Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:3225

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22-04-2014
Datum publicatie
22-04-2014
Zaaknummer
21-007377-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof acht de voorbedachte raad niet bewezen en komt tot doodslag. Daarnaast is bewezen dat verdachte een politieagent zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht en politieagenten heeft beledigd. Verdachte is sterk verminderd toerekeningsvatbaar. Voor alle feiten tezamen wordt verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren en wordt de maatregel van ter beschikkingstelling met dwangverpleging opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-007377-13

Uitspraak d.d.: 22 april 2014

TEGENSPRAAK

PROMIS

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel van

6 september 2013 met parketnummer 08-710475-12 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats],

thans verblijvende in Zwolle PPC te Zwolle.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 8 april 2014 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr E. van der Meer, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing, strafoplegging en beslissing ten aanzien van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] komt.

Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is -na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg- tenlastegelegd dat:

1.

primair
hij op of omstreeks 10 augustus 2012,

in de gemeente [gemeente],

opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon, genaamd [slachtoffer], van het

leven heeft beroofd,

immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg,

- genoemde [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een (stanley)mes,

althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de hals en/of de keel en/of de kin

en/of de borst, en/of een/de hand(en, in elk geval het (boven)lichaam gestoken en/of gesneden, en/of

- genoemde [slachtoffer] (krachtig) bij de keel en/of de hals vastgepakt, en/of

(vervolgens) de keel/hals van genoemde [slachtoffer] dichtgeknepen/dichtgedrukt

en/of (enige tijd) dichtgeknepen/dichtgedrukt gehouden, en/of een of beide

arm(en) krachtig (in een wurggreep) om de hals/nek van genoemde [slachtoffer]

geklemd en/of geklemd gehouden,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

subsidiair
hij op of omstreeks 10 augustus 2012,

in de gemeente [gemeente],

opzettelijk een persoon, genaamd [slachtoffer], van het leven heeft beroofd,

immers heeft verdachte met dat opzet:

- genoemde [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een (stanley)mes,

althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de hals en/of de keel en/of de

kin en/of de borst, en/of een/de hand(en), in elk geval het (boven)lichaam gestoken en/of gesneden, en/of

- genoemde [slachtoffer] (krachtig) bij de keel en/of de hals vastgepakt, en/of

(vervolgens) de keel/hals van genoemde [slachtoffer] dichtgeknepen/dichtgedrukt

en/of (enige tijd) dichtgeknepen/dichtgedrukt gehouden, en/of een of beide

arm(en) krachtig (in een wurggreep) om de hals/nek van genoemde [slachtoffer]

geklemd en/of geklemd gehouden,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

2.
hij op of omstreeks 09 december 2011,

in de gemeente [gemeente],

opzettelijk beledigend (een) politieambtena(a)r(en) genaamd [benadeelde 2],

hoofdagent van de regiopolitie Twente, gedurende en/of ter zake van de

rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in diens tegenwoordigheid

mondeling heeft toegevoegd de woorden "Rot toch op vieze kanker mongool,

flikker een end op", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of

strekking.

3.
hij op of omstreeks 9 december 2011

in de gemeente [gemeente],

toen (een) aldaar in uniform geklede dienstdoende politieambtena(a)r(en), te

weten [benadeelde 2] en/of [benadeelde 1] van de regiopolitie Twente, verdachte op

verdenking van belediging/het overtreden van artikel 267 lid 2 Wetboek van

Strafrecht, in elk geval op verdenking van het gepleegd hebben van enig

strafbaar feit, op heterdaad ontdekt, had(den) aangehouden en vastgegrepen,

althans vast had/hadden teneinde hem ten spoedigste te geleiden voor een

hulpofficier van justitie en hem daartoe over te brengen naar een

politiebureau en/of het "PAT" te [plaats], zich met geweld heeft verzet tegen

bovengenoemde opsporingsambtena(a)r(en), werkzaam in de rechtmatige

uitoefening van hun/zijn bediening;

- door te rukken en/of te trekken in een richting tegengesteld aan die, waarin

die ambtena(a)r(en) verdachte trachtte(n) te geleiden en/of

- door (met kracht) zijn bovenlichaam en/of arm(en) heen en weer te

bewegen/zwaaien en/of

- door meermalen, althans eenmaal, (met kracht) aan het (zich in de holster

bevindende) dienstwapen van die [benadeelde 1] voornoemd te trekken en/of

- door (met kracht) de genitaliën van voornoemde [benadeelde 1] vast/beet te pakken

en/of deze genitaliën (vervolgens) (om) te draaien en/of

- door opzettelijk gewelddadig tegen het lichaam van die [benadeelde 1] te

duwen/sleuren waarbij die [benadeelde 1] ten val kwam,

ten gevolge waarvan voornoemde [benadeelde 1] zwaar lichamelijk letsel heeft

opgelopen, te weten een gebroken kuitbeen en/of armletsel.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Voorbedachte raad

Inleiding

Op vrijdag 10 augustus 2012 omstreeks 21:21 uur kwam er bij het Regionaal Meld Centrum van de Politie Twente een telefonische melding binnen van een steekpartij die op dat moment gaande was aan de [adres].

Toen medewerkers van de politie ter plaatste kwamen, troffen zij [slachtoffer] aan, liggend op haar rug voor de woning van haar buren. Haar hals en gezicht waren bebloed. Bovenop haar lag verdachte die haar met beide armen in een wurggreep om haar hals hield. De verbalisanten konden verdachte met moeite van [slachtoffer] af trekken. Op ongeveer 1 meter afstand van [slachtoffer] werd een bebloed stanleymes gevonden. Omdat het slachtoffer geen polsslag meer bleek te hebben, werd reanimatie gestart die later werd overgenomen door ter plaatse gekomen medewerkers van de ambulancedienst. Zij stelden vast dat [slachtoffer] was overleden.

De arts-patholoog A. Maes heeft geconcludeerd dat het overlijden van [slachtoffer] kan worden verklaard door massaal bloedverlies als gevolg van bij leven opgelopen uitwendig inwerkend perforerend geweld (steken/snijden) op het lichaam en dat verstikkingsverschijnselen als gevolg van bij leven opgelopen samendrukkend en/of omsnoerend geweld op de hals vermoedelijk aan dat overlijden hebben bijgedragen.

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal is van oordeel dat de vraag of verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld, bevestigend moet worden beantwoord en dat het primair tenlastegelegde kan worden bewezen. Meer in het bijzonder heeft zij betoogd dat dat uit de reeks van gebeurtenissen een aaneenschakeling van keuzemomenten kan worden gedestilleerd waarop verdachte de gelegenheid heeft gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. De aaneenschakeling van keuzemomenten weegt veel zwaarder dan de eventuele aanwezigheid van contra-indicaties.

Standpunt raadsman

De raadsman heeft zich, kort gezegd, op het tegenovergestelde standpunt gesteld, namelijk dat niet is komen vast te staan dat verdachte heeft gehandeld na kalm beraad en rustig overleg. De bedoelde gelegenheid(en) is (zijn) er mogelijk wel geweest, maar gezien het gedrag van verdachte dat hij van die gelegenheid(en) gebruik gemaakt heeft.

Juridisch kader

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachte raad' moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen.1

Feiten en omstandigheden

Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen, stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.

Op 10 augustus 2012, kort vóór 21:00 uur, zag de getuige [getuige 1], wonende aan de [adres], de auto van verdachte de straat in komen rijden. [slachtoffer] was die avond op bezoek geweest bij [getuige 2], de ex-vriendin van verdachte, wonende aan de [adres 2]. Het slachtoffer is blijkens de verklaringen van de getuigen [getuige 2] en [getuige 3] om ongeveer 21:00 uur à 21:15 uur op de fiets weggegaan bij [getuige 2].

Uit de verklaringen van onder meer de getuigen [getuige 4], [getuige 5], [getuige 6] en [getuige 7], buurtbewoners van [slachtoffer], kan het volgende worden afgeleid over het verdere verloop van bovengenoemde avond.

Het slachtoffer heeft met haar rug tegen de muur van een schuur aan de [adres] gestaan. Verdachte stond tegen haar aan. Hij drukte haar tegen de muur. Op enig moment zag zij kans om weg te rennen of in ieder geval een paar passen opzij te doen. Verdachte ging onmiddellijk achter haar aan en zij kwamen beiden ten val. Het slachtoffer lag op dat moment op haar buik. Verdachte kwam bovenop het slachtoffer te zitten. Verdachte hield een mes met de scherpe kant bij haar hals. Hij heeft tegen haar gezegd dat zij rustig moest doen en zich stil moest houden. Hij had zijn armen om de nek/hals van het slachtoffer in een soort wurggreep. Op een gegeven moment nadien lag het mes op de grond en getuige [getuige 6] heeft het weggeschopt. Toen het slachtoffer haar hoofd iets oprichtte was er een gapende wond in de hals te zien. Het slachtoffer zat onder het bloed; de getuigen [getuige 6] en [getuige 8] hebben geprobeerd om de arm van verdachte om de nek/hals weg te trekken. Dit lukte pas na enige tijd. Verdachte stond op. Daarna schopte verdachte met volle kracht tegen het hoofd van het slachtoffer om zich vervolgens opnieuw op het slachtoffer te storten en haar weer met kracht vast te pakken om de hals. Het slachtoffer lag toen op haar rug. Uiteindelijk werd verdachte met veel moeite door de politie van het slachtoffer af gehaald.

Oordeel hof

Noch uit het dossier, noch uit het verhandelde ter terechtzitting kan worden afgeleid dat verdachte concrete plannen had om [slachtoffer] van het leven te beroven. Hoewel op grond van het dossier aangenomen mag worden dat verdachte en het slachtoffer elkaar kenden, is er niets komen vast te staan omtrent een aanleiding of een motief. Het is onduidelijk gebleven of zij die avond samen hadden afgesproken en of er iets (en zo ja, wat) voorafgegaan is aan het moment dat het slachtoffer door verdachte tegen de schuur werd gedrukt. Ook kan niet worden vastgesteld dat verdachte het stanleymes speciaal heeft meegenomen om [slachtoffer] iets aan te doen. Verdachte droeg een werkbroek en uit verklaringen volgt dat hij vaker het mes in zijn werkbroek meedroeg.

Nu het hof geen inzicht heeft gekregen in de gedachtengang van verdachte, moet geoordeeld worden op grond van de bovengeschetste uiterlijke verschijningsvorm. Uit de reeks van gebeurtenissen ná het door verdachte tegen de muur drukken van het slachtoffer, zoals hierboven omschreven, kan naar het oordeel van het hof gelet op de uiterlijke verschijningsvorm, wel worden vastgesteld dat de verdachte tijd en dus gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad. Twee momenten zijn hiervoor van belang. Het eerste (keuze)moment is wanneer het slachtoffer zich bij de muur van de schuur weet los te maken van verdachte en weg rent. Verdachte gaat haar achterna en ze komen een paar meter verderop samen ten val. Het tweede keuze)moment is als verdachte door de getuigen [getuige 6] en [getuige 8] van het slachtoffer wordt af getrokken en opstaat. Na het slachtoffer tegen het hoofd te hebben geschopt, rukt hij zich los en stort zich wederom op het slachtoffer.

Hoewel de verdachte geen inzicht heeft gegeven in hetgeen voor en ten tijde van het begaan van het feit in hem is omgegaan en ook anderszins hier niets over kan worden vastgesteld, zou redelijkerwijs kunnen worden aangenomen dat nu verdachte die gelegenheid heeft gehad, hij ook gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven.2 Waarbij wordt aangetekend dat het tweede keuzemoment als manco heeft dat het slachtoffer toen al dodelijk gewond was, nu uit de getuigenverklaringen volgt dat verdachte het mes niet meer in zijn hand had.

Het bovenstaande vormt in principe een belangrijke, objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld. Echter het hof neemt tevens de volgende contra-indicaties in beschouwing .

1.

De gebeurtenissen hebben elkaar relatief snel opgevolgd waardoor er sprake is van een korte tijdspanne waarin het drama zich heeft voltrokken. De uiterlijke verschijningsvorm past evenzeer bij een handelen in emotie.

2.

In de periode voorafgaand aan 10 augustus 2012 was verdachte gestopt met de inname van anti-psychotische medicatie. Zijn toestand verslechterde en hij was opnieuw in toenemende mate psychotisch. Ten tijde van het feit was sprake van een floride psychotisch toestandsbeeld en van een sterk vertekende realiteitszin. Hierdoor is niet uit te sluiten dat is gehandeld in een plotselinge hevige emotie (ogenblikkelijke gemoedsopwelling).

3.

In samenhang met punt 2 is tevens van belang dat verdachte blijkens het PBC rapport (pag. 50) moeite heeft eenmaal ingezet gedrag bij te stellen (perseveratie).

Het hof is daarom van oordeel dat aan bovengenoemde contra-indicaties een zwaarder gewicht moet worden toegekend dan aan de gelegenheid die verdachte op de beide eerder genoemde keuzemomenten heeft gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Gelet hierop kan niet worden bewezen dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld en moet hij worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1 subsidiair, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

subsidiair
hij op of omstreeks 10 augustus 2012,

in de gemeente [gemeente],

opzettelijk een persoon, genaamd [slachtoffer], van het leven heeft beroofd,

immers heeft verdachte met dat opzet:

- genoemde [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een (stanley)mes,

althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de hals en/of de keel en/of de

kin en/of de borst, en/of een/de hand(en), in elk geval het (boven)lichaam gestoken en/of gesneden, en/of

- genoemde [slachtoffer] (krachtig) bij de keel en/of de hals vastgepakt, en/of

(vervolgens) de keel/hals van genoemde [slachtoffer] dichtgeknepen/dichtgedrukt

en/of (enige tijd) dichtgeknepen/dichtgedrukt gehouden, en/of een of beide

arm(en) krachtig (in een wurggreep) om de hals/nek van genoemde [slachtoffer]

geklemd en/of geklemd gehouden,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

2.
hij op of omstreeks 09 december 2011,

in de gemeente [gemeente],

opzettelijk beledigend (een) politieambtena(a)r(en) genaamd [benadeelde 2],

hoofdagent van de regiopolitie Twente, gedurende en/of ter zake van de

rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in diens tegenwoordigheid

mondeling heeft toegevoegd de woorden "Rot toch op vieze kanker mongool,

flikker een end op", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of

strekking.

3.
hij op of omstreeks 9 december 2011

in de gemeente [gemeente],

toen (een) aldaar in uniform geklede dienstdoende politieambtena(a)r(en), te

weten [benadeelde 2] en/of [benadeelde 1] van de regiopolitie Twente, verdachte op

verdenking van belediging/het overtreden van artikel 267 lid 2 Wetboek van

Strafrecht, in elk geval op verdenking van het gepleegd hebben van enig

strafbaar feit, op heterdaad ontdekt, had(den) aangehouden en vastgegrepen,

althans vast had/hadden teneinde hem ten spoedigste te geleiden voor een

hulpofficier van justitie en hem daartoe over te brengen naar een

politiebureau en/of het "PAT" te [plaats], zich met geweld heeft verzet tegen

bovengenoemde opsporingsambtena(a)r(en), werkzaam in de rechtmatige

uitoefening van hun/zijn bediening;

- door te rukken en/of te trekken in een richting tegengesteld aan die, waarin

die ambtena(a)r(en) verdachte trachtte(n) te geleiden en/of

- door (met kracht) zijn bovenlichaam en/of arm(en) heen en weer te

bewegen/zwaaien en/of

- door meermalen, althans eenmaal, (met kracht) aan het (zich in de holster

bevindende) dienstwapen van die [benadeelde 1] voornoemd te trekken en/of

- door (met kracht) de genitaliën van voornoemde [benadeelde 1] vast/beet te pakken

en/of deze genitaliën (vervolgens) (om) te draaien en/of

- door opzettelijk gewelddadig tegen het lichaam van die [benadeelde 1] te

duwen/sleuren waarbij die [benadeelde 1] ten val kwam,

ten gevolge waarvan voornoemde [benadeelde 1] zwaar lichamelijk letsel heeft

opgelopen, te weten een gebroken kuitbeen en/of armletsel.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

Doodslag.

het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

Eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

Wederspannigheid

en

Wederspannigheid, terwijl het misdrijf zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

Strafbaarheid van de verdachte

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich aangesloten bij de conclusie van de deskundigen J. Marx, psychiater en J. Heerschop, psycholoog dat verdachte ten aanzien van het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde als sterk verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden beschouwd.

Standpunt raadsman

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de strafbare feiten genoemd onder 1 subsidiair, 2 en 3 in het geheel niet aan verdachte kunnen worden toegerekend wegens ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens. Hij moet daarom worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Oordeel hof

Omtrent verdachte zijn in eerste aanleg door verschillende gedragsdeskundigen rapportages uitgebracht. Nadat verdachte niet mee heeft willen werken aan de Pro Justitia rapportages van mw. M. Drost, psychiater van 8 november 2012 en G.M. Jansen, GZ-psycholoog van

9 november 2012 is ter zitting van de rechtbank van 23 november 2012 door de officier van justitie verzocht om verdachte voor onderzoek te laten opnemen in het Pieter Baan Centrum. Verdachte heeft hierin toe gestemd en de rechtbank heeft het verzoek van de officier van justitie toegewezen.

Door J. Marx, psychiater en J. Heerschop, psycholoog, verbonden aan het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en psychologie, locatie Pieter Baan Centrum te Utrecht is een rapport opgesteld, gedateerd 18 juli 2013 (hierna: PBC-rapport). Het hof heeft bij de beoordeling van de strafbaarheid van verdachte zowel acht geslagen op dit rapport als op de verklaring van de heer J. Marx, zoals afgelegd ter zitting van de rechtbank van

23 augustus 2013.

In het PBC rapport is onder meer overwogen, zakelijk weergegeven:

Bij betrokkene is sprake van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Betrokkene heeft de afgelopen twee jaar, drie geobjectiveerde psychosen doorgemaakt. De psychosen worden gekenmerkt door achterdocht en achtervolgingswanen (zogeheten positieve symptomen). Daarnaast is sprake van affectvervlakking en cognitieve achteruitgang (doorgaans aangeduid als negatieve symptomen). Classificerend kan worden gesproken van paranoïde schizofrenie. Daarnaast is sprake van een medische voorgeschiedenis met epileptische insulten, waarvoor betrokkene langdurig werd behandeld en een hersenoperatie voor heeft ondergaan.

Ten aanzien van het onder 2 en 3 tenlastegelegde is het waarschijnlijk dat het handelen van verdachte in zeer sterke mate, mogelijk zelfs volledig werd beïnvloed door de psychotische symptomen, ook in aanmerking nemend dat de komst van de agenten verband hield met de aanvraag van een gedwongen opname in het kader van de wet BOPZ. Aannemelijk is dat de bij betrokkene beschreven ziekelijke stoornis ten tijde van de hem onder 2 en 3 tenlastegelegde feiten (indien bewezen) een aanzienlijke invloed heeft gehad, op grond waarvan wordt geadviseerd om hem voor deze feiten als tenminste sterk verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

Bij betrokkene was ten tijde van het plegen van het hem onder 1 tenlastegelegde feit sprake van een floride psychotisch toestandsbeeld, dat bij de totstandkoming hiervan ook in aanzienlijke, mogelijk volledige mate van invloed is geweest. Hoewel mogelijk sprake was van een volledige doorwerking van de stoornis in het tenlastegelegde levensdelict, en daarmee van volledige ontoerekeningsvatbaarheid van betrokkene kon op de precieze toedracht van dit feit slechts beperkt zicht worden verkregen. In dat verband zij opmerkt dat het tenlastegelegde niet met betrokkene besproken kon worden en dat ook het dossier over betrokkenes motieven en overwegingen op dat moment geen specifieke informatie bevat. Betrokkene heeft een (vrijwel) blanco justitiële voorgeschiedenis en uit het onderzoek komen buiten de tenlastegelegde feiten geen agressieve incidenten naar voren. Bij het tenlastegelegde levensdelict is niet duidelijk òf en in hoeverre binnen het bij betrokkene geschetste toestandsbeeld ook sprake kan zijn geweest van meer ‘reële’ conflicten met het slachtoffer en welk gewicht hieraan binnen de psychose forensisch moet worden gegeven.

Hoewel een wisselwerking met de realiteit de mogelijkheid van een volledige doorwerking van de psychose in het tenlastegelegde geenszins uitsluit, achten ondergetekenden, zich op basis van de beschikbare informatie niet in staat om binnen hun deskundigheid een dergelijke conclusie feitelijk ‘hard’ te onderbouwen. Zonder af te doen aan de ernst van het bij betrokkene beschreven psychiatrisch toestandsbeeld in de aanloop tot feit 1, wordt op grond hiervan geadviseerd om hem voor dit feit – indien bewezen – als sterk verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

Uit het bovenstaande blijkt dat de rapporteurs komen tot de conclusie dat ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3 sprake is van sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid. Psychiater J. Marx heeft ter zitting van de rechtbank van 23 augustus 2013 uiteengezet dat zij (- naar het hof begrijpt: de onderzoekers bij hun bevindingen-) tegen de ondergrens aan zitten qua toerekeningsvatbaarheid maar dat zij een aantal aspecten niet hebben kunnen onderzoeken. Hij heeft voorts verklaard, zakelijk weergeven: Het zou kunnen dat verdachte een bepaalde strategie volgt door zich niets te herinneren van de feiten. Ik kan dat niet uitsluiten. Veel vragen worden niet door verdachte beantwoord. Ik weet niet of hij het niet weet of dat hij niet wil antwoorden. Bij een psychose worden de herinneringen wel vervormd. Maar het wordt geen zwart gat. Wij missen de informatie om de mate van toerekeningsvatbaarheid volledig te onderbouwen.

Het hof acht de conclusies van de deskundigen Marx en Heerschop in het PBC-rapport inzichtelijk en goed gemotiveerd. Daarnaast is door de deskundige Marx bij de rechtbank een uitvoerige verklaring afgelegd. Hij heeft gepersisteerd bij de conclusies uit het PBC-rapport.

Het hof neemt daarom voormelde conclusies over en maakt deze tot de zijne. Op grond van het bovenstaande is het hof van oordeel dat de bewezenverklaarde feiten de verdachte in sterk verminderde mate kunnen worden toegerekend.

Overeenkomstig deze conclusie kan niet worden gezegd dat verdachte niet strafbaar is. Er is voorts ook geen andere omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank heeft de verdachte wegens het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren en ter beschikking stelling met verpleging van overheidswege. De advocaat-generaal acht dezelfde feiten bewezen als de rechtbank en heeft dezelfde straf gevorderd.

Het hof komt, zoals hierboven weergegeven, niet tot de bewezenverklaring van moord, maar van doodslag en acht voorts ook de feiten 2 en 3 bewezen.

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft op 10 augustus 2012 [slachtoffer] het leven benomen. Hij heeft haar voor de woning van haar buren verschillende malen gestoken of gesneden met een stanley-mes en heeft haar in een wurggreep gehouden. Uiteindelijk is zij ter plekke aan de door verdachte toegebrachte verwondingen overleden.

Aan de partner, de ouders en verdere familie en vrienden van het nog maar 32-jarige slachtoffer, is door deze gewelddadige dood onpeilbaar leed toegebracht. Het verdriet om het verlies van hun dierbare zal hun leven tekenen.

Naast de directe nabestaanden heeft het gebeuren ook op veel buurtbewoners een grote indruk gemaakt. Het drama heeft zich immers voor hun ogen afgespeeld.

Door zijn handelen heeft verdachte blijk gegeven van ernstig gebrek aan respect voor en ten gronde inbreuk gemaakt op het meest fundamentele recht van [slachtoffer], namelijk haar recht te leven.

Doodslag, zoals in het onderhavige geval met feit 1 subsidiair bewezen is verklaard, behoort tot de meest ernstige misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent en is naar zijn aard een misdrijf dat in beginsel oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur rechtvaardigt.

Verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan belediging van agenten en hij heeft zich zo hevig verzet bij zijn aanhouding dat één van de verbalisanten hieraan ernstig (been)letsel heeft overgehouden. Verbalisant [benadeelde 1] is als gevolg van zijn verwondingen gedeeltelijk arbeidsongeschikt geraakt. De gevolgen van het door verdachte toegebrachte letsel maken het voor hem onmogelijk zijn reguliere taken als politieambtenaar in de uitvoerende politiedienst op straat te vervullen. Dat betekent dat voor hem slechts bureaufuncties zijn opengesteld.

Onmiddellijk na het plegen van deze feiten jegens verbalisanten werd verdachte in december 2011 met een psychotisch toestandsbeeld opgenomen bij GGZ Mediant. Hoewel verdachte bij GGZ Mediant werd ingesteld op anti-psychotische medicatie is hij daar op enig moment na zijn ontslag uit GGZ Mediant mee gestopt. Dat leidde vanaf mei 2012 tot een toenemende verslechtering in de geestelijke gezondheid van verdachte, uitmondend in het psychotisch toestandsbeeld waarvan ten tijde van de doodslag van [slachtoffer] in augustus 2012 sprake was. Niettegenstaande zijn gebrek aan ziektebesef is verdachte verantwoordelijk voor zijn keuze om – als gewaarschuwd man - tegen het advies van zijn behandelaars in, zijn medicatie te staken.

Uit de hiervoor onder het kopje ‘strafbaarheid van de verdachte’ genoemde rapportages blijkt dat bij verdachte tijdens het begaan van de bewezenverklaarde feiten een ziekelijke stoornis bestond. De deskundigen Marx en Heerschop concluderen dat verdachte als sterk verminderd toerekeningsvatbaar kan worden beschouwd. Het hof neemt die conclusie over en maakt deze tot de zijne.

Bij het bepalen van de straf en maatregel heeft het hof gelet op de volgende conclusie in het PBC-rapport, zakelijk weergegeven:

Uit het beloop van de afgelopen jaren is duidelijk geworden dat betrokkene zeer snel psychotisch kan ontregelen, in het bijzonder als hij zijn voorgeschreven anti psychotische medicatie niet inneemt. Bij betrokkene ontbreekt ieder ziektebesef. Hij is van mening dat hij geen medicatie nodig heeft. Het is dan ook hoogstwaarschijnlijk dat hij stopt met zijn medicijnen als hij daar enigszins de mogelijkheid toe heeft. Betrokkene is niet gemotiveerd om een behandeling aan te gaan. Zodoende wordt de kans op recidive, buiten een gestructureerde setting, als hoog ingeschat.

De behandeling van schizofrenie is complex en langdurig. De basis voor succesvolle behandeling wordt gevormd door anti psychotische medicatie. Betrokkene dient deze medicijnen langdurig (mogelijk levenslang) te gebruiken. Gezien de oppositionele houding van betrokkene ten aanzien van medicatie en behandeling zal eerst aandacht moeten worden besteed aan psycho-educatie, waarbij te zijner tijd nog andere dan de huidige medicatie kan worden overwogen. Het is dan ook de verwachting dat een behandeling langer dan een jaar gaat duren.

Gelet op de ernst van de stoornis, het gebrekkige ziektebesef, het hoge recidiverisico en de noodzaak tot langdurige behandeling, adviseren wij Uw College met betrekking tot de tenlastegelegde feiten de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege op te leggen.

Ter zitting van de rechtbank van 23 augustus 2013 heeft de heer J. Marx bij deze conclusie gepersisteerd.

Gelet op het bovenstaande zal het hof bevelen dat verdachte ten aanzien van het onder 1 subsidiair en 3 bewezenverklaarde ter beschikking wordt gesteld, nu de bewezenverklaarde feiten misdrijven betreffen waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van meer dan vier jaren is gesteld en de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van die maatregel eist.

Het hof zal daarbij bevelen dat verdachte van overheidswege zal worden verpleegd, omdat, de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen deze verpleging eist.

Het hof overweegt dat de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging wordt opgelegd terzake misdrijven die gericht zijn tegen en gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen, zodat de ter beschikking stelling meer dan vier jaren kan duren.

Daarnaast acht het hof oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier jaar passend en geboden.

Het opleggen van deze onvoorwaardelijke vrijheidsstraf en de maatregel van ter beschikking stelling met dwangverpleging doet naar het oordeel van het hof enerzijds recht aan de ernst van de feiten en houdt anderzijds rekening met de bijzondere en ernstige problematiek van betrokkene.

Het hof ziet geen aanleiding het verzoek van de raadsman te volgen om gebruik te maken van de in artikel 37b lid 2 van het Wetboek van Strafrecht opengestelde mogelijkheid te bepalen dat na ommekomst van 1/3 van de opgelegde gevangenisstraf begonnen zal worden met de tenuitvoerlegging van de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege, nu dat niet in de over verdachte uitgebrachte rapportage wordt aanbevolen en ter terechtzitting daarvoor geen concrete aanknopingspunten naar voren zijn gekomen..

Beslag

Het onder 1 subsidiair tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan met behulp van het hierna te noemen inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp. Het zal aan het verkeer worden onttrokken aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.124. Ter terechtzitting in eerste aanleg is namens de benadeelde partij meegedeeld dat deze akkoord kan gaan met het bedrag dat door de officier van justitie is gevorderd, te weten een bedrag van € 296,- en af te zien van het meer gevorderde. Dit bedrag is bij het vonnis waarvan beroep ook toegewezen.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering moet worden toegewezen.

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Het hof is van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.962,70. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering moet worden toegewezen.

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Het hof is van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij van de erven van [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.445,75. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering moet worden toegewezen.

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Het hof is van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 450,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering moet worden toegewezen.

De raadsman heeft betoogd dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd.

Het hof is van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij heeft niet voldoende concreet aangegeven waaruit het te vergoeden leed bestaat en kan daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.


Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 8.566,13, bestaande uit € 8.500,- aan immateriële schade en € 66,13 aan materiële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering moet worden toegewezen.

De raadsman heeft betoogd dat het weliswaar duidelijk is dat er pijn en letsel is geweest, maar betwist de vordering voor wat betreft de hoogte van de immateriële schade als zijnde onvoldoende onderbouwd. Bij wijze van voorschot kan maximaal een bedrag van € 1.000,- worden toegewezen. De materiële schade is door de verdediging niet betwist.

Het hof is van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 3 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Voor wat betreft de materiële schade van € 66,13 geldt dat dit bedrag in zijn geheel kan worden toegewezen. Voor wat betreft de immateriële schade acht het hof een bedrag van € 5.000,- redelijk en billijk. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36b, 36c, 36f, 37a, 37b, 57, 181, 266, 267 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair, 2 en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat de verdachte ten aanzien van het onder 1 subsidiair en 3 bewezenverklaarde ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Verstaat dat de terbeschikkingstelling met verpleging wordt opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

een stanleymes.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 3] ter zake van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van

€ 296,00 (tweehonderdzesennegentig euro) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 10 augustus 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 3], een bedrag te betalen van € 296,00 (tweehonderdzesennegentig euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 (vijf) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 10 augustus 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 4] ter zake van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.962,70 (duizend negenhonderdtweeënzestig euro en zeventig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 10 augustus 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 4], een bedrag te betalen van € 1.962,70 (duizend negenhonderdtweeënzestig euro en zeventig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 29 (negenentwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 10 augustus 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij de erven van [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij de erven van [slachtoffer] ter zake van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van

€ 1.445,75 (duizend vierhonderdvijfenveertig euro en vijfenzeventig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 10 augustus 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd de erven van [slachtoffer], een bedrag te betalen van € 1.445,75 (duizend vierhonderdvijfenveertig euro en vijfenzeventig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 24 (vierentwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 10 augustus 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 2] in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het onder 3 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 5.066,13 (vijfduizend zesenzestig euro en dertien cent) bestaande uit € 66,13 (zesenzestig euro en dertien cent) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële en immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 9 december 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1], een bedrag te betalen van € 5.066,13 (vijfduizend zesenzestig euro en dertien cent) bestaande uit € 66,13 (zesenzestig euro en dertien cent) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade en immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 9 december 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr J.P. Bordes, voorzitter,

mr P.R. Wery en mr M.C. Fuhler, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr K.J.F. Roelofs-van Dinther, griffier,

en op 22 april 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 Hoge Raad 15 oktober 2013, ECLI:HR:NL:2013:963.

2 Hoge Raad 15 oktober 2013, ECLI:HR:NL:2013:963.