Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:3191

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
15-04-2014
Datum publicatie
18-04-2014
Zaaknummer
D 200.118.334-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arts stelt door fouten van collega-artsen in een tuchtrechtelijke procedure te zijn beland.

Vraag of dit onrechtmatige daad dan wel handelen in strijd met de maatschapsovereenkomst oplevert.

Hof: gebrek aan hoffelijkheid en miscommunicatie levert in casu geen onrechtmatig handelen of wanprestatie op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GZR-Updates.nl 2014-0116

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.118.334/01

(zaaknummer rechtbank Leeuwarden 370219 \ CV EXPL 11-7901)

arrest van de eerste kamer van 15 april 2014

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. M.R. Gans, kantoorhoudend te Groningen, die ook heeft gepleit,

tegen

1 Stichting Zorgpartners Friesland,

gevestigd te Leeuwarden,

hierna: Zorgpartners,

2. [geïntimeerde 2],

wonende te [woonplaats],

hierna: [geïntimeerde 2],

3. [geïntimeerde 3],

wonende te [woonplaats],

hierna: [geïntimeerde 3],

geïntimeerden,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna gezamenlijk te noemen: Zorgpartners c.s.,

advocaat: mr. A.H. Wijnberg, kantoorhoudend te Groningen, die ook heeft gepleit.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis van 29 juni 2012 van de rechtbank Leeuwarden, sector kanton, locatie Leeuwarden (hierna: de kantonrechter).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 27 september 2012;

- de memorie van grieven tevens houdende akte wijziging van eis d.d. 28 mei 2013;

- de memorie van antwoord tevens houdende antwoordakte d.d. 20 augustus 2013;

- het op 11 maart 2014 gehouden pleidooi waarbij van beide zijden een pleitnotitie is overgelegd.

2.2

Na afloop van het pleidooi heeft het hof arrest bepaald op het pleitdossier.

2.3

De vordering van [appellant] zoals gewijzigd bij memorie van grieven luidt:

(…) het vonnis d.d. 29 juni 2012 (…) te vernietigen, en opnieuw rechtdoende:

a. te verklaren voor recht dat geïntimeerden hoofdelijk aansprakelijk zijn jegens [appellant].

b. geïntimeerden hoofdelijk, des de één betalende tot het beloop dier betaling zal zijn bevrijd, te veroordelen aan [appellant] te betalen een bedrag groot € 22.524,30, vermeerderd met wettelijke rente, voor zover het betreft de betaalde declaraties vanaf de datum van betaling, en wat betreft de overige schadeposten vanaf het moment van dagvaarding tot aan het moment van betaling;

c. met veroordeling van geïntimeerden tot terugbetaling van hetgeen [appellant] uit hoofde van het vonnis van de kantonrechter aan geïntimeerden heeft betaald, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der betaling;

d. met veroordeling van geïntimeerden in de kosten aan de zijde van [appellant] in beide instanties.

Wijziging eis

2.4

Het voorgaande behelst een wijziging van eis. Zorgpartners c.s. hebben geen bezwaar gemaakt tegen deze eiswijziging. Het hof ziet ook geen aanleiding deze eiswijziging ambtshalve buiten beschouwing te laten wegens strijd met de goede procesorde. Ter zake van de vordering van [appellant] zal derhalve recht worden gedaan op de gewijzigde eis.

3 De vaststaande feiten

3.1

Het hof ziet aanleiding de feiten in deze zaak zelf vast te stellen.

Tussen partijen staan de volgende feiten vast als enerzijds gesteld en anderzijds onvoldoende weersproken.

3.2

[appellant] is tot zijn pensionering werkzaam geweest in het Medisch Centrum Leeuwarden (MCL). Het MCL is onderdeel van Zorgpartners (voorheen genaamd Stichting Zorggroep Noorderbreedte).

3.3

[appellant] was sinds de jaren 70 van de twintigste eeuw als KNO-arts werkzaam in een maatschapsverband met [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3].

3.4

In de hier relevante periode bestond een multidisciplinair samenwerkingsverband tussen het MCL en het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG) onder de naam Werkgroep Hoofd/Halsoncologie, verder te noemen het Hoofd/Hals-team. [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] maakten deel uit van het Hoofd/Hals-team, [appellant] niet.

3.5

Tijdens een vakantie van [appellant] in juli 2005 heeft [geïntimeerde 2] een patiënt van [appellant], de heer [patiënt] (hierna: [patiënt]), gezien en daarbij de diagnose (poliepen) gemist.

Begin oktober 2005 is [patiënt] door zijn huisarts verwezen naar [appellant].

[appellant] heeft [patiënt] op 10 oktober 2005 onderzocht en biopten afgenomen.

Op 15 november 2005 heeft [appellant] voor diagnostisch onderzoek onder algehele narcose weefsel bij [patiënt] weggenomen.

3.6

[appellant] heeft bij [patiënt] een adenocarcinoom (een kwaadaardig gezwel) van de neus vastgesteld. Hij heeft op 23 november 2005 met [patiënt] besproken dat het weggenomen weefsel maligniteit vertoonde en dat advies zou worden gevraagd aan het Hoofd/Hals-team. [appellant] heeft verder met [patiënt] afgesproken - op grond van de peroperatieve bevindingen – dat vooralsnog gekozen zou worden voor een afwachtend “watch and scan” beleid. Dit hield in dat op een termijn van acht weken, op 23 januari 2006, een controle zou plaatsvinden. [appellant] heeft tijdens dit spreekuur verder een afspraak voor [patiënt] bij zijn internist in gang gezet.

3.7

[appellant] heeft op 23 november 2005 het patiëntdossier (de status) van [patiënt] overgedragen aan [geïntimeerde 3] met het oog op inbrenging in het Hoofd/Hals-team.

3.8

Het dossier van [patiënt] is in het Hoofd-/Halsteam besproken, alwaar het oordeel was dat er nog een nabehandeling zou moeten plaatsvinden.

3.9

Op 13 december 2005 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [patiënt], [geïntimeerde 2] en de klachtenfunctionaris van het MCL. Aanleiding hiervoor was een door [patiënt] tegen [geïntimeerde 2] ingediende klacht wegens de in juli 2005 gemiste diagnose. Aan het eind van dat gesprek heeft [geïntimeerde 2] opgemerkt dat [patiënt] nog een nabehandeling moest krijgen. [patiënt] bleek daarvan toen niet op de hoogte te zijn en werd daar erg boos over.

3.10

[patiënt] heeft de volgende dag, op 14 december 2005, geprobeerd om [appellant] telefonisch te bereiken. In plaats daarvan heeft [patiënt] telefonisch gesproken met [geïntimeerde 3]. Op 15 december 2005 is [patiënt] bij [geïntimeerde 3] op het spreekuur geweest. [geïntimeerde 3] heeft [patiënt] verzocht om een afspraak te maken voor een MRI-scan op 16 december 2005.

3.11

Omdat uit de MRI-scan bleek dat er mogelijk nog kwaadaardig weefsel aanwezig was, is [patiënt] op 27 december 2005 opnieuw geopereerd.

[appellant] was hierover niet geïnformeerd maar raakte ervan op de hoogte doordat hij [patiënt] rond de dag van de operatie in het ziekenhuis tegen het lijf liep.

3.12

De operatie leverde uiteindelijk geen blijk van achtergebleven kwaadaardig weefsel op.

3.13

Op 17 september 2006 heeft [patiënt] een klacht tegen [geïntimeerde 2] en [appellant] ingediend bij de klachtencommissie van het MCL. In het kader daarvan heeft [appellant] op
16 november 2006 een schriftelijke reactie op de klacht van [patiënt] aan de klachtencommissie gezonden. Deze reactie luidt, voor zover hier van belang:

(…)

23 november 2005:

Polikliniekbezoek MCL teneinde uitslag weefselonderzoek te bespreken. Met enige moeite de patholoog-anatoom aan de telefoon gekregen. Uitslag: adenocarcinoom. De uitslag werd met het echtpaar [patiënt] besproken en uitgelegd dat zowel landelijk als ook in het MCL de oncologische zorg voor patienten met een maligniteit in het hoofd/halsgebied is toebedeeld aan het Hoofd-/Halsteam. Als KNO-arts heeft Dr. [geïntimeerde 3] zitting in dit team. Tijdens het spreekuurbezoek heb ik onmiddellijk collega [geïntimeerde 3] in het gesprek betrokken en patient aan hem overgedragen.

Het Hoofd-/Halsteam is verantwoordelijk voor de verdere beoordeling en behandeling, daarbij ondersteund door 2 gespecialiseerde oncologieverpleegkundigen teneinde onderzoek en behandeling zo goed mogelijk af te stemmen en zorg te dragen voor adequate informatieverstrekking.

Tijdens hetzelfde spreekuurbezoek op 23/11/2005 heb ik telefonisch contact opgenomen met [de internist] [hof: de internist] alwaar patient vanwege buikproblemen reeds bekend was met het verzoek om patient op korte termijn te zien. Centrale vraag op dat moment was of het proces in de neus een uitzaaiing was van een tumor elders in het lichaam, bijvoorbeeld uit de darmen danwel het een primair proces van de neus betrof. Beantwoording van deze vraag was essentiëel voor het verdere beleid.

Na 23/11/2005 heb ik geen betrokkenheid meer met patient gehad.

(…)”.

3.14

Bij beslissing van 14 mei 2007 heeft de commissie de klacht tegen [geïntimeerde 2] gegrond, en die tegen [appellant] ongegrond verklaard.

3.15

[patiënt] heeft vervolgens een klacht tegen (uitsluitend) [appellant] ingediend bij het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Groningen (hierna: het RTG). De klacht van [patiënt] komt er op neer dat [appellant] hem te laat aan [geïntimeerde 3] dan wel het Hoofd-/Halsteam heeft overgedragen en hem informatie heeft onthouden.

3.16

Bij beslissing van 18 november 2008 heeft het RTG de klacht ten aanzien van het klachtonderdeel dat ziet op de communicatie gegrond verklaard, en voor het overige ongegrond verklaard. Kernoverweging aangaande de onzorgvuldig bevonden communicatie was dat [appellant] [patiënt] onvoldoende duidelijk aan [geïntimeerde 3] heeft overgedragen, heeft nagelaten duidelijk te maken wie de regie over het verdere verloop van de behandeling had en dit zowel met [patiënt] als met zijn collega’s niet goed heeft gecommuniceerd.

Aan [appellant] werd geen maatregel opgelegd.

3.17

[appellant] kon zich hier niet mee verenigen en heeft hoger beroep ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (hierna: CTG).

In zijn beslissing van 16 februari 2010 heeft het CTG – voor zover hier van belang – het volgende overwogen:

(…)Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat de arts onder de hiervoor geschetste omstandigheden geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt van het tekortschieten in de communicatie met klager en in het intercollegiale overleg. De arts, die in overleg met [geïntimeerde 3] een expectatief beleid volgde, had ervan uit mogen gaan dat hij door zijn collegae, met wie hij sinds vele jaren in goede verstandhouding en vertrouwen samenwerkte, hem van hun afwijkende bevindingen op de hoogte zouden hebben gesteld, zodat een en ander met klager afgestemd had kunnen worden.

Nu zijn collegae de regie over de behandeling van klager zonder de arts daarover te informeren hebben overgenomen, kan de arts ook niet worden verweten dat hij niet duidelijk over de regievoering heeft gecommuniceerd.

(…)”.

Het CTG heeft de beslissing van het RTG vernietigd en, opnieuw rechtdoende, het oorspronkelijke klachtonderdeel dat ziet op het tekortschieten in de communicatie/regie alsnog afgewezen.

3.18

[appellant] is sinds eind 2008 met pensioen.

4 De vordering en de beoordeling in eerste aanleg

4.1

[appellant] heeft in eerste aanleg - kort weergegeven - de hoofdelijke veroordeling van Zorgpartners c.s. gevorderd tot betaling van € 22.524,30 met rente en proceskosten. Het gevorderde bedrag bestaat uit door [appellant] gemaakte kosten van juridische bijstand ad

€ 11.334,30, overige [appellant] (immateriële [appellant] en inkomensschade) ad € 10.000,- en

€ 1.190,- ter zake van buitengerechtelijke kosten.

4.2

Zorgpartners c.s. hebben verweer gevoerd.

4.3

Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter de vorderingen van [appellant] afgewezen, onder overweging dat - kort gezegd - niet is komen vast te staan dat [geïntimeerde 2] en/of [geïntimeerde 3] onrechtmatig hebben gehandeld, terwijl voorts geen sprake is van causaal verband met de gestelde [appellant]. [appellant] werd in de proceskosten verwezen.

5 De grieven en de beoordeling in hoger beroep

5.1

[appellant] heeft acht grieven tegen het bestreden vonnis geformuleerd.

Grief 1 is gericht tegen de in eerste aanleg vastgestelde feiten. Nu het hof de feiten in het voorgaande zelfstandig heeft vastgesteld, heeft [appellant] bij de behandeling van deze grief niet langer belang. Voor zover grief 5 mede tegen een door de kantonrechter vastgestelde feit is gericht, geldt daarvoor hetzelfde.

Met de grieven 2 tot en met 5 legt [appellant] de vraag of het handelen van [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] jegens hem onrechtmatig is dan wel toerekenbaar tekortschieten oplevert aan het hof voor.

Grief 6 richt zich specifiek tegen de overweging van de kantonrechter aangaande het ontbreken van causaal verband.

Met grief 7 wordt de afgewezen aansprakelijkheid van Zorgpartners voor het handelen van [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] aangevochten.

Grief 8 ten slotte richt zich tegen de veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

5.2

De grieven 2 tot en met 6 lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

Het verwijt dat [appellant] Zorgpartners c.s. maakt, is erin gelegen dat hij door fouten van [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] in een tuchtrechtelijke procedure tegen [patiënt] is beland, hetgeen hem [appellant] heeft berokkend. Dit levert naar [appellant] stelt niet alleen een onrechtmatige daad, maar ook toerekenbaar tekortschieten in de nakoming van de maatschapsovereenkomst op. Het hof stelt vast dat de kantonrechter de kwestie enkel op de eerstgenoemde grondslag heeft afgedaan, en de tweede buiten beschouwing heeft gelaten.

In zoverre slagen de grieven 3 en 4.

Of dit [appellant] kan baten, zal hierna blijken.

5.3

[appellant] stelt zich op het standpunt dat hij ook na 23 november 2005 de hoofdbehandelaar van [patiënt] is gebleven en dat het [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] niet was toegestaan om zich in die relatie te mengen, zoals ze hebben gedaan. [appellant] had naar eigen zeggen slechts om advies aan het Hoofd/Hals-team gevraagd en wachtte daarvoor ook nog eerst de bevindingen van de internist af. Intussen sprak [geïntimeerde 2] echter al met [patiënt] over een vervolgbehandeling en nam [geïntimeerde 3] de behandeling van [patiënt] zonder enig bericht aan [appellant] over. Hiermee hebben zij, zonder dat [appellant] dit kon vermoeden, zijn positie als hoofdbehandelaar ondergraven en hem blootgesteld aan de tuchtklacht van [patiënt]. Door ook nadien geen openheid van zaken te geven hebben zij bovendien veroorzaakt dat [appellant] zich tegen die klacht onvoldoende kon weren, aldus nog steeds [appellant].

5.4

Het hof zal [appellant] in dit standpunt niet volgen.

In de eerste plaats verdraagt het zich niet met zijn eigen brief aan de klachtcommissie van het MCL (hiervoor onder 3.13 geciteerd), waarin hij aangeeft dat hij de behandeling van [patiënt] op 23 november 2005 aan [geïntimeerde 3] heeft overgedragen en daarbij uitdrukkelijk vermeldt dat het Hoofd/Hals-team voor de verdere beoordeling en behandeling verantwoordelijk is.

Bovendien staat het op gespannen voet met hetgeen rondom het “inbrengen” van een patiënt in het Hoofd-Hals/team gebruikelijk is. Volgens Zorgpartners c.s. weet iedere behandelaar die een patiënt bij het Hoofd/Hals-team inbrengt dat bij maligniteit de behandeling wordt overgenomen en voortgezet door het Hoofd/Hals-team. [appellant] heeft weliswaar aangevoerd dat dit laatste niet steeds het geval hoeft te zijn, echter dat dit wel de normale gang van zaken is, wordt door hem erkend. Zijn stelling dat er twee manieren zijn om een patiënt in het Hoofd/Hals-team in te brengen, te weten mèt en zonder overdracht van de behandeling, en dat hij in dit specifieke geval voor de tweede had geopteerd, overtuigt niet. In dat geval valt immers niet te begrijpen waarom hij reeds op 23 november 2005, terwijl het naar zijn zeggen eerst nog wachten was op de bevindingen van de internist, de status aan [geïntimeerde 3] overdroeg. Bovendien had het, indien het inderdaad om een beperkter verzoek dan gebruikelijk ging, in dat geval voor de hand gelegen dat [appellant] het verzoek schriftelijk had gedaan. [geïntimeerde 3] heeft ter zitting van het hof verklaard dat patiënten normaliter via een brief in het Hoofd/Hals-team worden ingebracht, maar dat dat in dit geval mondeling is gegaan. Dat laatste mag gelet op het feit dat [geïntimeerde 3] en [appellant] deel uitmaakten van dezelfde (kleine) maatschap en er tussen hen aldus een nauwe samenwerking bestond, naar 's hofs oordeel niet verbazen. Dat is evenwel anders als het om een van de normale gang van zaken afwijkend verzoek ging, zoals [appellant] wil: in dat geval ligt een schriftelijke weergave wel degelijk voor de hand. Aldus levert ook het gegeven dat [patiënt] langs mondelinge weg werd ingebracht een aanwijzing voor de gebruikelijke overdracht van de behandeling aan het Hoofd/Hals-team op.

Het dient er naar ’s hofs oordeel dan ook voor te worden gehouden dat [appellant] de verdere behandeling van [patiënt] op 23 november 2005 wel degelijk aan het Hoofd/Hals-team uit handen heeft gegeven, althans dat hij in ieder geval op een overname van de regie door het Hoofd/Hals-team bedacht moest zijn.

5.5

In die zin treft zijn verwijt dus geen doel. Het moge zo zijn dat het uit het oogpunt van de collegialiteit en transparantie binnen de maatschap elegant was geweest als [geïntimeerde 3] en/of [geïntimeerde 2] [appellant] over de voortgang had verwittigd, echter gelet op het voorgaande levert het feit dat dit werd nagelaten slechts een gebrek aan hoffelijkheid en geen onrechtmatig handelen jegens [appellant] op. Dat het maatschapscontract de verplichting in zich hield om elkaar ook na een overdracht van een patiënt nog van diens wel en wee op de hoogte te houden, is onvoldoende gesteld of gebleken. Ook in dit opzicht geldt, dat weinig attent gedrag nog geen contractbreuk oplevert.

Nu [appellant] op zijn minst op een overname van de behandeling bedacht moest zijn, had hij [patiënt] daar ook zelf op kunnen wijzen. In dat geval zou misschien zijn voorkomen dat [patiënt] op 13 december 2005 door de mededeling van [geïntimeerde 2] in woede ontstak, hetgeen naar [appellant] stelt de directe aanleiding voor het nemen van de door [patiënt] genomen (klacht- en tuchtrechtelijke) stappen was.

In ieder geval was de klacht van [patiënt] niet ingegeven door het feit dat hij niet wist wie zijn behandelaar was. Dat de uiteindelijk langdurige procedure [appellant] niet zou zijn overkomen (of dat deze voortijdig zou zijn onderbroken) indien [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] openheid van zaken over hun inmenging in de behandeling zouden hebben gegeven, valt reeds daarom niet in te zien.

Overigens heeft [geïntimeerde 2] ten pleidooie onweersproken aangegeven dat hij [appellant] meteen na het gesprek met [patiënt] van 13 december 2005 had gewaarschuwd dat de laatste bijzonder ontstemd was over de gang van zaken, hetgeen [appellant], uitgaande van zijn eigen standpunt dat hij nog altijd de hoofdbehandelaar was, tot onderzoek naar de stand van zaken en vervolgens tot nadere voorlichting aan [patiënt] had kunnen brengen.

Ook in dat opzicht kan het feit dat [patiënt] zijn boosheid in juridische stappen heeft vertaald dus niet zomaar op het conto van [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] worden geschreven.

5.6

Het geheel overziend is hier naar het oordeel van het hof geen sprake geweest van onrechtmatig handelen jegens [appellant] of van het schenden van maatschapsverplichtingen. Het komt het hof voor dat in casu veeleer sprake was van een mêlee van (op het belang van de patiënt gerichte) bemoeienissen, waarbij op verschillende momenten enige miscommunicatie is opgetreden, in de hand gewerkt door het feit dat [patiënt] in een relatief kort tijdbestek eerst door [geïntimeerde 2], vervolgens door [appellant] en ten slotte door [geïntimeerde 3] werd behandeld terwijl ook het gegeven dat [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 2] wèl, en [appellant] geen deel uitmaakten van het Hoofd/Hals-team daarop zijn invloed zal hebben gehad.

Dat de gebeurtenissen rondom de tuchtprocedures voor [appellant] het verdrietige gevolg hebben gehad dat hij na een lange en harmonieuze loopbaan als een teleurgesteld - en voor zijn gevoel aangeschoten - dokter met pensioen is gegaan, lijdt geen twijfel. Echter ook dat levert, hoe reëel dat verdriet ook moge zijn, op zichzelf geen valide grondslag voor zijn vorderingen op.

5.7

Uit het voorgaande volgt dat de grieven 2 tot en met 6 geen doel treffen.

Nu de vordering van [appellant] reeds daarop afstuit, kan grief 7 onbesproken blijven.

Een en ander brengt bovendien mee dat [appellant] in eerste aanleg terecht in de proceskosten werd verwezen, zodat grief 8 faalt.

6 De slotsom

6.1

De slotsom is dat het bestreden vonnis dient te worden bekrachtigd.

6.2

Het hof zal [appellant] als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het hoger beroep veroordelen.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van Zorgpartners c.s. zullen worden vastgesteld op € 666,- aan verschotten en op € 3.474,- voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief (3 punten in tarief III).

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter te Leeuwarden van 29 juni 2012, waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Zorgpartners c.s. vastgesteld op € 3.474,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 666,- voor verschotten;

verklaart dit arrest (voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft) uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. A.M. Koene, mr. M.E.L. Fikkers en mr. R.A. Zuidema en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 15 april 2014.