Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:3255

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-04-2014
Datum publicatie
02-07-2014
Zaaknummer
200.139.549
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlenging machtiging uithuisplaatsing. Bevoegdheid te bepalen op welke specifieke plek kind dient te verblijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.139.549

(zaaknummers rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, 247882 en 247883)

beschikking van de familiekamer van 17 april 2014

inzake

[verzoekster],

zonder bekende woon- of verblijfplaats,
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. K.E. de Wit te Arnhem,

en

Stichting Bureau Jeugdzorg Gelderland,

gevestigd te Arnhem,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de stichting.

Als overige belanghebbende zijn aangemerkt:

[belanghebbende sub 1],

zonder bekende woon- of verblijfplaats,

verder te noemen: de vader ,

advocaat: mr. K.E. de Wit,

en

[belanghebbenden sub 2 en 3],

wonende te [woonplaats],

verder te noemen: de pleegouders van [kind 1],

en

de pleegouders van [kind 2],

wonende op een geheim adres.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van 27 september 2013, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift, ingekomen op 24 december 2013;

- het verweerschrift van de stichting, ingekomen op 27 januari 2014;

- een journaalbericht van mr. De Wit van 12 maart 2014, ingekomen op diezelfde datum.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 13 maart 2014 plaatsgevonden. Namens de moeder en de vader is hun advocaat verschenen. Namens de stichting zijn verschenen
[...], gezinsvoogd van [kind 2], [...], gezinsvoogd van [kind 1], en [...], gz-psycholoog. Voorts zijn verschenen de pleegouders van [kind 1] en de pleegouders van [kind 2].

3 De vaststaande feiten

3.1

De moeder en de vader zijn onder meer de ouders van:
- [kind 1], geboren op [geboortedatum] 1999, en
- [kind 2], geboren op [geboortedatum] 2011.

De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over [kind 1] en [kind 2].

3.2

Bij beschikking van 8 oktober 2012 heeft de kinderrechter in de rechtbank Arnhem de beide kinderen onder toezicht gesteld van de stichting voor de duur van een jaar tot 8 oktober 2013.

3.3

Bij beschikking van 17 december 2012 heeft de kinderrechter van de rechtbank Oost-Nederland, zittingsplaats Zutphen, de stichting gemachtigd [kind 2] uit huis te plaatsen in een verblijf accommodatie zorgaanbieder 24-uur. [kind 1] is op 15 maart 2013 uit huis geplaatst.

3.4

Bij beschikking van 11 maart 2013 heeft de kinderrechter van de rechtbank Oost-Nederland, zittingsplaats Zutphen, de stichting gemachtigd [kind 2] uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot uiterlijk 8 oktober 2013.

3.5

De stichting heeft op 9 juli 2013 ten aanzien van [kind 2] en op 12 juli 2013 ten aanzien van [kind 1] een indicatiebesluit genomen als bedoeld in artikel 6 lid 1 van de Wet op de jeugdzorg (verder: WJZ).


3.6 Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking van
27 september 2013 heeft de kinderrechter de termijn van de ondertoezichtstelling verlengd met ingang van 8 oktober 2013 tot 8 oktober 2014, een machtiging tot uithuisplaatsing van [kind 1] in een voorziening van pleegzorg verleend overeenkomstig het indicatiebesluit van 12 juli 2013 tot uiterlijk 8 oktober 2013 en de termijn van de machtigingen tot uithuisplaatsing van [kind 1] en [kind 2] overeenkomstig de indicatiebesluiten van 9 en 12 juli 2013 verlengd met ingang van 8 oktober 2013 tot uiterlijk 8 oktober 2014.

3.6

[kind 1] is met ingang van 15 maart 2013 geplaatst in een leefgroep in Ingen en kort daarna in Doetinchem en is op 12 juli 2013 overgeplaatst naar haar oom en tante (netwerkpleegouders familie [naam]) waar zij tot op heden verblijft. [kind 2] is met ingang van 15 maart 2013 geplaatst in een (geheim) perspectief biedend pleeggezin.

4 De motivering van de beslissing

4.1

Ingevolge artikel 1:261 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW) kan de kinderrechter de stichting als bedoeld in artikel 1 WJZ op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Ingevolge artikel 1:262 lid 1 BW kan de kinderrechter op verzoek van de stichting of de raad de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing telkens met ten hoogste een jaar verlengen.

4.2

De moeder kan zich met de verlenging van de uithuisplaatsing van [kind 2] niet verenigen. Zij erkent dat zij en de vader momenteel niet in staat zijn de kinderen op te vangen. Zij wenst dat [kind 2], evenals [kind 1], in het netwerkpleeggezin van haar broer, de familie [naam], zal verblijven zodat de kinderen samen in één gezin kunnen opgroeien. Door [kind 2] niet ook bij de pleegouders van [kind 1] te plaatsen wordt zij onnodig van haar zus gescheiden. Uit het door Lindenhout afgeronde netwerkonderzoek volgt dat het gezin van de familie [naam] positief beoordeeld is. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat het niet tot haar bevoegdheden behoort om te bepalen op welke specifieke plek [kind 2] dient te verblijven.

4.3

Het hof zal allereerst ingaan op de vraag of het aan de rechter is om bepalen op welke plek een uithuisgeplaatste minderjarige dient te verblijven. In de literatuur (Doek/Vlaardingerbroek, Jeugdrecht en jeugdzorg, 6e druk 2009, p. 349/350) is onder verwijzing naar Hof ’s-Gravenhage 25 september 1998, FJR 1999, p.85 bepleit dat de kinderrechter de vrijheid heeft het verzoek van ouders te honoreren door te bepalen dat de machtiging tot uithuisplaatsing zich beperkt tot plaatsing in een met name genoemd pleeggezin en dat het te ver gaat om aan te nemen dat de kinderrechter in absolute zin aan het indicatiebesluit gebonden is als het gaat om de keuze voor een bepaald pleeggezin. Daarbij is aangehaald dat het juist de taak van de kinderrechter is om bij het afgeven van een machtiging het belang van het kind de eerste, zo niet een beslissende overweging te doen zijn (artikel 3 Verdrag inzake de Rechten van het Kind). Het hof is gelet op vorenstaande in samenhang met artikel 8 van het Europees Verdrag Rechten van de Mens (EVRM), anders dan de kinderrechter, van oordeel dat de ouders kunnen verzoeken om een machtiging uithuisplaatsing in een netwerkpleeggezin en dat de kinderrechter de vrijheid heeft dit verzoek, indien dit in het belang is van het kind, te honoreren.


4.4 Op grond van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen is het hof echter van oordeel dat de gronden voor uithuisplaatsing nog steeds aanwezig zijn en dat het, anders dan de moeder aanvoert, niet in het belang van [kind 2] is om haar te plaatsen in het netwerkpleeggezin van de familie [naam]. De ouders erkennen dat zij niet in staat waren en zijn om [kind 2] een opvoedingsklimaat te bieden waarin de continuïteit van/en veiligheid in haar dagelijkse verzorging en opvoeding is gewaarborgd.

De moeder is samen met haar kinderen in augustus 2012 op straat gezet wegens wanbetaling en overlast. Eerst hebben ze tot december 2012 bij oma gewoond. Na een escalatie tussen de moeder en oma, is de moeder met de kinderen in een flat van Lindenhout gaan wonen. Ondanks intensieve ondersteuning bleek de moeder niet in staat de veiligheid voor haar kinderen te waarborgen. Na de beslissing om [kind 2] in een pleeggezin te plaatsen, is de moeder ondergedoken en heeft ze [kind 1] en [kind 2] bij haar broer gebracht. Tot dat moment heeft de moeder tegenover de stichting verklaard geen contact met haar familie te hebben. [kind 2] is bij een pleeggezin geplaatst en [kind 1] is op een leefgroep geplaatst. Vervolgens heeft Lindenhout een netwerkonderzoek verricht. Op 15 juli 2013 is [kind 1] in het netwerkpleeggezin geplaatst en dat verloopt tot dit moment goed.

Sinds maart 2013 woont [kind 2] in het huidige pleeggezin. [kind 2] ontwikkelt zich thans positief, ze is open en vrolijk. Zij heeft een band gekregen met haar pleegouders en pleegbroer. Daarnaast is er tijd en ruimte voor individuele aandacht en stimulering die [kind 2] gezien haar voorgeschiedenis en daarmee gepaard gaande achterstand op het gebied van taal, fysieke groei en opvoeding zeer nodig heeft. Tussen [kind 2] en de moeder heeft contact plaatsgevonden tot juli 2013. De vader is sinds maart 2013 uit beeld. De ouders zijn niet bereikbaar voor de stichting. Er kan geen overleg plaatsvinden tussen de ouders en de stichting. De vader heeft in december 2013 contact gehad met de stichting en daarbij aangegeven dat hij de plaatsing van [kind 2] bij het huidige pleeggezin nooit zal accepteren. De vader wilde ook op dat moment niet overleggen met de stichting.

4.5

Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de pleegouders van [kind 1] wel contact hebben met de ouders. De ouders weigeren echter contact met de stichting en wensen ook niet met hen samen te werken zo lang [kind 2] niet bij de pleegouders van [kind 1] is geplaatst. Daarnaast hebben de ouders sinds juli 2013 geen contact meer met [kind 2] en geven zij feitelijk geen invulling aan het gezag over haar. Het hof is van oordeel dat de eerste voorwaarde voor eventuele plaatsing van [kind 2] in het pleeggezin van [kind 1] betreft dat de ouders met de stichting een goede samenwerking hebben. Die ontbreekt thans volledig. De stichting heeft aangegeven dat de afgelopen jaren is gemerkt dat bij de ouders een patroon van aantrekken en afstoten in de familierelaties bestaat wat onrust voor [kind 2] zou betekenen. Er zijn in het verleden geregeld spanningen onderling geweest, zeker met de vader. Ook thans is onduidelijk hoe het contact tussen het netwerkpleeggezin en de ouders functioneert. Er is sprake van pedagogische onmacht bij de ouders en beperkte pedagogische vaardigheden. Het probleeminzicht bij de ouders is gering, evenals inzicht in de consequenties van hun handelen. De ouders beschouwen de plaatsing van [kind 2] als tijdelijk, maximaal een jaar, waardoor een loyaliteitsconflict bij [kind 2] kan ontstaan.

4.6

Gelet op deze zorgen, en het ontbreken van enige samenwerking tussen de ouders en de stichting, acht het hof het niet in het belang van [kind 2] dat zij in het netwerkpleeggezin zal worden geplaatst. Daarbij komt dat, gelet op de leeftijd van [kind 2], de omstandigheid dat zij het netwerkpleeggezin nauwelijks kent en het gegeven dat zij nu ruim een jaar in het huidige pleeggezin verblijft, een overplaatsing van [kind 2] op dit moment niet in haar belang is, gelet op de hechting die zij doormaakt. Naar het oordeel van het hof is het niet zo dat die hechting zonder meer in de weg staat aan een overplaatsing naar het netwerkpleeggezin, maar door het ontbreken van elke samenwerking tussen de ouders en de stichting kan niet worden bezien of overplaatsing (op termijn) in het belang van [kind 2] is. Daarmee handelen de ouders niet in het belang van [kind 2]. Het hof is van oordeel dat bij het uitblijven van de verzochte verlenging de continuïteit en veiligheid van [kind 2] in haar dagelijkse verzorging en opvoeding niet is gewaarborgd en beoordeelt de verlenging van de uithuisplaatsing dan ook noodzakelijk.

4.7

Uit het voorgaande volgt dat het hof de beschikking, voor zover het de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind 2] in een voorziening voor pleegzorg betreft, dient te bekrachtigen.

5 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van 27 september 2013, voor zover het de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind 2] in een voorziening voor pleegzorg betreft;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.H. Schulten, R. Prakke-Nieuwenhuizen en
R. Feunekes, bijgestaan door F.E. Knoppert als griffier, is bij afwezigheid van de voorzitter en de oudste raadsheer ondertekend door de jongste raadsheer, en is op 17 april 2014 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.