Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:3196

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
15-04-2014
Datum publicatie
18-04-2014
Zaaknummer
D 200.127.260-01
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht; pensioenzaak. In eerste aanleg primair tot pensioenuitkering veroordeeld bedrijfstakpensioenfonds krijgt in hoger beroep gelijk: werknemer viel niet onder de verplichtstellingsbeschikking gedurende de periode waarin hij bij woninginrichtingszaak werkzaam was. Hof komt daarom niet toe aan prejudiciële vraag aan de HR omtrent het verweer “geen premie, geen pensioen”.

Art. 46 lid 2 Pensioenwet en informatieplicht: proceskosten ten laste van bedrijfstakpensioenfonds.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2014-0357
AR 2014/211
PJ 2014/86

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.127.260/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 395036/ CV EXPL 12-2473)

arrest van de eerste kamer van 15 april 2014

in de zaak van

Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Meubelindustrie en Meubileringsbedrijven,

gevestigd te Amsterdam,

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: Bpf Meubel,

advocaat: mr. T.M. van Angeren, kantoorhoudend te Amsterdam,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [geïntimeerde],

niet verschenen.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis van 6 maart 2013 van de rechtbank Noord-Nederland, afdeling privaatrecht, locatie Heerenveen (hierna: de kantonrechter).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 7 mei 2013,

- de memorie van grieven.

2.2

Vervolgens heeft Bpf Meubel de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3

De vordering van Bpf Meubel luidt:

"het vonnis (…) te vernietigen en opnieuw rechtdoende bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, de vorderingen van geïntimeerde, [geïntimeerde], oorspronkelijk eiser, alsnog af te wijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties."

3 De feiten

3.1

Hoewel tegen de door de kantonrechter vastgestelde feiten niet is gegriefd, ziet het hof reden om de tussen Bpf Meubel en [geïntimeerde] vaststaande feiten, mede gelet op de inhoud van de overgelegde en niet betwiste stukken, zelfstandig vast te stellen.

3.2

[geïntimeerde] is van 26 februari 1972 tot 10 oktober 1995 als enig werknemer in dienst geweest bij [werkgever], die een woninginrichtingsbedrijf exploiteerde onder de naam '[naam bedrijf]'. Op 29 maart 1995 heeft [werkgever] aan de toenmalige RDA een ontslagvergunning voor [geïntimeerde] gevraagd in verband met de voorgenomen beëindiging van zijn bedrijf, waarin [geïntimeerde], volgens het verzoek, als stoffeerder werkzaam was. [werkgever] is op 7 oktober 2011 overleden. Kort daarvoor heeft [werkgever] via zijn advocaat, bij brief van 27 september 2011, aan de advocaat van [geïntimeerde] laten weten dat hij niet meer beschikte over zijn bedrijfsadministratie.

3.3

Na 10 oktober 1995 is [geïntimeerde] als stoffeerder gaan werken bij [nieuwe werkgever], totdat hij per 1 maart 2004 met VUT ging en een VUT-uitkering ontving van de Stichting Vervroegd Uittreden Wonen. Voorafgaand aan het dienstverband bij [werkgever] heeft [geïntimeerde] elders voor 42 uur per week als timmerman gewerkt van 18 oktober 1971 tot 24 februari 1972, op welke arbeidsovereenkomst de CAO Bouwbedrijf van toepassing was. Eerder heeft hij als meubelmaker bij [vroegere werkgever] gewerkt.

3.4

Bpf Meubel is, evenals het Pensioenfonds Wonen, een verplicht gesteld bedrijfstak-pensioenfonds in de zin van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 (Wet Bpf 2000) en de daaraan voorafgaande Wet betreffende verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds van 17 maart 1949 (de Wet Bpf).

3.5

Bij beschikking van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Volksgezondheid van 19 januari 1955 is met ingang van 1 februari 1955 deelname aan Bpf Meubel verplicht gesteld voor werknemers werkzaam in de meubelindustrie en meubileringsbedrijven, waaronder is te verstaan:

"ondernemingen en afdelingen van ondernemingen, waarin uitsluitend of in hoofdzaak het bedrijf wordt uitgeoefend van:

a. het vervaardigen of doen vervaardigen of herstellen of doen herstellen van geheel of voor een overwegend deel uit hout bestaande meubelen (…);

b. het vervaardigen, plaatsen of herstellen van binnenbetimmeringen voor gebouwen of schepen, voor zover dit niet geschiedt te zamen met de uitoefening van het aannemers- of scheepsbouwbedrijf;

c. het bekleden of stofferen van meubelen;

d. het bekleden, stofferen of behangen van binnenwanden of vloeren van gebouwen of schepen;

e. het vervaardigen of herstellen van bedden, matrassen en stoelkussens, voor zover deze niet uitsluitend uit metaal of rubber worden vervaardigd;

f. het vervaardigen van doodskisten;

g. het vervaardigen van lijsten voor schilderijen en dergelijke artikelen."

Uitgezonderd is kantoor-, winkel- en tekenkamerpersoneel.

In de samen met de verplichtstellingsbeschikking gepubliceerde statuten van de Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de meubelindustrie en meubileringsbedrijven is de bedrijfsomschrijving niet letterlijk hetzelfde, en is de reeks uitgebreid met:

h. de detailhandel in meubelen en woningtextiel.

Bij beschikking van 24 maart 1958 zijn, met ingang van 1 april 1958, de onder a, d en g gegeven omschrijvingen uitgebreid. Deze uitbreiding is voor het geschil tussen partijen niet van belang. Vanaf januari 1977 is, bij beschikking van 30 november 1976, de uitzondering van kantoor-, winkel- en tekenkamerpersoneel vervallen. Op grond van de beschikking van 16 maart 1988 is kantoor-, tekenkamer- of verkopend personeel weer uitgezonderd, indien zij verplicht deelnemen aan de Stichting Bedrijfspensioenfonds voor hetzij detailhandel in meubelen en woningtextiel, hetzij de Detailhandel.

3.6

De minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid heeft bij beschikking van 29 december 1969 met ingang van 1 januari 1970 deelneming in het Bedrijfspensioenfonds voor de detailhandel in meubelen en woningtextiel (thans Pensioenfonds Wonen, hierna PF Wonen - hof) verplicht gesteld voor -voor zover hier van belang- werknemers die in dienst zijn bij

"een onderneming waarin het bedrijf van het uitsluitend of in hoofdzaak verkopen aan particulieren van meubelen en/of voor woninginrichting bestemde textielgoederen wordt uitgeoefend."

De verplichtstelling geldt niet, voor zover hier van belang, voor werknemers die reeds sinds 28 mei 1968 deelnemer zijn in Bpf Meubel, voor zover en zolang de deelneming voortvloeit uit een bestaande dienstbetrekking bij een onderneming, waarin het vervaardigen van meubelen wordt uitgeoefend.

3.7

Het voorgaande bracht mee dat een detailhandel in meubelen en woningtextiel met ambachtelijk personeel in dienst onder Bpf Meubel kon vallen voor wat dat ambachtelijk personeel betreft, en onder PF Wonen viel voor wat betreft het overige personeel. In de toelichting op het verzoek tot wijziging van de verplichtstellingsbeschikking d.d. februari 1993 is dat als volgt verwoord:

"De achtergrond hiervan is dat het ambachtelijk personeel reeds verzekerd was bij het Bpf Meubelindustrie toen het Bpf Meubeldetailhandel opgericht werd."

Aan deze situatie kwam een einde toen de besturen van Bpf Meubel en PF Wonen, in samenspraak met de betrokken vakorganisaties, overeenkwamen dat ook ambachtelijk personeel, dat in dienst was van ondernemingen die de detailhandel uitoefenden, met ingang van 1 januari 1993 onder PF Wonen zou vallen en genoemd wijzigingsverzoek indienden. De verplichtstellingsbeschikkingen van Bpf Meubel en PF Wonen zijn per 1 januari 1994 aldus aangepast. Vooruitlopend hierop bood Bpf Meubel aan de werkgevers die het aanging de mogelijkheid om met ingang van 1 januari 1993 vrijstelling te verzoeken van de verplichting tot deelneming in Bpf Meubel voor hun ambachtelijk personeel, onder gelijktijdige aansluiting van dit personeel bij PF Wonen.

3.8

[werkgever] heeft zijn boekhouding laten verzorgen door een boekhoudkantoor, waaraan [boekhouder] was verbonden. [boekhouder] heeft, gehoord als getuige in een door [geïntimeerde] geëntameerd voorlopig getuigenverhoor, verklaard dat hij vanaf 1972 totdat een andere afdeling dat in 1984 van hem overnam, de loonadministratie heeft gedaan en tot 1991 ook de BTW-administratie en de algemene controle. Het bedrijf van [werkgever] was aangesloten bij de Detam, en van de Detam kreeg [boekhouder] een lijst met verplichte inhoudingen, waarop volgens [boekhouder] ook pensioenpremies stonden. Van [werkgever] kreeg hij te horen welk netto loon aan [geïntimeerde] betaald moest worden en [boekhouder] bruteerde dat, waarbij hij zich strikt aan de lijst van Detam hield. Loonstroken voor [geïntimeerde] heeft [boekhouder] niet gemaakt.

3.9

[boekhouder] heeft bij brief van 6 mei 2011 aan de advocaat van [geïntimeerde] enkele stukken toegestuurd die hij uit nostalgie had bewaard. Een daarvan is een brief d.d. 23 september 1991 van Detam aan [werkgever], met kenmerk 001.458.17 AVV 30, met een opgave van vermoedelijke brutolonen waarover in 1992 voorlopige premies zullen worden geheven. Daarbij staat:

"voor de Ziektewet/Werkloosheidswet F 47.700

Voor de Ziekenfondswet F 47.700

Voor de arbeidsongeschiktheidsverzekering/WAO F 22.500

BPF DETAILH MEUBEL/WONINGTEXT F 47.700

SF WONINGINR F 47.700

VUT WON.INR. F 47.700"

Ook is bijgevoegd een brief van Detam d.d. 6 januari 1993, gericht 'aan de werkgevers in de Detailhandel in Meubelen en Woningtextiel, die (tevens) ambachtelijk personeel in dienst hebben.' Daarin wordt gewezen op de onder 3.7 bedoelde wijziging van de verplichtstellingsbeschikkingen per 1 januari 1994 en de mogelijkheid daarop met ingang van 1 januari 1993 vooruit te lopen via een aanvraag tot vrijstelling van Bpf Meubel en aansluiting bij PF Wonen, waarvoor gemakshalve een formulier is bijgevoegd. De brief besluit met de opmerking dat niet geheel is uit te sluiten

"dat deze circulaire ook is gestuurd naar werkgevers die momenteel geen ambachtelijk personeel in dienst hebben. In dat geval behoeft uiteraard geen verzoek om vrijstelling te worden ingediend."

[boekhouder] heeft een kopie overgelegd van een dergelijk formulier, waarop de naam- en adresgegevens van [werkgever] alsmede het aansluitnummer van [werkgever] bij Detam reeds machinaal waren ingevuld, en waarop de naam en geboortedatum van [geïntimeerde] met de hand zijn vermeld.

3.10

PF Wonen heeft in eerste aanleg gesteld dat [geïntimeerde] per 1 januari 1993 deelnemer is geworden.

3.11

Op 30 december 2009 is [geïntimeerde] 65 jaar oud geworden. Sindsdien ontvangt hij

ouderdomspensioen van PF Wonen op basis van vanaf 1 januari 1993 bij PF Wonen opgebouwde aanspraken. Tevens ontvangt hij ouderdomspensioen van Bpf Meubel, gebaseerd op 217 weken opgebouwd pensioen bij de onder 3.3 genoemde [vroegere werkgever]

3.12

[geïntimeerde] heeft Bpf Meubel verzocht om hem ook pensioen toe te kennen over de periode 1972 tot 1993 waarin hij bij [werkgever] heeft gewerkt. Bpf Meubel heeft [geïntimeerde] bij brief van 19 november 2009 medegedeeld dat uit haar administratie niet bleek van een dienstverband met [werkgever] en heeft [geïntimeerde] gevraagd aanvullende informatie te verstrekken.

[geïntimeerde] heeft twee pro forma loonspecificaties over kunnen leggen (van respectievelijk

26 maart 1992 en een vakantiegeldberekening over de periode juli 1991 - juni 1992). Op beide is vermeld dat pensioenpremie en een bedrag voor VUT is ingehouden op zijn salaris, en ook is vermeld dat de functie 'stoffeerder' is.

Bpf Meubel bleef bij zijn standpunt.

3.13

[geïntimeerde] heeft zich vervolgens tot de Ombudsman Pensioenen gewend die namens [geïntimeerde] vragen heeft gesteld aan BPF Meubel en PF Wonen.

Bij brief van 15 juni 2010 heeft BPF Meubel de Ombudsman Pensioenen medegedeeld:

"Woninginrichtingsbedrijf Fa [werkgever] is (…) bij het Pensioenfonds Meubel niet bekend. (…) Uit de ons verstrekte gegevens maken we op dat Woninginrichtings-bedrijf Fa. [werkgever] een werkgever is met zowel verkopend als ambachtelijk personeel. De werkgever is echter niet aangesloten geweest bij Pensioenfonds Meubel."

Voorts heeft BPF Meubel bij brief van 9 juli 2010 aan de Ombudsman Pensioenen medegedeeld:

"U vraagt ons aan te geven of de Fa. [werkgever] tot 1 januari 1993 verplicht was zich aan te sluiten bij (…) Pensioenfonds Meubel. (…) Uit de aan ons verstrekte gegevens maken we op dat Fa. [werkgever] een werkgever is met zowel verkopend personeel als ambachtelijk personeel. De Fa [werkgever] was dus tot 1993 verplicht zich bij het pensioenfonds Meubel aan te sluiten en de heer [geïntimeerde] aan te melden.(..)"

PF Wonen schreef op 28 juni 2010 aan de Ombudsman Pensioenen over [geïntimeerde]:

"(…) bij Pensioenfonds Wonen staat hij op de juiste manier geregistreerd. Volgens het pensioenreglement was het ambachtelijk personeel, zoals stoffeerders, tot 1 januari 1993 uitgesloten van deelname. Het ambachtelijk personeel viel onder de verplichtstelling van (Bpf Meubel - hof)".

3.14

Bij brief van 3 februari 2011 heeft BPF Meubel aan [geïntimeerde] medegedeeld dat, gelet op de loonstrook uit 1992, geheel onverplicht en uit coulance is besloten om [geïntimeerde] over de periode van 1 juli 1991 tot en met 30 juni 1992 pensioen toe te kennen. Bpf Meubel schrijft:

"Voor zover wij kunnen achterhalen is de werkgever Fa. [werkgever] (…) niet aangesloten geweest als werkgever bij het Bedrijfspensioenfonds voor de Meubelindustrie en zijn voor de heer [geïntimeerde] geen pensioenrechten bij dit fonds opgebouwd.

Het enige aanknopingspunt dat we ter zake van uw pensioen hebben is een loonstrook uit 1992. Hoewel de pensioenpremie die hierop vermeld staat geen pensioenpremie van BPF Meubel is kunnen we uit de loonstrook opmaken dat u in ieder geval in de periode 1 juli 1991 tot en met 30 juni 1992 als stoffeerder in dienst bent geweest van de Fa. [werkgever]. BPF Meubel heeft daarom geheel onverplicht en uit coulance overwegingen besloten u over deze periode pensioen toe te kennen. (…)

Over de resterende periode (1972 tot juli 1991) beschikken wij, zoals eerder aan de Ombudsman aangegeven, over onvoldoende aanknopingspunten om pensioen aan u toe te kennen."

3.15

Bij e-mailbericht van 18 januari 2012 aan de advocaat van [geïntimeerde] heeft pensioenjurist J. de Graaf namens PF Wonen meegedeeld dat uit de administratie niet is gebleken dat aan PF Wonen vóór 1993 premies voor [geïntimeerde] zijn afgedragen. Uit de onder 3.9 vermelde brief van Detam van 23 september 1991 blijkt volgens PF Wonen niet dat de premie ook werkelijk in rekening is gebracht, laat staan dat deze werkelijk is afgedragen.

4 De vordering en beoordeling in eerste aanleg

4.1

[geïntimeerde] heeft primair Bpf Meubel en subsidiair PF Wonen aangesproken en gevorderd dat fonds te veroordelen tot toekenning van pensioenaanspraken aan hem over het tijdvak van 26 februari 1972 tot en met 31 december 1992, alsmede tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten.

Meer subsidiair heeft [geïntimeerde] de erfgenamen van [werkgever] aangesproken en een verklaring voor recht gevorderd dat zij hoofdelijk gehouden zijn tot vergoeding van de schade, op te maken bij staat, als gevolg van de toerekenbare tekortkoming, althans onrechtmatige daad van [werkgever], bestaande uit het niet aanmelden bij en niet afdragen van premies aan het verplicht gestelde pensioenfonds.

4.2

De kantonrechter heeft de vordering tegen Bpf Meubel toegewezen, na verwerping van een beroep door Bpf Meubel op rechtsverwerking en van het verweer dat [geïntimeerde] niet tot het ambachtelijk personeel behoort dat, tot 1 januari 1994 en behoudens vrijstelling per

1 januari 1993, onder de werkingssfeer van Bpf Meubel zou vallen.

Volgens de kantonrechter blijkt uit de statuten van Bpf Meubel dat een werknemer door de enkele verplichtstelling deelnemer wordt. Uit de parlementaire geschiedenis betreffende de totstandkoming van de Pensioenwet volgt voorts dat het uitgangspunt 'geen premie geen recht' zich niet zonder meer verdraagt met de regeling van verplichtstelling van deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds zoals neergelegd in de Wet Bpf 2000 en de Wet Bpf. De beperking in art. 4 van het pensioenreglement van Bpf Meubel is volgens de kantonrechter in strijd met de wet.

5 De beoordeling van de grieven

5.1

Bpf Meubel heeft vijf grieven voorgedragen waarmee het beoogt zijn geschil met [geïntimeerde] in volle omvang aan het hof voor te leggen. De grieven strekken ertoe dat Bpf Meubel, mede gelet op de toepasselijke materiële wetgeving, geen pensioen behoeft uit te keren over de periode waarin [geïntimeerde] bij [werkgever] werkte.

5.2

Bpf Meubel heeft een en andermaal betwist dat [geïntimeerde] gedurende zijn dienstverband bij [werkgever] als deelnemer bij haar is aangemeld en stelt zich op het standpunt dat [geïntimeerde] niet alleen vanaf 1993, maar ook daarvoor onder PF Wonen zou moeten vallen en niet onder Bpf Meubel.

5.3

Hoewel, zoals de kantonrechter naar het oordeel van het hof terecht heeft overwogen, gelet op de statuten van Bpf Meubel een aanmelding niet constitutief is voor verplicht deelnemerschap in dat bedrijfstakpensioenfonds, dient wel te worden getoetst aan de verplichtstellingsbeschikking of [geïntimeerde] in 1972 (of enige latere datum voor 1 januari 1993) ook zonder aanmelding tot de doelgroep behoorde. Deze verplichtstellingsbeschikking is door [geïntimeerde] in eerste aanleg overgelegd. Bpf Meubel beroept zich op de onder 3.7 beschreven totstandkoming van de wijziging van de verplichtstellingsbeschikkingen van Bpf Meubel en PF Wonen per 1 januari 1994, en grieft tegen de uitleg die de kantonrechter heeft gegeven aan de term "ambachtelijk personeel" die in dat verband is gebruikt en waaronder volgens de kantonrechter een stoffeerder zou vallen. Naar het oordeel van het hof dient bij deze uitleg de onderliggende materiële wetgeving betrokken te worden, dus ook de oorspronkelijke verplichtstellingsbeschikkingen waarvan wijziging werd beoogd, nu de uit te leggen term daarvan niet losgezien kan worden.

5.4

De onderneming van [werkgever] hield zich bezig met de verkoop van meubels en stoffering aan particulieren, alsmede het aanbrengen van de stoffering. Naar het oordeel van het hof is gesteld noch gebleken dat [werkgever] zich in hoofdzaak bezighield met een van de activiteiten, genoemd onder 3.5 sub a tot en met g. [werkgever] zelf hield zich bezig met de verkoop in de winkel (blijkens o.a. de onder 3.2 vermelde aanvraag van een ontslagvergunning voor [geïntimeerde]: bijgestaan door zijn meewerkende echtgenote), en [geïntimeerde] verzorgde als enig personeelslid de stoffering. Daarmee ligt ook niet voor de hand dat het stofferen van woningen de kernactiviteit van de onderneming is geweest. Waarschijnlijker is dat de activiteiten van [werkgever] overeenkomen met de beschrijving van de onderneming die onder PF Wonen valt, zoals weergegeven onder 3.6.

5.5

Gevolg van het voorgaande zou zijn dat [geïntimeerde], volgens de hoofdregel, bij zijn indiensttreding bij [werkgever] in 1972 onder PF Wonen ging vallen. De in de laatste zin van overweging 3.6 weergegeven uitzondering doet zich, naar het zich laat aanzien, niet voor. [geïntimeerde] was immers, zoals in overweging 3.3 is vastgesteld, van 18 oktober 1971 tot 24 februari 1972 als timmerman bij een andere werkgever werkzaam, op welke arbeidsovereenkomst de CAO Bouwbedrijf van toepassing was.

Daarmee ontvalt het belang aan de discussie die partijen in eerste aanleg hebben gevoerd over de vraag of [geïntimeerde] had moeten worden aangemerkt als een ambachtelijk werknemer,

voor wie de onder 3.7 is weergegeven regeling omtrent latere inpassing in PF Wonen in het leven is geroepen, en waaraan Bpf Meubel grief II heeft gewijd.

5.6

De grieven I, III en IV, waarmee Bpf Meubel ook opkomt tegen de verwerping van zijn beroep op rechtsverwerking en zijn beroep op het adagium 'geen premie, geen pensioen' alsmede zijn pensioenreglement, behoeven tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor is overwogen geen nadere bespreking. Dat geldt derhalve ook voor het met de grieven aangevallen oordeel van de kantonrechter dat uit de parlementaire geschiedenis van de Pensioenwet (hierna: Pw) blijkt dat het ook onder de Pensioen- en Spaarfondsenwet niet zou zijn toegestaan om een recht op pensioenopbouw in het verplicht gesteld bedrijfstakpensioenfonds afhankelijk te maken van premiebetaling, ook al heeft de Pensioen- en Verzekeringskamer, destijds toezichthouder, indertijd geen opmerkingen gemaakt over een in die zin gewijzigd pensioenreglement, welke kwestie naar het oordeel van het hof een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad waard zou zijn geweest.

5.7

Voor zover Bpf Meubel met grief V bepleit dat zij niets verschuldigd is aan [geïntimeerde] en dat het vonnis geheel vernietigd moet worden, wijst het hof Bpf Meubel erop, dat -zoals ook de kantonrechter in haar vonnis onder 5.7 heeft overwogen- Bpf Meubel niet terug is gekomen op de vrijwillige toekenning van pensioen aan [geïntimeerde] over de periode van 1 juli 1991 tot en met 30 juni 1992, zodat dit onderdeel van de vordering van [geïntimeerde] voor toewijzing gereed lag. Nu Bpf Meubel daartegen in hoger beroep niet is opgekomen, blijft dat oordeel in stand.

5.8

Het vonnis, waarvan beroep en voor zover tussen partijen gewezen, moet voor het overige vernietigd worden. Het hof is van oordeel dat de proceskosten, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, voor rekening moeten blijven van Bpf Meubel. Dat oordeel baseert het hof op het feit dat deze procedure in belangrijke mate het gevolg is van onjuiste mededelingen van Bpf Meubel omtrent de verplichtstelling, ook aan de door [geïntimeerde] ingeschakelde Ombudsman Pensioenen zoals weergegeven onder 3.13. Ook art. 46 lid 2 Pw verplicht een pensioenuitvoerder tot het op verzoek verstrekken van informatie die specifiek voor de verzoeker relevant is, en dat moet ingevolge art. 48 lid 1 Pw ook in duidelijke en begrijpelijke bewoordingen. Uit deze bepalingen spreekt, naar het oordeel van het hof, een zekere zorgplicht voor de (gewezen) deelnemer.

5.9

De slotsom is dat het tussen partijen gewezen vonnis moet worden vernietigd voor zover Bpf Meubel daarbij is veroordeeld tot het toekennen van pensioenaanspraken over het tijdvak van 26 februari 1972 tot en met 30 juni 1991, en dat het vonnis tussen partijen voor het overige in stand kan blijven. Bpf Meubel wordt veroordeeld in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] te stellen op nihil.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter te Heerenveen van 6 maart 2013, voor zover Bpf Meubel daarbij is veroordeeld tot het toekennen van pensioenaanspraken aan [geïntimeerde] over het tijdvak van 26 februari 1972 tot en met 30 juni 1991;

bekrachtigt dat tussen partijen gewezen vonnis voor het overige;

veroordeelt Bpf Meubel in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] te stellen op nihil;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. J.H. Kuiper, mr. M.E.L Fikkers en mr. H. de Hek en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 15 april 2014.