Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:3261

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
18-04-2014
Datum publicatie
18-04-2014
Zaaknummer
21-003518-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gevangenisstraf voor de duur van vier jaar met aftrek van voorarrest voor het medeplegen van wapen- en drugshandel, drugsbezit, en deelneming aan een criminele organisatie. Het hof komt tot een lagere straf dan door de rechtbank is opgelegd. Daarbij heeft een rol gespeeld, dat het hof minder feiten bewezen heeft verklaard en dat de verdachte in belangrijke mate zijn verantwoordelijkheid heeft genomen voor de bewezen misdrijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-003518-13

Uitspraak d.d.: 18 april 2014

TEGENSPRAAK

Promis

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 13 februari 2013 met parketnummer 16-804804-11 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats],

thans verblijvende in P.I. Overijssel - Almelo Niendure ZBB te Almelo.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 11 oktober 2013, 4 april 2014 en 7 april 2014 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. L. de Leon, naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Verdachte is bij vonnis waarvan beroep vrijgesproken van het onder 3, derde gedachtestreepje (zaaksdossier B15) ten laste gelegde en het onder 4, tweede gedachtestreepje (zaaksdossier B13) ten laste gelegde. Hoger beroep tegen deze vrijspraken staat niet open. Het hof zal verdachte daarom in zoverre niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep verklaren.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing en strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is -na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg- tenlastegelegd dat:

1:
hij op of omstreeks 29 juni 2011 te Stoutenburg Noord en/of Amersfoort, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, een of meer vuurwapen(s) van categorie III, te weten:

- een pistool, merk Bernadelli, kaliber 6,35mm en/of

-een pistool, merk onbekend, kaliber 6,35mm, en/of

- een pistool, merk Reck, kaliber .22WMR, en/of

- een pistool, merk Walther, kaliber 9mm, en/of

- een pistool, merk BBM, kaliber 6,35mm, en/of

munitie van categorie III, te weten:

- 5, althans een of meer, scherpe patronen (kaliber 6,35mm) en/of

- 5 doosjes van 25 scherpe patronen, althans een of meer, van het kaliber 6,35mm en/of

- 1 doosje van 13 scherpe patronen, althans een of meer, van het kaliber 6,35 mm en/of

- 1 doosje van 25 scherpe patronen, althans een of meer, van het kaliber 9mm Luger en/of

- 3, althans een of meer, scherpe patronen kaliber (6,35 mm), heeft overgedragen en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte en/of die ander(en) daar een gewoonte van heeft/hebben gemaakt.


2:
hij op of omstreeks 14 juli 2011 te Stoutenburg Noord en/of Amersfoort, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, een of meer vuurwapen(s) van categorie III, te weten:

- een pistoolmitrailleur, model MP 40 en/of

- een pistoolmitrailleur, merk Auto-Ordnance en/of

- een patroonhouder, en/of

munitie categorie III, te weten:

- 50, althans een of meer, scherpe patronen kaliber .303

heeft/hebben overgedragen en/of voorhanden heeft/hebben gehad terwijl hij, verdachte en/of die ander(en) daar een gewoonte van heeft/hebben gemaakt.


3:
ZAAKSDOSSIER B13 EN B15

hij op of omstreeks 30 januari 2012 te Stoutenburg Noord en/of Amersfoort, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer (vuur)wapen(s) van categorie II en/of III, te weten:

- een stroomstootwapen merk Titan, en/of

- een schietpen van het kaliber .22, en/of

- een revolver (B15) en/of

munitie categorie III, te weten:

- 37, althans een of meer, scherpe patronen kaliber .22 LR, en/of

- 1 scherp patroon kaliber 357Magnum, en/of

- 19, althans een of meer, scherpe patronen kaliber 9x19,

voorhanden heeft gehad.

4:
ZAAKSDOSSIERS B12 EN B15

hij op of omstreeks 30 januari 2012, te Hoogland en/of Stoutenburg Noord en/of Amersfoort, in elk geval in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad

- ( ZD B12) een hoeveelheid van ongeveer 100 tabletten/pillen en/of een zak met wit poeder (in totaal ongeveer 250 gram), in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende MDMA en/of amfetamine, zijnde MDMA en/of amfetamine een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het tweede of derde lid van artikel 2 van die wet, en/of

- (ZD B13) een zakje met wit poeder (in totaal ongeveer 130 gram), in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, danwel aangewezen krachtens het tweede of derde lid van artikel 2 van die wet, en/of

- ( ZD B15) 280 gram, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het tweede of derde lid van artikel 2 van die wet; art 2 ahf/ond C Opiumwet art 10 lid 3 Opiumwet.

5:
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 18 augustus 2010 tot en met 14 februari 2012, te Stoutenburg Noord, en/of Amersfoort en/of Nieuwegein en/of Putten en/of Utrecht en/of Huizen, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf:

- ( ZD VOG02) in de periode van 18 augustus 2010 tot en met 31 augustus 2010, een aantal van ongeveer 1680, althans 1000, althans een of meer, hennepstek(ken) en/of hennepplant(en), in elk geval een grote hoeveelheid, zijnde hennep (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, opzettelijk heeft/hebben verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad, en/of

- ( ZD VOG03) in de periode van 12 november 2010 tot en met 16 november 2010, een aantal van ongeveer 80 hennepstek(ken) en/of hennepplant(en), althans een hoeveelheid van meer dan 30 gram, zijnde hennep (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, opzettelijk heeft/hebben verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad, en/of

- ( ZD VOG05) in de periode van 17 januari 2011 tot en met 1 februari 2011, een aantal van ongeveer 540, althans 360, althans 180, althans een of meer, hennepstek(ken) en/of hennepplant(en), in elk geval een grote hoeveelheid, zijnde hennep (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, opzettelijk heeft/hebben verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad, en/of

- ( ZD VOG07) in de periode van 4 mei 2011 tot en met 13 mei 2011, een aantal van ongeveer 90 hennepstek(ken) en/of hennepplant(en), althans een hoeveelheid van meer dan 30 gram, zijnde hennep (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, opzettelijk heeft/hebben verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad, en/of

- ( ZD VOG09) in de periode van 22 maart 2011 tot en met 12 mei 2011, een aantal van ongeveer 350, althans een of meer, hennepstek(ken) en/of hennepplant(en), in elk geval een grote hoeveelheid, zijnde hennep (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, opzettelijk heeft/hebben verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad, en/of

- ( ZD B01) in de periode van 13 december 2011 tot en met 17 december 2011, een aantal van ongeveer 500, althans een of meer, hennepstek(ken) en/of hennepplant(en), in elk geval een grote hoeveelheid, zijnde hennep (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, opzettelijk heeft/hebben verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad,en/of

- ( ZD B02) in de periode van 9 februari 2011 tot en met 11 januari 2012, een hoeveelheid van ongeveer 896 gram hennep, althans een grote hoeveelheid, zijnde hennep (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II opzettelijk heeft/hebben verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad, en/of

- ( ZD B18) in de periode 1 september 2011 tot en met 14 februari 2012 een hoeveelheid van ongeveer 16 hennepplanten, zijnde hennep (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II opzettelijk heeft/hebben verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad, art 3 ahf/ond B Opiumwet art 3 ahf/ond C Opiumwet art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht.

6:
hij op of omstreeks 30 januari 2012, te Amersfoort, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, een of meer vuurwapen(s) van categorie III , te weten:

- een revolver, merk Toschi Casteli, kaliber 10.5mm, en/of

- een gaspistool, merk Perfecta, kaliber 8mm, en/of

- twee pistolen, merk Walther P38, kaliber 9mm, en/of

- een pistool, merk Mauser, kaliber 9mm, en/of

- een pistool, merk BBM, kaliber 6.35, en/of

- twee grendelgeweren, kaliber 7.62x51mm, en/of

- twaalf patroonmagazijnen.

en/of munitie van categorie III, te weten:

- vijf, althans een of meer, scherpe patronen, te weten CS gaspatronen kaliber 8mm, en/of

- een grote hoeveelheid (meer dan 40 kilo) scherpe patronen van diverse kalibers, en/of; voorhanden heeft gehad.
7:
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 augustus 2010 tot en met 30 januari 2012, te Stoutenburg Noord, en/of Amersfoort en/of Nieuwegein en/of Putten en/of Utrecht, in elk geval in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit (onder meer) hem zelf, verdachte en/of een of meer andere perso(o)n(en), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van één of meer misdrijven, als bedoeld in artikel 11, derde en/of vierde en/of vijfde lid van de Opiumwet; artikel 11a Opiumwet art 11a lid 1 Opiumwet.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Verweren inzake de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Verouderde CIE-informatie

De verdediging stelt zich op het standpunt dat -kort gezegd- het gebruik van de in 2003 respectievelijk 2005 verkregen CIE-informatie, op basis waarvan het onderzoek op 7 juli 2010 mede is gestart, niet was toegestaan. Nu de betreffende informatie niet is verwijderd en/of vernietigd en de informatie is aangewend ten behoeve van het opsporingsonderzoek en ten grondslag heeft gelegen aan het afgeven en inzetten van verschillende opsporingsmiddelen, is verdachte onherstelbaar in zijn belangen geschaad.

Blijkens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad komt niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging als een in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Daarvoor is alleen plaats in het geval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan. Hiervan is naar het oordeel van het hof in deze geen sprake.

Uit de processen-verbaal omtrent de start van het onderzoek blijkt dat de politie een onderzoek heeft opgestart naar de handelingen van verdachte naar aanleiding van een binnengekomen melding, inhoudende dat verdachte betrokken was bij de illegale wapenhandel. Bovendien bleek dat verdachte reeds eerder – tussen 1998 en 2000- was veroordeeld inzake drugs- en wapenbezit. Het hof is van oordeel dat deze combinatie van omstandigheden, waarbij de CIE-informatie van 2003 en 2005 buiten beschouwing wordt gelaten, reeds voldoende verdenking opleverde om de start van het onderzoek – en de ten behoeve daarvan gebruikte opsporingsmiddelen- te rechtvaardigen en dat er geen sprake is van een grove veronachtzaming van de belangen van verdachte. Het hof verwerpt het verweer.

Overige ontvankelijkheidsverweren

De verdediging heeft voorts betoogd dat sprake is geweest van verschillende onherstelbare vormverzuimen, te weten: het Talloncriterium is geschonden, er is sprake van infiltratie en niet van een pseudokoop en stelselmatige informatiewinning en de processen-verbaal van de begeleiding van de pseudokoper zijn onvoldoende betrouwbaar.

De rechtbank heeft ten aanzien van deze verweren het volgende overwogen:

“... De rechtbank is van oordeel dat de inzet van de pseudokoper rechtmatig is geweest. Het bevel tot pseudokoop is gegeven op grond van artikel 126i van het Wetboek van Strafvordering. Dit artikel vereist dat er sprake is van een verdenking als bedoeld in artikel 67 van het Wetboek van Strafvordering. Aan dit vereiste was naar het oordeel van de rechtbank op dat moment voldaan. Ook aan de andere vereisten van artikel 126i van het Wetboek van Strafvordering was voldaan. Vervolgens ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of er bij de uitvoering van de pseudokoop rechtmatig gehandeld is. De raadsman heeft gesteld dat de pseudokoper verdachte heeft gebracht tot strafbare feiten waarop zijn opzet niet reeds eerder was gericht. De raadsman heeft voorts gesteld dat de pseudokoper de grenzen van pseudokoop heeft overschreden, waardoor hij feitelijk geïnfiltreerd heeft, zoals bedoeld in artikel 126h van het Wetboek van Strafvordering.

Infiltratie houdt in dat een opsporingsambtenaar deelneemt of medewerking verleent aan een groep personen waarbinnen naar redelijkerwijs kan worden vermoed misdrijven worden beraamd of gepleegd. De rechtbank overweegt dat daar in dit geval geen sprake van is. De pseudokoper heeft alleen contact gehad met verdachte en heeft geen medewerking verleend of deelgenomen aan een groep personen. Het is de rechtbank daarbij niet duidelijk geworden binnen welke groep geïnfiltreerd zou zijn volgens de raadsman. De rechtbank verwerpt derhalve dit verweer.

De rechtbank is voorts van oordeel dat artikel 126i lid 2 van het Wetboek van

Strafvordering, het zogenoemde Tallon criterium, niet is geschonden. De rechtbank

overweegt daartoe dat reeds uit de CIE-informatie de verdenking ontstond dat verdachte betrokken is bij de handel in vuurwapens, maar dat ook uit de gesprekken die hij heeft gevoerd met de pseudokoper naar voren komt dat verdachte bezig is met de handel in wapens. Op een vraag van de pseudokoper of verdachte hem kan helpen, waarbij hij wijst naar een ketting van verdachte met een afbeelding van een vuurwapen zegt verdachte “that is my job. Ik weet wat je wilt en ik kan deze kamer vullen, je zou kunnen strijden in de oorlog in Afghanistan”.’ De rechtbank leidt hieruit af dat het opzet van verdachte reeds was gericht op het verkopen van wapens en ziet geen enkel aanknopingspunt in het dossier voor de veronderstelling dat de pseudokoper verdachte heeft gebracht tot andere strafbare feiten dan waarop zijn opzet reeds van tevoren was gericht. De rechtbank verwerpt derhalve ook dit verweer van de raadsman.

Ook het verweer van de raadsman dat de processen-verbaal van de begeleiders van de pseudokoper niet betrouwbaar zouden zijn, verwerpt de rechtbank. De rechtbank twijfelt niet aan de juistheid van deze processen-verbaal en ziet geen aanleiding om te veronderstellen dat de totstandkoming van de processen-verbaal onjuist zou zijn verlopen. Daarbij heeft verdachte ter zitting en bij de politie geen concrete voorbeelden gegeven van de door hem gestelde onbetrouwbaarheid van de processen-verbaal, terwijl deze processen-verbaal steeds verslagen over contacten met verdachte bevatten…”

Het hof verenigt zich met de hiervoor weergegeven overwegingen van de rechtbank en maakt deze tot de zijne. In aanvulling hierop overweegt het hof ten aanzien van de betrouwbaarheid van de processen-verbaal van de begeleiding van de pseudokoper, dat zowel de pseudokoper (A1952) als diens begeleider (A1594) uitvoerig door de rechter-commissaris zijn gehoord in het bijzijn van de raadsman van verdachte. Daarmee heeft de verdediging de juistheid van de processen-verbaal kunnen toetsen. Het hof heeft geen redenen om aan de betrouwbaarheid van deze processen-verbaal te twijfelen.

Partiele vrijspraak

Feit 5, zaak dossiers Vogel09, B01 en B18

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Overweging met betrekking tot het bewijs

De raadsman heeft subsidiair bepleit dat de eerder genoemde vormverzuimen dienen te leiden tot bewijsuitsluiting. Bewijsuitsluiting als reactie op een vormverzuim kan uitsluitend aan de orde komen indien het bewijsmateriaal door het verzuim is verkregen en als hierdoor een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden. Het hof verwijst naar hetgeen het hieromtrent heeft overwogen ten aanzien van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie en verwerpt het verweer.

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Bijzondere bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1 en feit 2

Anders dan de verdediging heeft betoogd, is het hof van oordeel dat er voldoende bewijs is voor ‘de gewoonte’ van wapenhandel. Verdachte heeft tweemaal wapens verkocht en uit de gebruikte bewoordingen in de gesprekken tussen verdachte en de pseudokoper A-1952 blijkt dat hij verschillende soorten wapens kon leveren, dat hij wapens in voorraad had, dat hij de prijs bepaalde en dat hij verschillende contacten had waar hij wapens haalde. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij als tussenhandelaar fungeerde in de hennep- en wapenhandel.

Bijzondere bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 3

De verdediging heeft betoogd dat verdachte niet wist dat er wapens en munitie in zijn caravan lagen en dat niet kan worden uitgesloten dat deze spullen door iemand anders dan verdachte daar zijn neergelegd.

Het hof stelt vast dat verdachte heeft verklaard dat de caravan van hem was en bij hem in gebruik was. In beginsel gaat het hof er van uit dat de gebruiker van een bepaald pand of goed zich bewust is van hetgeen zich in dat pand of goed bevindt, tenzij er omstandigheden zijn die dit anders maken. Van dergelijke omstandigheden is in casu echter niet gebleken. Uit het proces-verbaal van de doorzoeking van de caravan blijkt dat de wapens en munitie in een kast onder een zitbank in de caravan waren verborgen. Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant A-1952 betreffende de pseudokoop op 14 juli 2011 (feit 2) blijkt dat verdachte in de caravan een kussen en een stuk multiplex hardboard optilde en de wapens uit de ruimte daaronder vandaan haalde. Hieruit leidt het hof af dat deze verborgen bergruimte door verdachte werd gebruikt voor de opslag van wapens. Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat de veronderstelling van de verdediging, dat iemand anders de wapens in de caravan heeft verstopt, onvoldoende concreet is en daarmee niet geloofwaardig. Bovendien acht het hof het uiterst onaannemelijk dat een andere persoon de wapens op dezelfde plek zou verbergen als waar verdachte zijn wapens uit wegpakt, zonder dat verdachte zich van de door de onbekende derde verstopte wapens bewust is.

Bijzondere bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 5

Bij de bewezenverklaring van zaaksdossier B02 heeft het hof het volgende in aanmerking genomen. Op 7 mei 2011 belt verdachte met medeverdachte [medeverdachte]. [medeverdachte] geeft aan dat hij nog onderdelen voor verdachte heeft. Op 10 mei 2011 belt verdachte opnieuw met [medeverdachte]. [medeverdachte] geeft aan dat verdachte vrijdag nieuwe onderdelen zal krijgen. Op vrijdag 13 mei 2011 ziet het observatieteam op camerabeelden een auto, merk Renault, type Kangoo, met kenteken[kenteken], op naam van [medeverdachte 2], de echtgenote van [medeverdachte], in de richting van het bedrijfsterrein van verdachte rijden. Een klein half uur later verlaat de auto het terrein weer.

Dezelfde dag belt verdachte met medeverdachte [medeverdachte 3] en zegt dat hij 90 dingetjes in zijn auto heeft staan en dat de sleutels er in zitten. Op 11 januari 2012 wordt in de woning van [medeverdachte 3] een hennepkwekerij aangetroffen. [medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij een kwekerij had en dat hij de planten zelf heeft geknipt en geoogst. Voorts verklaarde hij dat hij in de zomer van 2011 met de kwekerij was begonnen en dat er 80 planten in de kwekerij stonden.

Gelet op het vorenstaande acht het hof van oordeel het onder 5, zaaksdossier B02, tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

Bijzondere bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 6

De verdediging heeft betoogd dat de aanname dat verdachte in het bezit was van een sleutel van de garagebox op geen enkele wijze wordt ondersteund door de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen. Voorts stelt verdachte dat hij op 14 juli 2011 voor het eerst bij de garagebox was en ontkent hij dat deze bij hem in beheer was.

Verdachte heeft ter terechtzitting van het hof op 4 april 2014 verklaard dat hij als tussenhandelaar in wapens fungeerde. Medeverdachte [medeverdachte 4] heeft verklaard dat hij de eigenaar is van de garagebox aan de [adres] en dat hij in het bezit is van de sleutel van deze box. Voorts heeft verdachte ter terechtzitting van het hof verklaard dat meerdere mensen in het bezit waren van een sleutel. De getuige [getuige 1] heeft tijdens het politieverhoor verklaard dat verdachte hem had verteld dat de garagebox van de club was en dat verdachte deze voor de club beheerde. Tijdens het verhoor bij de raadsheer-commissaris van dit hof op 17 januari 2014 heeft [getuige 1] verklaard dat verdachte tegen hem had verteld dat er twee sleutels nodig waren om de garagebox te openen. De getuige [getuige 2] heeft tijdens het politieverhoor op 13 februari 2011 verklaard dat verdachte hem had verteld dat hij zijn wapens in een safe house bewaarde.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat verdachte tezamen en in vereniging met een ander wapens en munitie voorhanden heeft gehad.

Bijzondere bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 7

De verdediging heeft betoogd dat geen sprake was van een criminele organisatie. Er was geen gemeenschappelijk doel of gestructureerd samenwerkingsverband. Er was geen sprake van duurzaamheid of enige vorm van hiërarchie.

Het hof overweegt dat volgens bestendige jurisprudentie onder een criminele organisatie moet worden verstaan een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en ten minste één andere persoon. Niet is vereist dat daarbij komt vast te staan dat een persoon om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt moet hebben samengewerkt met, althans bekend moet zijn geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. Evenmin behoeft van “geledingen” of “hiërarchie” te blijken. Naarmate samenwerking inniger en duurzamer is, zal eerder aan het vereiste van een samenwerkingsverband met een zekere structuur zijn voldaan. Een dergelijk samenwerkingsverband kan toevallig en in de loop der tijd ontstaan omdat men “werkendeweg” ontdekt dat men een gezamenlijk doel heeft waarvan de realisering met duurzame samenwerking gediend is. Zo ‘n samenwerkingsverband is niet afhankelijk van regels, uitdrukkelijke afspraken of hiërarchische verhoudingen maar kan heel wel duurzaam zijn en aan het werken aan het gemeenschappelijk doel een bepaalde structuur ontlenen.

Uit het dossier komt naar voren dat een groep personen, te weten verdachte, [medeverdachte], [medeverdachte 5], [medeverdachte 2] en [getuige 2] zich over een periode van bijna twee jaren bezig hebben gehouden met de handel in hennep. Verdachte heeft gedurende de behandeling in hoger beroep erkend dat hij fungeerde als tussenhandelaar in de hennephandel, waarbij hij -onder meer- herhaaldelijk hennepstekken heeft afgenomen van medeverdachte [medeverdachte]. [medeverdachte] leverde de stekken en werkte samen met zijn vrouw [medeverdachte 2], die meermalen heeft geholpen met het water geven van planten en het bijhouden van de administratie. Verdachte werkte, voor wat betreft de hennephandel, samen met zijn vrouw [medeverdachte 5]. Uit het dossier komt naar voren dat zij knippers regelde voor in de hennepkwekerij, contacten onderhield met de afnemers en leveranciers van hennepstekken en hand- en spandiensten verrichtte.

Gelet op het vorenstaande acht het hof het wettig en overtuigend bewezen dat verdachte deel heeft genomen aan een criminele organisatie met het oogmerk het plegen van misdrijven zoals bedoeld in artikel 11, derde en vijfde lid, van de Opiumwet.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 7 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1:
hij op of omstreeks 29 juni 2011 te Stoutenburg Noord en/of Amersfoort, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, een of meer vuurwapen(s) van categorie III , te weten:

- een pistool, merk Bernadelli, kaliber 6,35mm en/of

- een pistool, merk onbekend, kaliber 6,35mm, en/of

- een pistool, merk Reck, kaliber .22WMR, en/of

- een pistool, merk Walther, kaliber 9mm, en/of

- een pistool, merk BBM, kaliber 6,35mm, en/of

munitie van categorie III, te weten:

- 5, althans een of meer, scherpe patronen (kaliber 6,35mm) en/of

- 5 doosjes van 25 scherpe patronen, althans een of meer, van het kaliber 6,35mm en/of

- 1 doosje van 13 scherpe patronen, althans een of meer, van het kaliber 6,35 mm en/of

- 1 doosje van 25 scherpe patronen, althans een of meer, van het kaliber 9mm Luger en/of

- 3, althans een of meer, scherpe patronen kaliber (6,35 mm),

heeft overgedragen en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte en/of die ander(en) daar een gewoonte van heeft/hebben gemaakt.

2:
hij op of omstreeks 14 juli 2011 te Stoutenburg Noord en/of Amersfoort, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, een of meer vuurwapen(s) van categorie III, te weten:

- een pistoolmitrailleur, model MP 40 en/of

- een pistoolmitrailleur, merk Auto-Ordnance en/of

- een patroonhouder, en/of

munitie categorie III, te weten:

- 50, althans een of meer, scherpe patronen kaliber .303

heeft/hebben overgedragen en/of voorhanden heeft/hebben gehad terwijl hij, verdachte en/of die ander(en) daar een gewoonte van heeft/hebben gemaakt.


3:
ZAAKSDOSSIER B13 EN B15

hij op of omstreeks 30 januari 2012 te Stoutenburg Noord en/of Amersfoort, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer (vuur)wapen(s) van categorie II en/of III, te weten:

- een stroomstootwapen merk Titan, en/of

- een schietpen van het kaliber .22, en/of

- een revolver (B15) en/of

munitie categorie III, te weten:

- 37, althans een of meer, scherpe patronen kaliber .22 LR, en/of

- 1 scherp patroon kaliber 357 Magnum, en/of

- 19, althans een of meer, scherpe patronen kaliber 9x19,

voorhanden heeft gehad.

4:
ZAAKSDOSSIERS B12 EN B15

hij op of omstreeks 30 januari 2012, te Hoogland en/of Stoutenburg Noord en/of Amersfoort, in elk geval in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad

- ( ZD B12) een hoeveelheid van ongeveer 100 tabletten/pillen van een materiaal bevattende MDMA en/of een zak met wit poeder (in totaal ongeveer 250 gram), in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende MDMA en/of amfetamine, zijnde MDMA en/of amfetamine een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het tweede of derde lid van artikel 2 van die wet, en/of

- (ZD B13) een zakje met wit poeder (in totaal ongeveer 130 gram), in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, danwel aangewezen krachtens het tweede of derde lid van artikel 2 van die wet, en/of

- ( ZD B15) 280 gram, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het tweede of derde lid van artikel 2 van die wet; art 2 ahf/ond C Opiumwet art 10 lid 3 Opiumwet.

5:
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 18 augustus 2010 tot en met 14 februari 2012, te Stoutenburg Noord, en/of Amersfoort en/of Nieuwegein en/of Putten en/of Utrecht en/of Huizen, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf:

- ( ZD VOG02) in de periode van 18 augustus 2010 tot en met 31 augustus 2010, een aantal van ongeveer 1680, althans 1000, althans een of meer, een grote hoeveelheid hennepstek(ken) en/of hennepplant(en), in elk geval een grote hoeveelheid, zijnde hennep (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, opzettelijk heeft/hebben verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad, en/of

- ( ZD VOG03) in de periode van 12 november 2010 tot en met 16 november 2010, een aantal van ongeveer 80 hennepstek(ken) en/of hennepplant(en), althans een hoeveelheid van meer dan 30 gram, zijnde hennep (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, opzettelijk heeft/hebben verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad, en/of

- ( ZD VOG05) in de periode van 17 januari 2011 tot en met 1 februari 2011, een aantal van ongeveer 540, althans 360, althans 180, althans een of meer, een grote hoeveelheid hennepstek(ken) en/of hennepplant(en), in elk geval een grote hoeveelheid, zijnde hennep (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, opzettelijk heeft/hebben verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad, en/of

- ( ZD VOG07) in de periode van 4 mei 2011 tot en met 13 mei 2011, een aantal van ongeveer 90 hennepstek(ken) en/of hennepplant(en), althans een hoeveelheid van meer dan 30 gram, zijnde hennep (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, opzettelijk heeft/hebben verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad, en/of

- ( ZD B02) in de periode van 9 februari 2011 tot en met 11 januari 2012, een hoeveelheid hennep van meer dan 30 gram, althans een grote hoeveelheid, zijnde hennep (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II opzettelijk heeft/hebben verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad.

6:
hij op of omstreeks 30 januari 2012, te Amersfoort, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, een of meer vuurwapen(s) van categorie III , te weten:

- een revolver, merk Toschi Casteli, kaliber 10.5mm, en/of

- een gaspistool, merk Perfecta, kaliber 8mm, en/of

- twee pistolen, merk Walther P38, kaliber 9mm, en/of

- een pistool, merk Mauser, kaliber 9mm, en/of

- een pistool, merk BBM, kaliber 6.35, en/of

- twee grendelgeweren, kaliber 7.62x51mm, en/of

- twaalf patroonmagazijnen.

en/of munitie van categorie III, te weten:

- vijf, althans een of meer, scherpe patronen, te weten CS gaspatronen kaliber 8mm, en/of

- een grote hoeveelheid (meer dan 40 kilo) scherpe patronen van diverse kalibers; voorhanden heeft gehad.

7:
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 augustus 2010 tot en met 30 januari 2012, te Stoutenburg Noord, en/of Amersfoort en/of Nieuwegein en/of Putten en/of Utrecht, in elk geval in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit (onder meer) hem zelf, verdachte, en/of een of meer andere perso(o)n(en), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van één of meer misdrijven, als bedoeld in artikel 11, derde en/of vierde en/of vijfde lid van de Opiumwet.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

het onder 1 en 2 bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 31, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd.

het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd, meermalen gepleegd.

het onder 4 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

het onder 5 bewezen verklaarde levert op:

in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

het onder 6 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd.

het onder 7 bewezen verklaarde levert op:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 11, derde lid en vijfde, van de Opiumwet.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaren met aftrek van het voorarrest.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte bekend dat hij een tussenhandelaar was in hennepstekken en vuurwapens. Met name het laatste acht het hof een ernstig feit, in het bijzonder omdat verdachte daarmee heeft bijgedragen aan het ongecontroleerde bezit van wapens in onze samenleving. Het in omloop brengen van de verschillende soorten vuurwapens en de hoeveelheden daarvan kan op zichzelf al een groot gevaar voor de samenleving opleveren. Het hof heeft voorts acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie van 17 maart 2014 betreffende verdachte, waaruit blijkt dat hij eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf jaren als door de rechtbank opgelegd en door de advocaat-generaal gevorderd, is in beginsel een juiste straf.

Ten voordele van verdachte neemt het hof in overweging dat hij in belangrijke mate verantwoordelijkheid heeft genomen voor de door hem gepleegde strafbare feiten. Nu het hof bovendien minder feiten bewezen heeft verklaard dan de rechtbank, zal het hof een lagere straf opleggen dan in eerste aanleg is opgelegd en in hoger beroep door de advocaat-generaal is gevorderd.

Beslag

Het onder 3 ten laste gelegde misdrijf is met betrekking tot de inbeslaggenomen wapens en munitie begaan. Deze voorwerpen zullen worden onttrokken aan het verkeer aangezien zij van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 2, 3, 10, 11 en 11a van de Opiumwet, de artikelen 36b, 36c, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26, 31 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep, voor zover gericht tegen de vrijspraak ten aanzien van het onder het onder 3, derde gedachtestreepje (zaaksdossier B15) en het onder 4, tweede gedachtestreepje (zaaksdossier B13) ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 7 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 7 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- een stroomstootwapen;

- munitie;

- een schietpen.

Aldus gewezen door

mr H. Abbink, voorzitter,

mr P.R. Wery en mr R. de Groot, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr C.M.M. van der Waerden, griffier,

en op 18 april 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.