelijk akkoord heeft aangeboden. Na de weigering van beiden om daarmee in te stemmen, heeft hij dit akkoord vervolgens als dwangakkoord voorgelegd aan de rechtbank. Deze dwangregeling is door de rechtbank, na een eerdere aanhouding ter zitting van 23 juli 2013 om [appellant] en zijn crediteuren de gelegenheid te geven tot nader overleg, bij beschikking van 26 november 2013 afgewezen. [appellant] heeft daarna het verzoek om ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling toe te passen gehandhaafd.

3.6

Aan het hof ligt primair de vraag voor of ten aanzien van [appellant] sprake is van een situatie als hiervoor bedoeld. Het hoger beroep concentreert zich hierbij met name op de vraag of [appellant] al dan niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schuld aan ABN AMRO. Dit betreft een schuld van € 161.538,31 in hoofdsom met een maandelijkse betalingsverplichting ter zake van rente en aflossing van ruim € 1.460,- per maand gedurende een looptijd van 25 jaar. [appellant] heeft nog niets op deze schuld betaald.

3.7

Niet is gebleken dat ABN AMRO de volledige schuld inmiddels bij [appellant] heeft opgeëist (en uit handen heeft gegeven ter incasso). Wel gaat het hof ervan uit dat ABN AMRO wenst vast te houden aan betaling van de maandelijkse termijnen van € 1.460,- aan rente en aflossing. Aanwijzingen dat ABN AMRO bereid is (geweest) om met [appellant] afspraken te maken over aanpassing van de betalingsverplichtingen ten aanzien van de lening, bijvoorbeeld door deze voortaan in redelijkheid af te stemmen op het inkomen van [appellant] met handhaving van de oorspronkelijke looptijd van lening, ontbreken. Integendeel, uit de stellingname van ABN AMRO in de procedure ter zake de dwangregeling, zoals de rechtbank deze heeft weergegeven, kan worden afgeleid dat ABN AMRO volhardt in nakoming van de afspraken. Weliswaar blijkt uit deze beschikking ook dat ABN AMRO [appellant] een bijscholingstraject op haar kosten heeft aangeboden -met betaling van de inmiddels ontstane achterstand door het garantiefonds- maar dit voorstel heeft tot doel gehad [appellant] daarna in een bemiddelingstraject op te nemen om hem de grootst mogelijke kansen op de arbeidsmarkt te bieden zodat hij de lening zou kunnen betalen. Dit bemiddelingstraject is niet van de grond is gekomen, hetgeen in de risicosfeer van zowel [appellant] als van ABN AMRO ligt.

3.8

Het hof gaat er verder vanuit dat [appellant], zoals hij heeft verklaard, door onvoldoende vlieguren niet meer aan het werk kan als piloot zonder aanzienlijke verdere (financiële) investeringen in opleiding, terwijl duidelijk is dat er een aanzienlijk overschot aan gekwalificeerde piloten is. De pilotenopleiding biedt door het specifieke karakter daarvan geen mogelijkheden voor andere banen 'aan de grond' waarin [appellant] een salaris kan verdienen dat het salarisniveau van een piloot benadert. [appellant] beschikt, zoals hij heeft verklaard, buiten zijn opleiding als piloot slechts over zijn havo-diploma. Hij heeft geen andere opleiding, terwijl hij ook niet verwacht binnen afzienbare termijn een andere opleiding te kunnen volgen omdat hem daarvoor de financiën ontbreken. Het hof neemt dan ook aan dat de positie van [appellant] met uitsluitend een havo-diploma op de huidige arbeidsmarkt geen reëel uitzicht op voldoening van zijn aflossingsverplichting biedt. Ook bij een fulltime baan en bij een baan die mogelijk meer recht doet aan de door de rechtbank veronderstelde potentie van [appellant], staat voor het hof voldoende vast dat [appellant] op dit moment noch binnen afzienbare tijd een zodanig salaris zal kunnen verdienen dat hij redelijkerwijs in staat is om genoemde maandtermijnen te betalen. Dit wordt niet anders wanneer [appellant] de tering naar de nering zou zetten, zoals van hem in redelijkheid verwacht mag worden, waarbij het hof met de rechtbank van oordeel is dat de woonlasten van [appellant] op dit moment buitensporig zijn. Ook bij beduidend lagere woonlasten zal [appellant] immers redelijkerwijs de last verbonden aan de lening bij ABN AMRO niet kunnen betalen zonder binnen afzienbare termijn beneden het bestaansminimum te komen.

3.9

Onder de hiervoor geschetste omstandigheden is het hof van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat [appellant] niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden, waaronder in het bijzonder de schuld aan ABN AMRO.

3.10

Het hof is verder van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat [appellant] ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. Anders dan de rechtbank acht het hof niet aannemelijk dat [appellant] lichtvaardig aan de opleiding is begonnen, aangezien op dat moment de kans om na afronding van de opleiding op afzienbare termijn ook aan het werk te kunnen als piloot, door hem (en ABN AMRO) nog als groot kon worden ingeschat. [appellant] heeft ter zitting benadrukt dat hij en ABN AMRO bij het aangaan van de lening voor de kosten van deze opleiding het risico verantwoord hebben geacht. Dat [appellant] (en ABN AMRO) bij de verslechtering van de arbeidsmarkt voor piloten halverwege het opleidingstraject geen herbeoordeling hebben gemaakt, acht het hof niet van dien aard dat daarmee de lening alsnog niet te goeder trouw is aangegaan.

Ook ten aanzien van de schuld aan ICS acht het hof [appellant] te goeder trouw. Hij heeft het verkregen krediet ingezet om de vlieguren die nodig waren voor het behoud van zijn brevet te bekostigen. Het hof acht het aangaan van deze, in verhouding tot de vordering van ABN AMRO geringe, schuld niet lichtzinnig of onverantwoord.

3.11

Het hof is niet gebleken van andere gronden die maken dat het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling moet worden afgewezen.

3.12

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat het bestreden vonnis dient te worden vernietigd en dat beslist moet worden als volgt.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 22 januari 2014 en, opnieuw recht doende:

verklaart de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing ten aanzien van [appellant];

verwijst de zaak ter verdere afdoening naar de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, ter uitvoering van die regeling.

Dit arrest is gewezen door mr. A.M. Koene, mr. J.G. Idsardi en mr. D.J. Buijs en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 april 2014.