Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:3192

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
15-04-2014
Datum publicatie
18-04-2014
Zaaknummer
D 200.119.435-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overeenkomst van opdracht. Vordering echter niet door opdrachtnemer pro se ingesteld maar door hem als gemachtigde van zijn vrouw. Los daarvan naar het oordeel van het hof geen schadeplichtige beëindiging van de overeenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.119.435/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 90918/ HA ZA 12-17)

arrest van de tweede kamer van 15 april 2014

in de zaak van

1 [appellant],

wonende te [woonplaats],

hierna: [appellant],

2. [appellante],

wonende te [woonplaats],

hierna: [appellante],

appellanten,

in eerste aanleg: eisers,

hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten],

advocaat: mr. H.A. Koning, kantoorhoudend te Ees,

tegen

1 [geïntimeerde 1] V.O.F.,

gevestigd te [woonplaats],

hierna: [geïntimeerde 1],

2. [geïntimeerde 2],

wonende te [woonplaats],

3. [geïntimeerde 3],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerden,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden],

advocaat: mr. R.W. Lagerwaard, kantoorhoudend te Roden.

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 7 januari 2014 hier over.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Ingevolge het vermelde tussenarrest heeft op 20 januari 2014 een comparitie van partijen plaatsgevonden. Het hiervan opgemaakte proces-verbaal, met aangehecht de wederzijdse pleitnota's, bevindt zich in afschrift bij de stukken.

1.2

Vervolgens zijn de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest en heeft het hof arrest bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1

De feiten

2.1.1

De door de rechtbank in rechtsoverweging 2.1. tot en met 2.6. van het bestreden vonnis weergegeven feiten zijn tussen partijen niet in geschil. Aangevuld met andere gestelde en niet weersproken feiten, gaat het voor zover van belang om het volgende.

2.1.2

[geïntimeerde 1] verhuurt bedrijfsmatig compleet ingerichte tenten op verschillende campings in binnen- en buitenland.

2.1.3

[appellante] heeft een eenmanszaak genaamd [de eenmanszaak]. Als activiteiten worden in het handelsregister vermeld: “Projektmanagement en -realisatie; commerciele dienstverlening; interim sales; marketing try-outs; automatiserings adviesbureau.” [appellant] staat in het handelsregister ingeschreven als volledig gevolmachtigde van deze eenmanszaak.

2.1.4

[appellant] heeft vanaf begin 2009 “interim-werkzaamheden” voor [geïntimeerde 1] verricht, die gericht zijn op het vergroten van haar marktaandeel.

2.1.5

Partijen hebben de overeenkomst op grond waarvan [appellant] die werkzaamheden verrichtte neergelegd in een door hen beiden voor akkoord ondertekend geschrift gedateerd

20 april 2011. Anders dan [appellanten] in hoger beroep ongemotiveerd hebben betwist, kwalificeert dit geschrift als een akte in de zin van artikel 156 lid 1 en lid 3 Rv. In deze akte is onder meer vermeld:

“De samenwerking geldt in principe en onder normale omstandigheden voor een periode van 5 jaar – derhalve tot en met 2015 – waarbij de verwachting is dat de laatste één of twee jaar zullen worden gebruikt als afbouw/overdrachtsperiode.”

2.1.6

In de loop van 2011 heeft [geïntimeerde 1] aan [appellant] gevraagd om een zogenoemde VAR-verklaring, een door de Belastingdienst af te geven Verklaring arbeidsrelatie, die ertoe strekt aan een opdrachtgever zekerheid te verschaffen omtrent het niet verschuldigd zijn van loonbelasting en premies. Door [appellant] is vervolgens een VAR-verklaring op naam van [appellante] aan [geïntimeerde 1] afgegeven. Toen [geïntimeerde 1] dat ontdekte heeft zij zich op het standpunt gesteld dat zij geen contract heeft met [appellante] en heeft zij [appellant] nogmaals om een VAR-verklaring op zijn naam gevraagd. [appellant] heeft geen VAR-verklaring op zijn naam afgegeven.

2.1.7

Op 11 oktober 2011 heeft [geïntimeerde 1] aan [appellant] een brief verzonden waarin is vermeld:

“Op basis van het bovenstaande zie ik geen mogelijkheden meer onze samenwerking te continueren, reden waarom ik de overeenkomst van opdracht met jou opzeg per 1 januari 2012. Ik zal tot deze datum met je afrekenen, hoewel ik per direct geen gebruik meer zal maken van je diensten. De afrekening zal plaatsvinden in januari 2012”.

2.1.8

In een brief van de gemachtigde van DAS als gemachtigde van [geïntimeerde 1] d.d. 7 november 2011 staat onder andere vermeld: “….zal cliënt dan ook in de maand januari 2012 tot betaling en afrekening overgaan….”.

2.2

Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

2.2.1

[appellant] “h.o.d.n. [de eenmanszaak]” heeft [geïntimeerden] gedagvaard en betaling gevorderd van een bedrag van € 162.500,-, vermeerderd met rente en kosten. Voorts heeft hij een tweetal verklaringen voor recht gevorderd en afgifte door [geïntimeerden] van een accountantsverklaring, op straffe van verbeurte van een dwangsom.

2.2.2

Daartoe heeft [appellant] gesteld dat tussen hem en [geïntimeerde 1] sprake was van een overeenkomst, niet zijnde een overeenkomst van opdracht, waarbij hij optrad als gevolmachtigde van de eenmanszaak van zijn vrouw en welke overeenkomst niet tussentijds opzegbaar was, althans niet zonder gehoudenheid tot schadevergoeding. [appellant] stelt voorts bevoegd te zijn als gemachtigde van (de eenmanszaak van) zijn echtgenote in rechte op te treden.

2.2.3

[appellante] heeft zich na toewijzing van een door haar incidenteel ingestelde vordering tot voeging aan de zijde van [appellant] gevoegd.

2.2.4

De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen en [appellanten] veroordeeld in de proceskosten.

2.3

De bespreking van de grieven

2.3.1

De grieven 1 tot en met 5 komen op tegen het oordeel van de rechtbank dat tussen partijen een overeenkomst van opdracht tot stand is gekomen en dat [geïntimeerde 1] bevoegd was die overeenkomst op te zeggen.

2.3.2

De grieven 6 en 7 strekken ten betoge dat de opzegging van de overeenkomst dat [geïntimeerde 1] toerekenbaar is tekortgeschoten door de overeenkomst op te zeggen op de wijze zoals dat is gegaan.

2.3.3

Met grief 8 klagen [appellanten] dat de rechtbank eraan voorbij is gegaan dat zij recht hebben op vergoeding van hun werkzaamheden over 2011.

2.3.4

Aan deze grieven ligt als gezamenlijke stelling ten grondslag dat tussen [geïntimeerde 1] en [appellante] een samenwerkingsovereenkomst, niet zijnde een overeenkomst van opdracht is gesloten, welke overeenkomst door [geïntimeerde 1] niet kon worden beëindigd, althans niet zonder gehoudenheid tot schadevergoeding. Meer in het bijzonder stellen

[appellanten] dat voor [geïntimeerde 1] vanaf het begin duidelijk is geweest dat zij contracteerde met [appellante], die een eenmanszaak voert onder de naam [de eenmanszaak]. [appellant] trad daarbij op als haar vertegenwoordiger. Volgens [appellanten] liet [appellante] de werkzaamheden die uit de overeenkomst voortvloeiden feitelijk door haar man uitvoeren. Om die reden begrijpen [appellanten] niet waarom [geïntimeerde 1] ontstemd was toen haar bleek dat de afgegeven VAR-verklaring op naam van [appellante] stond en niet op die van [appellant]. In lijn hiermee is de onderhavige vordering niet door [appellant] pro se ingesteld, doch in zijn hoedanigheid van gemachtigde van (de eenmanszaak van) [appellante] (zo begrijpt het hof de aanhef van de inleidende dagvaarding in samenhang met het gestelde in de conclusie van repliek sub 24). Dit is ook wat [appellante] heeft aangevoerd in het door haar opgeworpen incident tot voeging (zie onder 1 en 2 van dat stuk).

2.3.5

Door [geïntimeerden] is gemotiveerd betwist dat [geïntimeerde 1] heeft gecontracteerd met [appellante]. Zij hebben betoogd dat [geïntimeerde 1] erop mocht vertrouwen dat zij contracteerde met [appellant]. Weliswaar bediende deze zich van briefpapier met daarop de naam [de eenmanszaak], maar voor [geïntimeerde 1] vormde dat geen aanleiding om eraan te twijfelen dat [appellant] haar contractspartij was. Naar het oordeel van het hof slaagt dit verweer. Niet in geschil is dat alle zakelijke contacten voorafgaand aan en volgende op het sluiten van de overeenkomst uitsluitend hebben plaatsgevonden tussen [appellant] en [geïntimeerde 1]. Verder staat vast dat uitsluitend [appellant] de overeengekomen werkzaamheden heeft verricht. Het enkele feit dat Klop zich bediende van briefpapier van [de eenmanszaak] hoefde daarom voor [geïntimeerde 1] geen reden te zijn om te twijfelen aan de hoedanigheid van haar wederpartij, die immers even zo goed zelf een eenmanszaak onder die naam zou kunnen exploiteren. Een verplichting om (ook indien er geen reden is voor twijfel) altijd het handelsregister te raadplegen, zoals [appellanten] hebben verdedigd, vindt geen steun in het recht. [appellanten] hebben nog aangevoerd dat (ook) in 2009 aan [geïntimeerde 1] een VAR verklaring ten name van [appellante] is afgegeven (inleidende dagvaarding sub 8, onder verwijzing naar prod. 6). [geïntimeerden] hebben dat echter betwist (conclusie van antwoord sub 40) waarna [appellanten] hierop niet meer hebben gereageerd en ook geen (voldoende gespecificeerd en concreet) bewijsaanbod ter zake van deze stelling hebben gedaan, zodat het hof hieraan voorbijgaat.

2.3.6

Het vorenstaande brengt mee dat aan [appellante] hoe dan ook geen vordering uit hoofde van de (beëindiging van de) overeenkomst toekomt en dus ook niet aan [appellant] in hoedanigheid van haar gemachtigde. Dit oordeel kan de bekrachtiging van het beroepen vonnis zelfstandig dragen, nu als gezegd door [appellant] pro se geen vordering is ingesteld. Niettemin zal het hof ingaan op de overige inhoud van de grieven.

2.3.7

Wat betreft de kwalificatie van de overeenkomst zijn de door partijen (juridische leken) in de overeenkomst van 20 april 2011 en andere documenten gebezigde bewoordingen niet van groot belang. Vaststaat dat [appellant] tegen een vooraf overeengekomen beloning, anders dan krachtens een arbeidsovereenkomst, werkzaamheden (anders dan het tot stand brengen van een werk van stoffelijke aard, het bewaren van zaken, het uitgegeven van werken of het (doen) vervoeren van personen of zaken) ten behoeve van [geïntimeerde 1] heeft verricht. Daarmee is voldaan aan alle elementen van een overeenkomst van opdracht (artikel 7:400 BW). Hieraan doet niet af dat de te verrichten werkzaamheden in de overeenkomst van 20 april 2011 niet nauwkeurig worden omschreven, nu partijen op dat moment al langer met elkaar zaken deden en klaarblijkelijk in de praktijk een invulling aan de werkzaamheden van [appellant] was gegeven. Weliswaar blijkt uit de overgelegde producties dat [appellant] een grote mate van zelfstandigheid had bij de invulling van zijn werkzaamheden en dat hij meedacht over beleid en strategieën van [geïntimeerde 1], maar uit niets is het hof gebleken dat daarbij sprake was van enige vorm van gezamenlijk(e) exploitatie of risico of van een gelijkwaardige positie van [appellant] aan die van de vennoten van [geïntimeerde 1]. Als dat laatste de bedoeling was geweest, dan had toetreding tot de v.o.f. ook meer voor de hand gelegen.

De grieven 1 tot en met 5 stranden (ook) hierop.

2.3.8

Nu aldus sprake was van een overeenkomst van opdracht, was [geïntimeerde 1] als opdrachtgever te allen tijde tot opzegging daarvan bevoegd (artikel 7:408 lid 1 BW). Gelet op het feit dat [appellant] hardnekkig is blijven ontkennen dat met hem een overeenkomst is gesloten, hij geen VAR verklaring op zijn eigen naam afgaf en hij in de daarop betrekking hebbende correspondentie zich in scherpe bewoordingen heeft uitgelaten, is te begrijpen dat ieder vertrouwen aan de zijde van [geïntimeerde 1] in zijn persoon is weggevallen. Daarom acht het hof de opzegging mede in het licht van de gekozen opzegtermijn en de overige omstandigheden van het geval niet van dien aard dat [geïntimeerde 1] tekort is geschoten en schadeplichtig is geworden. De grieven 6 en 7 stranden (ook) hierop.

2.3.9

Naar aanleiding van grief 8 overweegt het hof als volgt. Aangezien [geïntimeerde 1] zowel in haar eigen brief van 11 oktober 2011 (prod. 2 bij inleidende dagvaarding) als in die van haar toenmalige gemachtigde DAS d.d. 7 november 2011 (prod. 4 bij inleidende dagvaarding) ongeclausuleerd heeft toegezegd over 2011 te zullen afrekenen (in januari 2012), kan zij daar behoudens niet gestelde bijzondere feiten en omstandigheden niet op terugkomen en is zij tot nakoming van die toezegging gehouden.

Tot vernietiging van de bestreden uitspraak kan dit evenwel niet leiden, gelet op wat onder 2.3.6 is overwogen.

2.4

De slotsom

De grieven kunnen niet tot vernietiging van het bestreden vonnis leiden. Dit vonnis zal dan ook worden bekrachtigd (onder aanvulling van gronden). [appellanten] zullen als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerden] begroot op € 4.961,- aan verschotten en € 5.264,- aan geliquideerd salaris van de advocaat (2 punten in tarief V), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na betekening van dit arrest tot aan de voldoening.

De beslissing

Het gerechtshof, rechtdoende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Assen d.d. 21 november 2012 waarvan beroep;

veroordeelt [appellanten] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die aan de zijde van [geïntimeerden] tot aan deze uitspraak op € 4.961,- aan verschotten en € 5.264,- aan geliquideerd salaris voor de advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na betekening van dit arrest tot aan de dag van voldoening;

verklaart dit arrest ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mr. L. Janse, mr. M.M.A. Wind en mr. I. Tubben en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 15 april 2014.