Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:3224

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-04-2014
Datum publicatie
17-04-2014
Zaaknummer
ks 24-002634-12
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:2504, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onderzoek als bedoeld in artikel 8 WVW. Rijden tijdens ongeldigverklaring rijbewijs.

Verdachte heeft zes maal geblazen. Uit de artt. 8, lid 2, en 9 van het Besluit Alcoholonderzoeken blijkt dat maximaal 8 maal geblazen mag worden om resultaat uit een ademonderzoek te verkrijgen. Er is dus niet gehandeld in strijd met genoemd Besluit. Niet gebleken is dat tijdens het ademonderzoek sprake is geweest van een instabiele omgevingstemperatuur, waardoor er geen reden is aan het resultaat ervan te twijfelen. Verdachte heeft voorafgaand aan het ademonderzoek gevraagd om een bloedonderzoek. Daarop bestaat geen recht. Na mededeling van het resultaat van het uiteindelijk uitgevoerde ademonderzoek is niet (opnieuw) gevraagd om een tegenonderzoek/bloedonderzoek. Geen strijd met (de artt. 10 en 10a van) het Besluit Alcoholonderzoeken.

Verdachte heeft een betalingsregeling getroffen voor de EMA-cursuskosten. Op gemeentehuis is hem verteld dat hij geen geldig rijbewijs heeft. Hij had dus redelijkerwijs moeten weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2014/161

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 24-002634-12

Uitspraak d.d.: 17 april 2014

TEGENSPRAAK

Promis

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Leeuwarden van 17 augustus 2012 met parketnummer 17-004665-12 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1967],

wonende te [woonplaats], [adres].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 3 april 2014.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde tot een geldboete van € 950,--, subsidiair 19 dagen hechtenis, en een gevangenisstraf voor de duur van
2 weken. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr. T. van der Goot, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 18 november 2011, te [plaats], in de gemeente [gemeente], als bestuurder van een voertuig, (een personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 500 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

2.
hij op of omstreeks 18 november 2011, te [plaats], in de gemeente [gemeente], terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten alle, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de Hillamaweg, als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs ter zake van feit 1

Ter terechtzitting van het hof heeft de raadsman gesteld dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het hem onder 1 ten laste gelegde: rijden onder invloed. Hiertoe is het volgende aangevoerd.

Allereerst heeft verdachte meerdere keren moeten blazen voordat het ademanalyseapparaat een goede meting met uitslag kon uitvoeren. Dit is in strijd met het bepaalde in artikel 9 van het Besluit Alcoholonderzoeken waarin staat dat het ademonderzoek slechts eenmaal kan worden herhaald. Hierdoor kan niet gesproken worden van een onderzoek in de zin van artikel 8 van de Wegenverkeerswet. Voorts is bij het ademonderzoek door een verbalisant een raam opengezet. Hierdoor is geen sprake geweest van een stabiele omgevingstemperatuur als bedoeld in artikel 4.2.1.1 van bijlage 1 van de Regeling ademanalyse. Nu de ademanalyse niet naar de eisen van voornoemde regeling heeft plaatsgevonden, dient aan het resultaat van de ademanalyse getwijfeld te worden. Tot slot heeft verdachte gesteld dat hij meermalen gevraagd heeft om een bloedproef als tegenonderzoek en dat hij de vereiste betaling hiervoor wilde voldoen. Verdachte is tot beide niet in de gelegenheid gesteld. Aldus kan niet gesproken worden van een onderzoek in de zin van artikel 8 van de Wegenverkeerswet.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Bij de beoordeling van de verweren neemt het hof het proces-verbaal misdrijf van de politie Fryslân d.d. 18 november 2011 en het aanvullend proces-verbaal d.d. 29 mei 2013, beide opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant1] en [verbalisant2], als uitgangspunt. Hieruit blijkt het volgende.

Verdachte heeft, nadat hij in eerste instantie weigerde aan de ademanalyse mee te werken, meerdere keren moeten blazen voordat het ademanalyseapparaat een goede meting met uitslag kon uitvoeren. Dit kwam doordat verdachte een alcohollucht/walm met zich droeg; de omgevingslucht bevatte daardoor teveel alcohol waardoor het apparaat een foutmelding gaf. Hierop heeft verbalisant [verbalisant1] een raam in de ruimte opengezet. Verdachte heeft tussen de blaastesten door op de gang gewacht, zodat er minder of geen alcohollucht van verdachte door het ademanalyseapparaat werd waargenomen. Uiteindelijk heeft dit geleid tot de uitvoering van een goede test.

Aantal keren blazen

Ter terechtzitting van het hof heeft verdachte verklaard dat hij zes keer heeft moeten blazen. Dit aantal is niet strijdig is met hetgeen in het aanvullend proces-verbaal wordt vermeld (ook al wordt daarin geen exact aantal genoemd). Het hof neemt dit aantal als uitgangspunt.

In het door de raadsman aangehaalde Besluit Alcoholonderzoeken worden nadere regels omtrent de wijze van uitvoering van alcoholonderzoeken gegeven. Voor het maximum aantal keren blazen bij een ademonderzoek zijn de artikelen 8, tweede lid, en 9 van dit Besluit van belang.

Artikel 8, tweede lid, luidt: “Op aanwijzing van de opsporingsambtenaar (…) blaast de verdachte, zo nodig viermaal, ononderbroken een zodanige hoeveelheid ademlucht in het ademanalyse-apparaat als voor het onderzoek nodig is. Het blazen kan worden beëindigd, zodra twee meetresultaten verkregen zijn.”

Artikel 9 luidt: “Indien de medewerking van de verdachte niet heeft geleid tot een voltooid ademonderzoek, kan het onderzoek met toepassing van artikel 8 eenmaal worden herhaald.”

Uit het voorgaande blijkt dat één sessie voor het verkrijgen van een voltooid ademonderzoek bestaat uit maximaal viermaal blazen. Indien verdachte hieraan heeft meegewerkt, maar dit niet heeft geleid tot een voltooid ademonderzoek, kan de sessie eenmaal worden herhaald. In totaal zou de verdachte dus maximaal acht keer mogen blazen om een resultaat te verkrijgen.

Verdachte heeft zes maal geblazen. Dit is derhalve – anders dan de verdediging heeft gesteld – niet strijdig met het bepaalde in het Besluit Alcoholonderzoeken.

Stabiele omgevingstemperatuur

De door de raadsman genoemde Regeling ademanalyse is bedoeld om te voorkomen dat tijdens het ademonderzoek de omgevingstemperatuur teveel schommelt, waardoor de onderzoeksresultaten (mogelijk) beïnvloed kunnen worden. Uit de hiervoor weergegeven feitelijke gang van zaken blijkt dat verbalisant [verbalisant1] in verband met de alcohollucht/walm die verdachte met zich droeg tussen de onderzoeken door een raam heeft opengezet en verdachte heeft verzocht op de gang te wachten. Hierdoor heeft de omgevingstemperatuur wellicht tussen de onderzoeken door kunnen verschillen, maar het dossier bevat geen enkele aanwijzing dat deze ook tijdens het ademonderzoek heeft verschild. Er is derhalve geen sprake geweest van een instabiele omgevingstemperatuur. Het hof voelt zich gesterkt in deze conclusie nu uit het resultaat van het ademonderzoek (waarbij de vereiste twee meetresultaten zijn verkregen), blijkt dat dit binnen een zeer korte periode van slechts 4 minuten is verkregen.

Uit het voorgaande vloeit voort dat het hof - anders dan de verdediging - geen reden heeft aan de resultaten van het ademonderzoek te twijfelen.

Bloedonderzoek

Uit de artikelen 10 en 10a van het Besluit Alcoholonderzoeken volgt dat het resultaat van het ademonderzoek aanstonds aan de verdachte dient te worden medegedeeld. Naar aanleiding hiervan kan de verdachte de wens kenbaar maken dat tevens een bloedonderzoek (als tegenonderzoek) wordt verricht. De kosten hiervoor zijn voor rekening van de verdachte.

Uit voornoemd proces-verbaal en aanvullend proces-verbaal blijkt dat verdachte weliswaar gevraagd heeft wat de mogelijkheden waren voor een bloedonderzoek, maar ook dat dit ter sprake is geweest voorafgaand aan het ademonderzoek, meteen nadat hij in eerste instantie de medewerking daartoe had geweigerd. Aan verdachte is toen uitgelegd dat hij na het weigeren van de verplichte ademanalyse geen recht heeft op een bloedonderzoek en dat een bloedonderzoek pas aan de orde komt als de ademanalyse ondanks zijn medewerking niet slaagt. Als verdachte zou twijfelen aan de uitslag van de ademanalyse heeft hij recht op contra-expertise. Op het moment dat het ademonderzoek leidde tot een onderzoeksresultaat, is verdachte dit resultaat aanstonds medegedeeld. Naar aanleiding hiervan heeft verdachte niet (opnieuw) gevraagd om een tegenonderzoek/bloedonderzoek.

Gelet op het voorgaande mist het verweer van de verdediging feitelijke grondslag. Het hof heeft geen aanleiding aan te nemen dat de gang van zaken strijdig is geweest met het bepaalde in het Besluit Alcoholonderzoeken. Er is sprake (geweest) van een onderzoek in de zin van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994.

Conclusie

De verweren van de raadsman worden verworpen. Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs ter zake van feit 2

De raadsman heeft voorts ter terechtzitting van het hof bepleit dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het hem onder 2 ten laste gelegde: het rijden terwijl zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Het wettig bewijs dat verdachte ‘redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs ongeldig was verklaard’ ontbreekt. Dit kan slechts gebaseerd worden op verdachtes eigen verklaring, inhoudende dat hij een week voorafgaand aan de pleegdatum van een gemeenteambtenaar te horen kreeg dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Dit is op grond van artikel 341, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering, niet toegestaan, aldus de verdediging.

Het hof overweegt als volgt.

Anders dan de raadsman, acht het hof het wettig bewijs dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan aanwezig en heeft het ook de overtuiging bekomen. Dit oordeel is gebaseerd op de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen.

Hieruit blijkt tevens dat de problematiek van artikel 341, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering – anders dan is gesteld - niet aan de orde is.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijken (onder meer) de navolgende feiten en omstandigheden.

Verdachtes rijbewijs is bij besluit d.d. 19 mei 2010 met ingang van 26 mei 2010 ongeldig verklaard. Aan verdachte is bij besluit een onderzoek naar zijn geschiktheid opgelegd, van welk onderzoek verdachte de kosten niet of niet op tijd heeft betaald. Verdachte heeft om een betalingsregeling verzocht en deze is hem ook aangeboden. Hij heeft zich daaraan echter niet gehouden. Verdachte heeft daarmee niet de verplichte medewerking aan het onderzoek verleend, reden waarom zijn rijbewijs ongeldig is verklaard.

Ter terechtzitting van het hof heeft verdachte bevestigd met het CBR te hebben gecorrespondeerd omtrent een betalingsregeling voor de kosten van het onderzoek.

Het besluit d.d. 19 mei 2010 is aangetekend aan verdachtes (tot op heden nog juiste) GBA-adres gezonden en is niet retour gekomen naar het CBR.

Op 11 november 2011 is verdachte naar eigen zeggen op het gemeentehuis te Leeuwarden geweest voor het verlengen van zijn rijbewijs. Van de medewerker vernam verdachte dat hij een maatregel op zijn rijbewijs zou hebben, namelijk dat hij een volledig ongeldig rijbewijs heeft.

Op grond van het voorgaande, in onderling verband bezien, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 18 november 2011 redelijkerwijs had moeten weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs ongeldig was verklaard. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel - ook in onderdelen - slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig bewezen en heeft het hof de overtuiging verkregen, dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
hij op 18 november 2011, te [plaats], als bestuurder van een voertuig, een personenauto, dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 500 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

2.
hij op 18 november 2011, te [plaats], terwijl hij redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie was afgegeven, op de weg, de Hillamaweg, als bestuurder een motorrijtuig, personenauto, van die categorie heeft bestuurd.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich op 18 november 2011 schuldig gemaakt aan overtredingen van de Wegenverkeerswet 1994. Verdachte heeft in een personenauto gereden, terwijl hij onder invloed van alcohol verkeerde en terwijl hij redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard.

Door aldus aan het verkeer deel te nemen heeft verdachte niet alleen de verkeersveiligheid, daaronder begrepen de veiligheid van zijn medeweggebruikers, in gevaar gebracht en zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer veronachtzaamd, maar ook een jegens hem van overheidswege getroffen maatregel genegeerd.

Het hof houdt bij de strafoplegging rekening met een verdachte betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 6 maart 2014, waaruit blijkt dat verdachte eerder ter zake van (soortgelijke) strafbare feiten onherroepelijk is veroordeeld, zij het niet recentelijk.

Voorts heeft het hof gelet op hetgeen door en namens verdachte ter terechtzitting omtrent zijn persoonlijke omstandigheden naar voren is gebracht. Zo heeft verdachte verklaard niet meer in het bezit te zijn van een auto en werkzaam te zijn als freelance-journalist. Hierdoor heeft verdachte geen vast maandelijks inkomen. Daarnaast is verdachte mantelzorger voor twee bejaarde mensen.

Bij het bepalen van de strafmaat neemt het hof de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting betreffende rijden onder invloed auto’s en het besturen van een motorrijtuig in geval van een ongeldig verklaard rijbewijs in aanmerking. Ten aanzien van eerstgenoemde strafbare gedraging houden die (onder meer) in dat, wanneer de adem tussen de 436 en 500 microgram alcohol heeft bevat, een geldboete van € 550,-- als uitgangspunt geldt. Ten aanzien van laatstgenoemde strafbare gedraging houden die oriëntatiepunten in dat in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken wordt opgelegd.

Ter terechtzitting van het hof heeft de raadsman aangevoerd dat de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in onderhavige zaak, gelet op de omstandigheden waaronder het feit gepleegd is, het tijdsverloop en verdachtes persoonlijke omstandigheden, niet gerechtvaardigd zou zijn. De raadsman heeft verzocht aan verdachte een taakstraf op te leggen.

Alles afwegend acht het hof de oplegging van een geldboete van € 550,--, subsidiair 11 dagen hechtenis, conform de landelijke oriëntatiepunten, passend. Anders dan de advocaat-generaal en de politierechter, ziet het hof geen aanleiding in onderhavig geval een hogere geldboete op te leggen. Gelet op de aannemelijk geworden – beperkte – financiële draagkracht van verdachte, zal het hof bepalen dat verdachte de geldboete mag voldoen in termijnen.

Daarnaast zal aan verdachte een taakstraf voor de duur van 28 uren, subsidiair 14 dagen hechtenis, worden opgelegd. Het hof zal, anders dan door de advocaat-generaal is gevorderd, in verband met het tijdsverloop (anders dan in de zin van ‘undue delay’) en verdachtes persoonlijke omstandigheden, in onderhavig geval, zoals is verzocht door de verdediging, afzien van de oplegging van een gevangenisstraf.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 22c, 22d, 23, 24, 24a, 24c en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8, 9 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 550,-- (vijfhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 11 (elf) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de geldboete mag worden voldaan in 5 (vijf) opeenvolgende termijnen van

1 maand, elke termijn groot € 110,-- (honderdtien euro).

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 28 (achtentwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 14 (veertien) dagen hechtenis.

Aldus gewezen door

mr. W.P.M. ter Berg, voorzitter,

mr. P. Koolschijn en mr. P.W.J. Sekeris, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. K.J. Reinke, griffier,

en op 17 april 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.