Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:3181

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
15-04-2014
Datum publicatie
18-04-2014
Zaaknummer
200.105.856-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overeenkomst van opdracht tussen melkveehoudersbedrijf en agrarisch adviesbureau. Zijn de (toenemende) gezondheidsklachten van de koeien terug te voeren op de gegeven voedingsadviezen? Schadeplichtigheid van het adviesbureau wegens meerdere tekortkomingen. Gedeeltelijke (50%) eigen schuld van het melkveehou

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.105.856/01

(zaaknummer rechtbank Zwolle-Lelystad 151688 / HZ ZA 08-1406)

arrest van de tweede kamer van 15 april 2014

in de zaak van

1 VOF Agri-V.A.K.,

gevestigd te Lemelerveld,

hierna: Agri-V.A.K.,

2. [appellant 2],

wonende te [woonplaats],

hierna: [appellant 2], vennoot van Agri-V.A.K.,

3. [appellant 3],

wonende te [woonplaats],

hierna: [appellant 3], vennoot van Agri-V.A.K.,

4. [appellant 4], vennoot van Agri-V.A.K.,

wonende te [woonplaats],

hierna: [appellant 4],

appellanten in het principaal hoger beroep,

geïntimeerden in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna gezamenlijk in enkelvoud aan te duiden als: Agri-V.A.K.,

advocaat: mr. H.J.F. Dullemond, kantoorhoudend te Zwolle,

tegen

1 [geïntimeerde 1],

gevestigd te [woonplaats],
hierna: [de maatschap],

2. [geïntimeerde 2],

wonende te [woonplaats], maat van [de maatschap],

3. [geïntimeerde 2],

wonende te [woonplaats], maat van [de maatschap],

geïntimeerden in het principaal hoger beroep,

appellanten in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eisers,

hierna gezamenlijk in enkelvoud aan te duiden als: [de maatschap],

advocaat: mr. P. Stehouwer, kantoorhoudend te Sneek.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen van 4 februari 2009, 27 januari 2010, 20 oktober 2010, 31 augustus 2011 en 18 januari 2012 van de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Zwolle.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 16 april 2012,

- de memorie van grieven (met producties),

- de memorie van antwoord/ tevens van grieven in incidenteel hoger beroep/ tevens akte houdende vermeerdering van eis (met producties),

- de akte uitlatingen vermeerderingen van eis;

- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep (met producties),

- een akte houdende uitlating producties van [de maatschap];

- een antwoordakte van Agri-V.A.K.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3

De vordering van [de maatschap] in hoger beroep luidt:

"te vernietigen de vonnissen van de rechtbank Zwolle-Lelystad d.d. 4 februari 2009, 27 januari 2010, 20 oktober 2010, 31 augustus 2011 en 18 januari 2012, gewezen tussen [de maatschap] als eiser, Agri-V.A.K. als gedaagde, en opnieuw rechtdoende: geïntimeerde in haar vordering niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar deze te ontzeggen;

geïntimeerde hoofdelijk te veroordelen om aan appellanten te betalen de volgens gebruikelijke tarief te begroten bijdrage in de proceskosten van beide instanties."

2.4

In incidenteel appel heeft Agri-V.A.K. gevorderd:

"Akte vragend van de vermeerdering van eis:

- in het principaal appel en in het incidenteel appel: dat het uw hof behage, om bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, Agri-V.A.K. te veroordelen om aan [de maatschap] te voldoen:

1. een bedrag ad € 28.619,10 (€ 31.799,00 -/- 10% eigen schuld) in hoofdsom te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 22 juni 2008 tot de dag van volledige betaling;

2. een bedrag ad € 1.562,97 wegens redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid;

3. een bedrag ad € 10.835,00 wegens kosten van de deskundige;

4. de proceskosten zowel in eerste aanleg als in appel."

3 De feiten

3.1

De rechtbank heeft in rechtsoverweging 2 (2.1 en 2.2) van het vonnis van 27 januari 2010 een aantal feiten vastgesteld. Nu partijen daartegen geen bezwaar hebben gemaakt, zal het hof ook van deze feiten uitgaan. In deze zaak staat, mede op grond van hetgeen in hoger beroep enerzijds is gesteld en anderzijds niet dan wel onvoldoende is weersproken, het volgende vast.

3.1.1

Agri-V.A.K. is een agrarisch adviesbureau dat zich bezighoudt met de gezondheid en het welzijn van melkveekoeien. Agri-V.A.K. geeft met name adviezen met betrekking tot de voeding en stofwisseling van de koeien.

3.1.2

[de maatschap] heeft een melkveehouderij.

3.1.3

[de maatschap] en Agri-V.A.K. hebben vanaf 2001 samengewerkt. Vanaf 2004 heeft Agri-V.A.K, in de persoon van [appellant 2], aan [de maatschap] het gebruik van zogenaamde V.A.K.-mineralen bij de aan haar koeien te verstrekken voeding geadviseerd. Deze mineralen werden vervaardigd door het bedrijf [X] te Leeuwarden.

3.1.4

In 2006 ontstonden er binnen de veestapel van [de maatschap] problemen met betrekking tot de gezondheid van enkele koeien. In de loop van 2006 verergerden de gezondheidsklachten van de koeien. In november 2006 heeft Agri-V.A.K. naar aanleiding hiervan aan [de maatschap] geadviseerd om (pure) kopersulfaat te gebruiken.

3.1.5

Sommige koeien zijn overleden en sommige dieren zijn ernstig ziek geworden. Veel dieren hebben hun kalf "versmeten", er is sprake geweest van ernstige vruchtbaarheidsproblemen en er kwamen veel klauwproblemen voor.

3.1.6

[de maatschap] heeft vervolgens de Gezondheidsdienst, [dhr. A], ingeschakeld. [dhr. A] schrijft in zijn rapport d.d. 7 september 2007 onder meer het volgende:

"(…)
2. Relatie tussen de gezondheidsproblemen en de overmaat aan mineralen.
In de eerdere besprekingen is van mijn kant aangegeven dat de oorzaak voor de gezondheidsproblemen in 2006 niet volledig kon worden opgehelderd, mede omdat pas in de laatste fase van de problemen onderzoek is uitgevoerd. Wel is door mij aangegeven dat gedurende lange tijd mineralen in overmaat zijn verstrekt. U heeft aangegeven dat de verstrekking plaats vond op advies van uw veevoedingsadviseur. De verstrekking was dusdanig dat stapeling van de mineralen te verwachten viel, bijvoorbeeld de stapeling van koper maar ook van mineralen zoals zink, kobalt en seleen. De overmaat van kobalt en seleen was dusdanig dat de dosering per kilogram rantsoen boven de norm kwam die gesteld wordt aan veilige en volledige diervoeders. De overmaat kon vervolgens worden bevestigd door onderzoek van levers van 3 dieren in de fase dat nog steeds veel mineralen werden verstrekt (december 2006). In de levers waren vooral het koper en zink verhoogd. De gevolgen van de overmaat aan mineralen voor de gezondheid van de dieren is moeilijk exact aan te geven. Wel passen een aantal verschijnselen bij de dieren in het beeld van een chronische koper vergiftiging, zoals een verhoogd drinkwaterverbruik, productiedaling, teveel blijven liggen en sterfte.
Opvallend was verder de waarneming dat een extra kopergift van 8 gram kopersulfaat/dier/dag in de periode van 7 tot 15 december 2006 een zeer slecht effect had op de dieren. Na het stoppen van de extra mineralen herstelden de dieren weer.
3. Extra onderzoek van bewaarde levermonsters. Het extra histologisch onderzoek van het leverweefsel gaf geen aanwijzingen voor "leverpathologie" (zoals leverdegeneratie wat bij kopervergiftiging wordt vastgesteld). Wel werd opnieuw "koperstapeling" vastgesteld.
(…)"

3.1.7

Het rapport van de door de rechtbank in eerste aanleg benoemde deskundige, [deskundige] (hierna: [deskundige]) van Adviesbureau VOER-RAAD, bevat onder meer de volgende passages:
"(…)
1. Indien gedaagde onjuiste aanbevelingen heeft gedaan of en in hoeverre is uit deze onjuiste aanbevelingen schade ontstaan?

Antwoord:
Mijns inziens heeft de fa. AgriVAK op enkele punten onjuiste aanbevelingen gedaan:
1 Het advies om in februari 2006 de dosering VAK-elementen te verhogen van 30 naar 50 gram per koe per dag. In hoeverre dit advies volledig is doorgevoerd (door beide partijen, in advisering resp. uitvoering) is niet helemaal duidelijk (zie vragen 6, 7 en 18).
(…)
2. Het advies om in november 2006 CuSO4 te gaan verstrekken (zie vraag 7).

Daarbij heeft de fa AgriVAK enkele gelegenheden om tijdens de toenemende problemen gedurende 2006 nader onderzoek uit te (laten) voeren dan wel derden bij de oplossing te betrekken niet benut. De diagnostiek is beperkt gebleven tot uiterlijke kenmerken. Gezien de complexiteit van de problemen was nadere diagnostiek geboden. Op grond van de uitslag van een laboratoriumonderzoek was wellicht de dosering VAK-elementen verlaagd en waren de problemen weer afgenomen (zie vragen 11 en 18).
(…)
Gezien het feit dat de gezondheidstoestand van de koeien steeds verder achteruit ging sinds de hogere doseringen VAK-elementen vanaf februari 2006, is verergerd na het toedienen van CuSO4, en dat de situatie weer tot normaal is teruggekeerd na het weglaten van deze supplementen, is het waarschijnlijk dat de schade op zijn minst ten dele veroorzaakt is door een overdosering spoorelementen uit VAK-elementen en CuSO4.
(…)

Anderzijds verwondert het mij dat de andere betrokken partijen (b.v. de [de maatschap] zelf, de dierenarts van het bedrijf) niet gedurende 2006 het idee van het betrekken van derden (b.v. GD) of nader (laboratorium)onderzoek geopperd en uitgevoerd hebben. Daarbij zijn de partijen het erover eens dat de adviezen gegeven zijn ten beste van de veestapel, niet teneinde het bedrijf van de [de maatschap] ten gronde te richten. Mijns inziens gaat het dan ook te ver om de schade geheel de fa. AgriVAK aan te rekenen.
(…)

2. of en in hoeverre is het mogelijk dat de eventuele stapeling van kopersulfaat in de lever van de

koeien te wijten is aan een stofwisselingsstoornis, dan wel andere ziekten bij de koeien van eiser

Antwoord:

Algemeen: kopersulfaat wordt niet in de lever gestapeld, alleen koper zelf; gebonden aan eiwitten.

Koperstapeling in de lever van koeien kan worden onderscheiden in primaire en secundaire Cu-stapeling.

Primaire Cu-stapeling wordt veroorzaakt door een veel te hoge concentratie aan Cu, dan wel door lage concentraties antagonisten in het voer. Antagonisten zijn stoffen die de opname

(absorptie) van Cu uit het maagdarmkanaal verlagen. Voor Nederlands rundvee zijn met name

hoge concentraties aan S en voornamelijk in samenhang met een hoog S-gehalte, hoge

concentraties aan Mo van belang [dat betekent zwavel respectievelijk molybdeen; toevoeging door het hof]. Zwavel kan met Cu neerslaan als kopersulfide (CuS). Daarnaast kan Cu gebonden worden aan S en Mo in de vorm van thiomolybdaten. Koper is uit deze verbindingen zeer slecht tot niet opneembaar voor de koe. Een hoog Mo-gehalte in combinatie met een laag S-gehalte lijkt minder hinderlijk voor de Cu-absorptie. Deze verbindingen worden grotendeels gevormd in de pens, het grootste compartiment van de voormagen van de koe. De absorptie van Cu vindt plaats in de dunne darm. Aangezien het voedsel eerst door de pens gaat en dan pas in de dunne darm aankomt, wordt de Cu-absorptie vanuit de dunne darm verlaagd als er in de pens veel S en Mo vrijkomt. Andere factoren die de Cu-absorptie uit de darm verlagen zijn ijzer (Fe), zink (Zn), cadmium (Cd), calcium (Ca) en lood (Pb). Onder Nederlandse omstandigheden zijn Fe, Zn, Cd, Ca en Pb echter van weinig betekenis.

Bij niet-herkauwende (blank vlees)kalveren is een extreme Cu-stapeling bekend die waarschijnlijk samenhangt met het zeer lage Fe-gehalte in het rantsoen van deze dieren [30]. Al met al is voor Nederlands rundvee eerder een Cu-tekort dan een Cu-stapeling te verwachten.

Een primaire Cu-stapeling is vooral mogelijk bij een zeer hoog gehalte aan opneembaar Cu in het rantsoen, liefst in combinatie met lage S- en Mo-gehalten.

Uit de analyses van levermonsters ingeschreven bij GD d.d. 8 december 2006 blijkt dat twee

geslachte dieren sterk verhoogde Zn-gehalten in de lever hadden (600 resp. 705 bij een normaal

bereik van 150-500 mg/kg DS [dat betekent: droge stof; toevoeging door het hof]), terwijl de koe met 705 mg Zn/kg DS ook een sterk verhoogd Cu-gehalte in de lever had (1540 bij een normaal bereik van 100-600 mg/kg DS) [7]. Ook het seleniumgehalte was bij deze koe verhoogd (3,5 hij een normaal bereik van 0,1-3,0 mg/kg DS).

Het Cu-gehalte in de lever van een geslachte koe ingeschreven bij GD d.d. 20 december 2006 was verhoogd (725 mg Cu/kg DS); de Fe-, Zn-, Co, 5e-, Cd- en Mo-gehalten waren normaal [8].

Uit de analyses van levermonsters ingeschreven bij GD d.d.. 7 februari 2007- dus enkele

maanden na het beëindigen van de verstrekking van VAK-elementen d.d. 16 november 2006 blijkt dat de Zn-gehalten in de lever toen normaal waren, terwijl één van de vijf ingezonden levermonsters een verhoogd Cu-gehalte had (610 bij een normaal bereik van 100-600 mg/kg DS) [6].
Deze monsters, genomen aan het einde van en enige tijd na de beëindiging van de verstrekking

van VAK-elementen, suggereren een stapeling van diverse spoorelementen, die langzamerhand weer terugkeert naar normale waarden.

Commentaar van de fa. AgriVAK [3] 4e alinea bladzijde 2:

“De eerste koe wat onderzoek betreft wordt niet vernoemd, omdat deze geen aanwijzing gaf.”

Commentaar [deskundige] hierop:

Deze koe [36] gaf inderdaad geen aanwijzing richting een overmaat aan spoorelementen. Deze

heb ik niet bewust verzwegen, maar als een toevallig ander ziektegeval beschouwd. Er zijn bij

deze koe zelfs geen onderzoekingen op spoorelementengebied gedaan. Daarom zijn de resultaten

voor de spoorelementenstatus niet relevant. En ook al is er een ander probleem op een bedrijf

gaande, dan nog kan er best eens een koe aan een verbloeding in / verdraaiing van de darm sterven.

Commentaar van de fa. AgriVAK [3], 5e alinea bladzijde 2:

Het Zn-gehalte van de koe ingeschreven bij GD d.d. 20 december 2006 [8] was 100-110 mg/kg DS (2 x onderzocht) en zelfs aan de lage kant. De fa. AgriVAK vindt het vreemd dat deze lage waarde niet, en wel de hoge waarden worden vermeld.

Commentaar [deskundige] hierop:

Voor mij is het voldoende als vermelding dat deze koe een normaal Zn-gehalte in de lever had.

Ik heb niet opzettelijk iets verzwegen, alleen geprobeerd de verslaglegging zo compact mogelijk te houden. De Zn-waarde van deze koe valt royaal binnen de normaalwaarden (zelfs aan de lage

kant, dus) en geeft daarmee geen aanwijzing voor een Zn-stapeling.

Commentaar van de fa. AgriVAK [3], 6 alinea bladzijde 2:

“Deze conclusie (Deze monsters, genomen aan het einde van en enige tijd na de beëindiging van

de verstrekking van VAK-elementen, suggereren een stapeling van diverse spoorelementen, die

langzamerhand weer terugkeert naar normale waarden, AMvdT)) wordt snel getrokken, maar kun

je pas stellen wanneer deze dieren twee keer waren onderzocht.” Ook vindt de fa. AgriVAK het

vreemd dat de hoge Mo-gehalten niet zijn vermeld, terwijl er niets in VAK-elementen zit.

Uiteindelijk is er volgens hen maar één met een te hoog Cu-gehalte (1540 mg/kg DS) en een koe

met een waarde net boven de bovengrens (610 mg/kg DS).

Commentaar [deskundige] hierop:

Inderdaad is het ontbreken van opeenvolgende metingen aan dezelfde dieren een methodologisch

manco. Ten dele was dit echter moeilijk anders te realiseren gezien het feit dat de metingen in

het allerlaatste stadium van de aandoening zijn uitgevoerd. Deze dieren zaten vermoedelijk al in

een terminaal stadium of waren al gedood. Wel is het jammer dat in november of december 2006

geen levermonsters genomen zijn van dieren die later [6] weer onderzocht zijn. Dit had

inderdaad een verloop binnen één dier aan kunnen geven. Toch geeft het totaalbeeld van alle

onderzochte dieren wel een tendens aan.

(…)

6. heeft gedaagde gelet op de omstandigheden van het geval structureel teveel kopersulfaat aanbevolen en zijn hierbij "normen" overschreden, welke aan gedaagde bekend hadden dienen te zijn

Antwoord:
Normen voor de mineralenvoorziening van melkvee zijn weergegeven in internationale en nationale literatuur [25,29,41,45]. De meest recente Nederlandse normen, die in 2006 al gepubliceerd waren [25], geven voor melkgevende koeien een gehalte aan van 11-12 mg Cu/kg DS aan (Tabel 11.2). Voor melkvee wordt een maximum Cu-gehalte van 40 mg/kg DSaangegeven [41]
Uit Tabel 1 blijkt dat de koeien alleen al via VAK-elementen Cu boven de norm verstrekt kregen. Volgens de rantsoenberekening van 14 september 2006 (ik ga ervan uit dat die gold toen op 9 november 2006 werd besloten CuSO4 te verstrekken) werd 1,74 kg VAK-elementen verstrekt aan 57 koeien. Dit is gemiddeld 30,5 gram per koe, waarin 366 mg Cu zat. Gemiddeld werd per koe 20,1 kg DS verstrekt. 366/20,1 = 18,2 mg CU/kg DS. Dit is ongeveer anderhalf keer de Nederlandse norm. De andere voeders hebben ook hun bijdrage aan Cu geleverd, waardoor het feitelijk gehalte nog hoger uit zal komen.
(…)
Bij gebrek aan voldoende gegevens over de andere voeders is het niet mogelijk om exact te berekenen hoe hoog het Cu-gehalte van het totale rantsoen was. Anderzijds is het, gezien de te verwachten gehalten in de andere voeders (b.v. 8,2 mg/kg DS in de kuil 1e snee 2006 [23] die ongeveer 1/3 van het rantsoen uitmaakt) aannemelijk dat het gehalte boven de 20 mg/kg uitgekomen is. De kans op een (langzame) Cu-stapeling in de lever is hierbij aanzienlijk. De grens van 40 mg/kg DS, als bovengenoemd, zal hoogstwaarschijnlijk echter niet overschreden zijn.
(…)

7. of en in hoeverre is het advies van gedaagde om 7 gram kopersulfaat voor te schrijven als een onjuist advies aan te merken gelet op de toentertijd spelende omstandigheden in de stal van eiser
Antwoord:

Zoals aangegeven door [appellant 2] [2] is Cu verstrekt op basis van uiterlijke kenmerken. Dit heeft hij nader omschreven als een koperbril. (…)
De door hem beschreven verschijnselen als zucht (oedeem), volle hakken en dunne mest (met naar zijn inschatting een hoog kaliumgehalte) [2] (onder 4D) kunnen evenwel ook zeer goed door een overmaat aan mineralen en/of spoorelementen veroorzaakt worden (vasthouden van vocht in de weefsels (oedeem) en in het maagdarmkanaal (dunne mest) door osmotische activiteit van mineralen en spoorelementen).
Mijns inziens zou dit al een reden geweest moeten zijn om af te zien van het voorschrijven van extra materialen, welke dan ook. Zeker zonder nader laboratoriumonderzoek.
Het was verder ook niet waarschijnlijk dat na een aanzienlijke suppletie (= aanvulling) van mineralen en spoorelementen via de VAK-elementen gedurende de periode februari-november 2006 er nog een dusdanig Cu-tekort bij de melkgevende koeien zou hebben bestaan dat dit zich zou uiten in een koperbril. (…)
Mijns inziens was het advies om onder de gegeven omstandigheden CuSO4 te gaan voeren dan ook een onjuist advies.
(…)

9. waarop was het mineralenadvies aan [de maatschap] gebaseerd?

Antwoord:

Volgens de fa. AgriVAK [2] is het advies met name op Amerikaanse normen gebaseerd

Sommige van deze normen zijn naar Europese maatstaven wel iets aan de ruime kant, mede

gezien de belasting van het milieu die een royale voorziening met bepaalde spoorelementen (Cu, Zn) met zich meebrengt. Dit geldt b.v. voor de toen aanbevolen Amerikaanse (NRC) Cu-normen voor melkgevende koeien [41]. Hierin is op basis van één Duitse voerproef de toch al hoge aanname van 0,10 mg Cu/kg melk verhoogd tot 0,15 mg/kg melk. De International Dairy Federation [32] komt echter, ook met veel aandacht voor de analytische kant van metingen (het Cu-gehalte van een melkmonster kan in het laboratorium snel stijgen door verontreiniging met Cu-houdend materiaal) tot een waarde van 0,04 mg Cu/kg melk. Ook NIZO food Research in Ede houdt waarden van 0,02-0,05 mg/kg aan. Hier zijn ook de meest recente Nederlandse Cu-normen voor melkvee op gebaseerd [25]. Dit verschil in ingeschatte Cu-gehalten van koeienmelk kan bij een hoogproductieve koe (60 kg melk/dag) een wezenlijke invloed op de ingeschatte Cu-behoefte hebben. Dit neemt niet weg dat met Amerikaanse normen i.h.a. goed te werken valt. Een kritische beoordeling is echter wel gewenst.

Bij de koeien op het bedrijf van [de maatschap] zijn de adviezen voor spoorelementen gebaseerd op

uiterlijke kenmerken, zoals kaalheid, diarree en koperbril [9].
(…)
11. in hoeverre heeft AgriVAK bij toename van de problemen de veehouder voorgesteld om andere instanties bij de problematiek te betrekken?

Antwoord:
De fa. AgriVAK geeft aan: "Agri-V.A.K. heeft helaas geen andere instanties aan veehouder voorgesteld, maar we hebben altijd open gestaan voor personen of instanties van buitenaf (voor zover we nog kans hebben gehad)" [2] Mijns inziens was het gezien de ernst van de bedrijfsproblemen (sterfte, spontaan verwerpen, ernstige vruchtbaarheidsproblemen, veel klauwproblemen) [14] wel beter geweest om direct ook derden (bv. de Gezondheidsdienst voor Dieren) bij de oplossing van dit probleem te betrekken. De kans dat dit probleem een eenvoudig mineralentekort of -overmaat oversteeg was niet denkbeeldig.
(…)

12. of en in hoeverre is het mogelijk dat de geadviseerde hoeveelheden koper aan de koeien van [de maatschap] geen problemen hebben gegeven voor de productie en de gezondheid van de dieren?

Antwoord:
Hierbij verwijs ik ook naar de berekeningen bij de vragen 6 en 18.

Ten eerste zijn de daadwerkelijk opgenomen hoeveelheden Cu door de koeien niet meer exact te achterhalen. Stel dat we hier alleen te maken hadden gehad met een Cu-overdosering, dan zou het probleem zich waarschijnlijk langzamer ontwikkeld hebben en wellicht ook een andere uitingsvorm hebben gehad. Een geleidelijke Cu-stapeling in de lever, dieren met een wat verlaagde voeropname en melkproductie met wellicht bij een enkel dier geelzucht of misschien een haemolytische crisis (zie vraag 17) was dan wellicht het enige geweest wat er van te merken was.

Ten tweede is hier echter het probleem dat er geen sprake is van een "enkelvoudige" overdosering, dus van Cu alleen. De overdosering betreft meerdere spoorelementen tegelijk. Daardoor is het effect ook moeilijker te duiden.

Ten derde is de toediening van CuSO4 zoals in het onderhavige geval zeer gevaarlijk voor de gezondheid van de koeien. Dit had ook zonder verhoogde concentraties van andere spoorelementen snel tot ernstige problemen geleid.
(…)

14. kan er van worden uitgegaan dat AgriVAK op de hoogte is van de relatie tussen de koperbehoefte en de hoeveelheden die zich standaard in krachtvoerbrok en tevens in graskuil bevinden?

Antwoord:

Ja, de fa. AgriVAK kan hiervan zonder meer op hoogte zijn uit openbare bronnen. De koperbehoefte is al jaren bekend (afhankelijk van andere zaken, zie vragen 6 en 15). De hoeveelheden Cu in standaard in krachtvoerbrok zitten zijn globaal bekend [25] (Tabel 2, blz. 214), en in een specifiek geval als het onderhavige bij de mengvoerfabrikant op te vragen. De Cu-, S- en Mo-gehalten in graskuil kunnen het beste via een voeranalyse van het voer op het bedrijf bepaald worden. Doorgaans zijn deze voorhanden, zoals ook voor de belangrijkste ruwvoeders op het onderhavige bedrijf. Mochten deze gegevens niet beschikbaar zijn, dan zijn er altijd gemiddelde waarden in handboeken [39] en op internet te vinden (b.v. [18]), waarmee een redelijk betrouwbare inschatting van de bijdrage van de verschillende voeders aan de totale mineratenvoorziening te maken is.
15. mag van een adviseur die zich presenteert als rundveespecialist worden verwacht dat deze op de hoogte is van de maximale dosering van mineralen, weet wat de gevolg zijn van een te hoge dosering, weet wat de kenmerken hiervan zijn bij koeien, weet wat de dosering van de toevoeging aan het voer derhalve moet zijn?

Antwoord:
Ja. zonder meer. Zoals [appellant 2] zelf al aangeeft [2] (o.a. bij vraag 9 en 10A) houdt AgriVAK zich al jarenlang bezig met normen en de toetsing daarvan. Hierbij zij wel opgemerkt dat een gegeven als “maximale dosering” zoals die in een aantal gevallen in handboeken te vinden is of door instituten wordt aanbevolen vaak maar matig onderbouwd is. De maximale dosering van een individueel mineraal is doorgaans afhankelijk van de voersamenstelling (b.v. interacties met andere mineralen), de leeftijd, de gezondheid en de melkproductie van een dier. Er zijn relatief weinig proeven met een geleide vergiftiging van dieren met mineralen (die liggen natuurlijk ook nogal gevoelig m. b. t. dierwelzijn), zodat veel van dergelijke gegevens over giftigheid van mineralen ontleend zijn aan ongelukken (doseerfouten, moedwillige overdosering, onbedoeld toegang tot verontreinigd voer) of proeven waarbij met grote stappen gewerkt is (b. v. 10, 50, 200, 500 or 1000 mg Cu/kg [33]. Dit laatste is helaas onderzoek met niet-herkauwende kalveren, en dus slecht bruikbaar voor de onderhavige zaak. Hierdoor is vaak wel bekend dat bij zeer hoge gehalten in het voer vergiftiging optreedt, maar niet of vergiftiging ook voorkomt bij iets lagere gehalten. Iets soortgelijks geldt voor de kenmerken van overdosering. Vaak zijn de verschijnselen niet voldoende specifiek. Een verschijnsel als diarree of slechte vruchtbaarheid kan iets met mineralen te maken hebben, maar dit hoeft helemaal niet. Het kan b.v. ook met een bacteriële infectie of erfelijkheid te maken hebben.

Een bijkomend probleem is dat proeven met hoge doseringen mineralen teneinde de tolerantiegrens te bepalen vrijwel altijd met enkelvoudige mineralen c.q. spoorelementen zijn uitgevoerd. In het onderhavige geval is sprake van een verhoging van alle mineralen en

spoorelementen tegelijk [deze zinsnede corrigeert [deskundige] op p. 23 van zijn rapport naar aanleiding van commentaar van [deskundige] als volgt: "… een verhoging van meerdere spoorelementen tegelijk"; toevoeging door het hof]. Dit maakt de verschijnselen moeilijker te duiden.

Richtlijnen voor maximale doseringen en toleranties van rundvee voor mineralen zijn al vele

jaren bekend en in de internationale literatuur gepubliceerd [40,41]. Daarnaast zijn voor de

Nederlandse situatie al vele jaren opeenvolgende versies van de Handleiding voor Mineralenonderzoek bij rundvee in de praktijk gepubliceerd. De meest recente (6e druk), onder de titel “Handleiding Mineralenvoorziening Rundvee, Schapen, Geiten” is in 2005 uitgebracht [25].

(…)

16. Kan een gezonde koe jarenlange koperstapeling aan zonder dat zich hiervan kenmerken openbaren?

Antwoord:

Ja, een zeer lichte vorm van Cu-stapeling kan een volwassen, herkauwende, melkgevende koe in het algemeen gedurende langere tijd aan. Dit is echter wel afhankelijk van de mate van Cu-overmaat. Daarnaast is een koe met een volledig ontwikkelde, functionele pens veel minder gevoelig voor Cu-overmaat dan een niet-herkauwend kalf. De lagere Cu-opname bij

herkauwende koeien wordt met name veroorzaakt door de interacties van Cu met S en Mo (zie onder vraag 2, "primaire Cu-stapeling").

Koperstapeling verloopt in het algemeen symptoomloos, totdat de crisis zich openbaart (zie

vraag 17). In die zin zullen zich waarschijnlijk in de eerste tijd geen kenmerken openbaren. Meestal worden er pas na maanden van Cu-stapeling aspecifieke verschijnselen als minder

eetlust, minder groei, sloomheid, diarree, donker gekleurde urine, bloedarmoede en geelzucht gezien [20].

Tegenwoordig zijn Cu-gehalten in krachtvoeders aan maxima gebonden en is alle aandacht

gericht op het verlagen van de hoeveelheid Cu die landbouwhuisdieren binnen krijgen. Dit met het oog op de milieubelasting die Cu met zich meebrengt [34]. In het algemeen zal hierdoor een Cu-stapeling bij koeien niet snel optreden. Zijn de Cu-gehalten van het rantsoen duidelijk boven de norm, dan zal de periode van Cu-stapeling toch eerder maanden dan jaren beslaan [21]. Bij herkauwende runderen zijn echter geen formules beschikbaar voor het berekenen van de snelheid van Cu-stapeling in relatie tot de Cu-voorziening uit het rantsoen.
(…)

17. had AgriVAK behoren te weten dat een overmaat aan mineralen bij koeien tot dezelfde

symptomen leidt als een tekort?

Antwoord:

Deze vraag is verkeerd gesteld

Ten eerste omdat doorgaans de verschijnselen van overmaat niet dezelfde zijn als die van een tekort.

Ten tweede omdat dit niet in het algemeen van “mineralen” gezegd kan worden, aangezien de verschijnselen van overmaat en tekort per mineraal verschillen.
Aangezien het onderhavige bedrijfsprobleem zich met name toespitst op Cu, kunnen de

verschijnselen van Cu-overmaat en tekort als relevant voorbeeld genomen worden.

Een Cu-tekort kan zich hij koeien in de loop van een aantal maanden uiten in een doffe vacht, een verkleuring van de vacht (zwart wordt een beetje bruin of grijs (rond de ogen, "koperbril"), wit wordt een beetje geel, rood wordt donkergeel), slechte groei van jongvee, verdikte gewrichten, diarree en een slechte vruchtbaarheid [45]

Een Cu-overmaat kan - afhankelijk van de hoeveelheid opgenomen Cu langere tijd (maanden) zonder verschijnselen verlopen. Op een bepaald moment treedt echter een acute

leverbeschadiging op en komt ineens een groot deel van het daarin opgeslagen Cu vrij. Dit

veroorzaakt een haemolytische crisis, d.w.z. een acute aandoening waarbij een groot deel van de rode bloedlichaampjes in de bloedbaan kapot springt. Hierdoor wordt het zuurstoftransport door het bloed ernstig in gevaar gebracht. Deze dieren zijn ineens ernstig ziek, blijven liggen, eten niet meer, geven veel minder melk, hebben gele slijmvliezen (geelzucht, icterus) en plassen rode tot bruine urine. Veelal sterven ze er binnen korte tijd aan [37,44].

Bij zeer hoge dosering van kopersulfaat kan locale irritatie (etsing) van de slijmvliezen van neus en bek optreden [46].

Voor andere mineralen gelden vaak soortgelijke verschillen in verschijnselen bij overmaat en tekort.

Mijns inziens had AgriVAK behoren te weten wat de verschijnselen van overmaat en tekort aan de verschillende mineralen zijn (zeker gezien het feit dat AgriVAK door haar adviezen op mineralengebied bewust in de mineralenhuishouding ingrijpt), maar dus niet dat de

verschijnselen van overmaat en tekort gelijk zijn - want dat zijn ze doorgaans niet.

18. heeft u overigens nog aanvullende opmerkingen die voor de onderhavige kwestie van belang zijn?

Met [appellant 2] [2](onder 18A) ben ik van mening dat de nadruk teveel ligt op de toediening

van CuSO4 in november 2006. Mijns inziens is het probleem ontstaan door de hoge doseringen spoorelementen (via VAK-elementen) sinds februari 2006 [11]. De VAK-elementen zijn kennelijk in wisselende hoeveelheden gebruikt. Tijdens de hoorzitting d.d. 16 april 2010 te Sneek waren partijen het er over eens dat in februari 2006 de dosering VAK-elementen was verhoogd van 30 naar 50 gram per dier per dag. Zoals blijkt uit de rantsoenberekeningen (verstrekt door [geïntimeerde 3], AGRI-V.A.K. WERK Menu Melk d.d. 16 juni, 22 augustus, 1 september en 14 november 2006) is op de drie eerstgenoemde data met ongeveer 30 gram per dier per dag gerekend (kg VAK-elementen onder "MINERALEN GEBRUIK" gedeeld door het aantal koeien achter “prod”, halverwege de bladzijde; 29, 31 en 31 g/ dier/dag) terwijl in november 2006 met 40 g/dier/dag is gerekend (maar deze rantsoenberekening is waarschijnlijk door de [de maatschap] niet meer gebruikt vanwege het verbreken van het contact met de fa. AgriVAK). Deze dieren zouden volgens de rantsoenberekeningen ongeveer 26-27 kg melk/dag moeten kunnen geven.

Gedurende 2006 is het probleem steeds verder verergerd. De toediening van CuS04 in november 2006 heeft daar bovenop nog een extra negatief effect gegeven De problemen verdwenen weer nadat de VAK-elementen uit het rantsoen werden weggelaten [11]

Commentaar [de maatschap] [4]:

Het contact met de fa. AgriVAK is pas verbroken in februari 2007, volgens hen op initiatief van de fa. AgriVAK. De [de maatschap] geeft aan het sinds februari 2006 steeds met 50 gram VAK- elementen per koe per dag gewerkt te hebben.

Commentaar [deskundige] hierop:
In dat geval kunnen de in Tabel 1 opgegeven waarden voor 50 gram per dier per dag gebruikt worden, en wordt de overdosering dus alleen maar sterker.
(…)
VAK-elementen bevatten aan spoorelementen per kg 20000 mg Fe (ijzer), 12000 mg Cu, 27000 Zn, 20000 mg Mn (mangaan), 1500 mg Co (kobalt), 250 mg 1 (jood) en 300 mg Se (selenium)[17].

Naar analogie van het reeds door [dhr. A] (GD, Deventer) opgestelde overzicht hieronder een globale berekening van de mineralenvoorziening van de koeien. De normen zijn ontleend aan de Handleiding Mineralenvoorziening [25].

Tabel 1. Overzicht van gehalten en hoeveelheden spoorelementen in VAK-elementen in

vergelijking met de normen voor voorziening met spoorelementen van melkkoeien.

VAK-elementen Mg/kg

Fe Mn Zn Cu I Co Se

20000 20000 27000 12000 250 1500 300

gram VAK

30
600 600 810 360 7,5 45 9

behoefte melkgevende koe
(20 kg melk/dag) in 150 740 490 227 9,5 1,9 2,72

mg)dag

dekking door VAK alleen (%) 400 81 165 159 79 2368 331

behoefte melkgevende koe
(40 kg melk/dag) in 300 940 763 260 12 2,4 4,2

mg/dag

dekking door VAK alleen (%) 200 64 106 138 63 1875 214

gram VAK
50
1000 1000 1350 600 12,5 75 15

behoefte melkgevende koe (20 kg melk)
in mg/dag 150 740 490 227 9,5 1,9 2,72

dekking door VAK alleen (%) 667 135 276 264 132 3947 551

behoefte melkgevende koe
(40 kg melk) in mg/dag 300 940 763 260 12 2,4 4,2

dekking door VAK alleen (%) 333 106 177 231 104 3125 357

Met name voor kobalt en selenium is de voorziening steeds veel te ruim, zeker gezien het feit dat selenium snel giftig is [25]. Ook Cu en Zn zijn boven de norm gevoerd. Ook hierbij zij opgemerkt dat ook de andere voeders spoorelementen bevatten; de feitelijke voorziening van de koeien is dus nog ruimer.
Gedurende 2006 zijn gelegenheden voor nader onderzoek gemist. Er is teveel gewerkt met

uiterlijke kenmerken, zelfs nadat de verschijnselen op ernstige problemen duidden. De genoemde kaalheid [11] kan b. v. door Zn-tekort veroorzaakt zijn, maar ook door een chronische seleniumovermaat. Bij een onderzoek op Cu-tekort had ook zeker het jongvee betrokken moeten worden, aangezien dit - zeker op een grasbedrijf - vaak de slechtste Cu-voorziening heeft (veel gras, veel S en Mo, weinig Cu, weinig krachtvoer ter compensatie)[25]. Een combinatie van diarree, veel drinken en plassen [11], verlies van eetlust, verwerpen van kalveren en meer doodgeboorten zijn ook verschijnselen van een Zn-vergiftiging. Hiermee is niet gezegd dat dit de meest waarschijnlijke (alternatieve) oorzaken zijn, maar uit niets blijkt dat deze mogelijke ontsporingen op mineralengebied nagetrokken zijn. Laboratoriumonderzoek had hierover ten minste ten dele duidelijkheid kunnen geven.
Naast de genoemde onderzoeken op Cu had een bloedonderzoek wellicht al aangegeven dat er geen sprake was van b.v. een Zn-tekort, aangezien het Zn-gehalte in het bloed snel daalt in een tekortsituatie. Ook de seleniumstatus (te laag èn te hoog) is redelijk goed te beoordelen a.d.h.v. het GSH-Px-gehalte in het bloed. Naast een rantsoenberekening zouden speeksel- en urinemonsters een goede indicatie van de kalium- en magnesiumstatus van de koeien hebben kunnen geven [25].

4 Het geschil en de beoordeling in eerste aanleg

4.1

[de maatschap] heeft in eerste aanleg gevorderd, samengevat, Agri-V.A.K. hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan haar van een bedrag van € 43.100,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 juni 2008.

4.2

De rechtbank heeft de schadevordering van [de maatschap] toegewezen tot een bedrag van € 16.988,30. Tot dit oordeel is de rechtbank, kort weergegeven, als volgt gekomen:
- op basis van het rapport van [deskundige] heeft de rechtbank geoordeeld dat Agri-V.A.K. niet heeft voldaan aan het criterium van een redelijk handelend en redelijk bekwaam opdrachtnemer (rechtsoverweging 2.5 van het tussenvonnis d.d. 20 oktober 2010);
- vervolgens heeft de rechtbank op basis van de zogenaamde "omkeringsregel" geoordeeld dat sprake is van causaal verband in de zin van "conditio sine qua non"-verband tussen deze normschending en de door [de maatschap] geleden schade, behoudens door Agri-V.A.K. te leveren tegenbewijs (rechtsoverwegingen 2.8 en 2.9 van het tussenvonnis van 20 oktober 2010);
- naar aanleiding van de mondelinge verklaring van [deskundige] en de akte houdende tegenbewijs van Agri-V.A.K. heeft de rechtbank in haar eindvonnis (1) het tegenbewijs niet geleverd geacht en (2) een mate van 20% "eigen schuld" in de zin van artikel 6:101 BW aan de zijde van [de maatschap] aanwezig geacht;
- de totale schade heeft de rechtbank schattenderwijs vastgesteld op een bedrag van € 21.235,37. De vennootschap onder firma Agri-V.A.K. en haar vennoten zijn hoofdelijk veroordeeld tot betaling van 80% van dat bedrag, derhalve € 16.988,30, vermeerderd met rente en proceskosten en de helft van de kosten van de deskundige.

5 Met betrekking tot de vermeerdering van eis

5.1

[de maatschap] heeft haar eis in het incidenteel appel (grief I in het incidenteel appel) vermeerderd met een bedrag van € 1.562,97 ter zake van redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid. Agri-V.A.K. heeft zich ten aanzien van deze eisvermeerdering gerefereerd aan het oordeel van het hof.

5.2

Nu Agri-V.A.K. geen bezwaar heeft gemaakt tegen de eiswijziging, en het hof ook ambtshalve geen strijd met de eisen van een goede procesorde aanwezig acht, zal het hof recht doen op de gewijzigde eis.

6 Met betrekking tot de grieven in het principaal appel

6.1

Grief 1 houdt in dat de rechtbank in haar vonnis d.d. 20 oktober 2010 ten onrechte het verweer van Agri-V.A.K. heeft verworpen dat zij, kort gezegd, niet gelijkgesteld kan worden aan een veearts, zodat haar geen verwijt kan worden gemaakt.
Agri-V.A.K. stelt in dit verband dat zij te vergelijken valt met een diëtist met zekere homeopathische kenmerken. De door Agri-V.A.K. toegepaste diagnostiek op basis van uiterlijke kenmerken, is de aan [de maatschap] bekende en door haar geaccepteerde werkwijze van Agri-V.A.K.

6.2

Grief 2 houdt in dat de rechtbank in haar vonnis van 20 oktober 2010 ten onrechte heeft overwogen dat in deze sprake is van een normschending.
Volgens Agri-V.A.K. laat de rechtbank na om dit te motiveren en volstaat zij met een verwijzing naar het deskundigenrapport.
Ten aanzien van het advies van februari 2006 is de rechtbank er ten onrechte van uitgegaan dat Agri-V.A.K. heeft geadviseerd de dosering van 30 naar 50 gram V.A.K.-elementen per koe per dag te verhogen. De deskundige heeft in de uiteindelijke versie van zijn rapport geschreven dat er steeds gerekend is met ongeveer 30 gram. Ten aanzien van deze dosering heeft de deskundige geoordeeld dat geen sprake is van overschrijding van de maximaal toegestane hoeveelheid van 40 mg koper per kilogram droge stof (pagina 15 van het rapport).

Voorts betoogt Agri-V.A.K. dat de (lage) Nederlandse norm voor kopervoorziening niet strekt tot het voorkomen van gevaar voor de koeien, maar strekt ter bescherming van de bodem. De Amerikaanse normen liggen veel hoger.

6.3

Ten aanzien van het advies van november 2006 betwist Agri-V.A.K. niet dat daarmee vorenbedoelde maximale norm is overschreden. Wél betwist zij dat sprake is van causaal verband (in de zin van conditio sine qua non-verband) met de geleden schade. Agri-V.A.K. stelt bovendien dat zij [de maatschap] expliciet op de risico's van dit paardenmiddel heeft gewezen en dat [de maatschap] deze risico's derhalve heeft aanvaard.

6.4

Grief 3 houdt in dat de rechtbank in haar vonnis d.d. 20 oktober 2010 ten onrechte de omkeringsregel heeft toegepast.

6.5

Grief 4 houdt in dat de rechtbank in haar vonnis d.d. 18 januari 2012 ten onrechte heeft geoordeeld dat Agri-V.A.K. het aan haar opgedragen tegenbewijs niet heeft bijgebracht.

6.6

Grief 5 houdt in dat de rechtbank in haar vonnis van 18 januari 2012 ten onrechte heeft geoordeeld dat Agri-V.A.K. een schadebedrag van € 16.988,30 dient te voldoen. In dit verband doet Agri-V.A.K. een beroep op een grotere mate van eigen schuld aan de zijde van [de maatschap] dan door de rechtbank is aangenomen.

6.7

Het hof zal in het onderstaande op deze grieven ingaan.



De gestelde normschendingen en de gevolgen daarvan

de maatstaf voor het handelen van Agri-V.A.K.

6.8

Of Agri-V.A.K. jegens [de maatschap] aansprakelijk is uit hoofde van een aan haar toerekenbare tekortkoming, is afhankelijk van het antwoord op de vraag of zij bij haar werkzaamheden de zorg van een goed opdrachtnemer in acht heeft genomen (artikel 7:401 BW). Het criterium aan de hand waarvan deze vraag dient te worden beantwoord, is of Agri-V.A.K. heeft gehandeld zoals een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot te werk zou zijn gegaan. Daarbij spelen onder meer de in de Handleiding Mineralenvoorziening Rundvee, Schapen, Geiten vastgestelde "normen" voor mineralen en spoorelementen voor koeien een rol. Het hof begrijpt dat het hier gaat om normen in de zin van vastgestelde "behoeften" aan mineralen en spoorelementen.

6.9

Bij de beoordeling van de vraag of Agri-V.A.K. is tekortgeschoten in de nakoming van vorenbedoelde zorgplicht, zal het hof zich in beginsel - evenals de rechtbank - baseren op het deskundigenrapport van [deskundige], aangezien het hof de bevindingen van de deskundige voldoende gemotiveerd en overtuigend acht.

6.10

Agri-V.A.K. stelt terecht dat haar werkwijze - naar aan [de maatschap] bekend was - is gebaseerd op "kijken naar koeien", en dat van haar derhalve niet hetzelfde mag worden verwacht als bijvoorbeeld van een veearts (grief 1). Het hof is echter, mede op basis van het deskundigenrapport, van oordeel dat Agri-V.A.K., die zich afficheert als specialist op het gebied van voeding voor koeien, in het bijzonder op het terrein van mineralen en spoorelementen (productie 1 bij de memorie van grieven), op de hoogte had kunnen en behoren te zijn van de in Nederland geldende normen voor mineralen en spoorelementen, alsmede van de uiterlijke verschijnselen en klachten van zowel een tekort als een overschot aan mineralen en spoorelementen, gegeven de risico's van overdosering, waar zij ook van op de hoogte dient te zijn. In het licht hiervan heeft de deskundige de adviezen van Agri-V.A.K. beoordeeld. Het hof zal op basis van de bevindingen van de deskundige beoordelen of Agri-V.A.K. is tekortgeschoten in haar zorgplicht.

6.11

De deskundige is in zijn rapport tot de conclusie gekomen dat Agri-V.A.K. aan [de maatschap] op twee punten onjuiste adviezen heeft gegeven:

1) door in februari 2006 te adviseren om de hoeveelheid VAK-elementen te verhogen van 30 naar 50 gram per koe per dag;
2) door begin november 2006 een tijdelijke toevoeging van kopersulfaat te adviseren.
Daarbij geeft de deskundige aan dat, gelet op de toenemende ernst van de gezondheidsklachten van de koeien sinds de zomer van 2006, Agri-V.A.K. dit laatste niet had mogen adviseren zonder eerst bloedonderzoek te (laten) verrichten. De klachten konden immers eveneens voortvloeien uit een overmaat aan mineralen en spoorelementen, hetgeen aan Agri-V.A.K. bekend had kunnen zijn. Bovendien was een mineralen-/kopertekort op dat moment niet (meer) aannemelijk. "Kijken naar de koe", de gebruikelijke werkwijze van Agri-V.A.K., was op dat moment dus niet meer voldoende en zelfs gevaarlijk.

het advies in februari 2006: tekortkoming?

6.12

De rechtbank heeft haar oordeel mede gebaseerd op de conclusie van de deskundige dat het advies om de hoeveelheid VAK-elementen te verhogen van 30 naar 50 gram per koe per dag onjuist was (zie het vonnis d.d. 20 oktober 2010 onder 2.4 en 2.5).
Ten aanzien van dit advies is echter tussen partijen in geschil, zoals ook de deskundige in zijn rapport heeft onderkend, of inderdaad 50 gram is geadviseerd (stelling [de maatschap]) of 39 gram (stelling Agri-V.A.K.). Bovendien schrijft de deskundige in zijn antwoord op vraag 1 dat onduidelijk is in hoeverre dit advies volledig is doorgevoerd. Uit de voorliggende rantsoenberekeningen leidt hij af dat nooit met 50 gram per koe per dag is gerekend, maar altijd met lagere doseringen. In zijn antwoord op vraag 18 geeft de deskundige aan dat uit de rantsoenberekeningen d.d. 16 juni, 22 augustus en 1 september 2006 blijkt dat met ongeveer 30 gram per dier per dag is gerekend. Uit de rantsoenberekening d.d. 14 november 2006 blijkt dat met 40 gram per dier per dag is gerekend, maar niet duidelijk is of deze rantsoenberekening nog door [de maatschap] is gebruikt vanwege het verbreken van het contact met Agri-V.A.K., aldus de deskundige.

6.13

Gelet op de bevinding van de deskundige dat nooit met 50 gram per koe per dag is gerekend, maar altijd met lagere doseringen, is het hof van oordeel dat de conclusie van de deskundige dat het advies om de hoeveelheid VAK-elementen op te hogen naar 50 gram per koe per dag onjuist was, voor de beoordeling van het onderhavige geschil geen betekenis heeft. In zoverre berust het vonnis van de rechtbank op een verkeerd uitgangspunt.


het advies van november 2006: tekortkoming?

6.14

Zoals hiervoor overwogen, is het advies van Agri-V.A.K. van begin november 2006 om tijdelijk kopersulfaat toe te voegen volgens de deskundige onjuist geweest, en heeft de toevoeging van kopersulfaat bovenop de reeds aanwezige koperstapeling een extra negatief effect gegeven. Een en ander is door Agri-V.A.K. onvoldoende gemotiveerd bestreden, zodat het hof hiervan zal uitgaan.

6.15

Het hof overweegt als volgt.
Ten aanzien van dit advies betwist Agri-V.A.K. niet dat het heeft geleid tot een overschrijding van de maximale dosis van 40 mg Cu per kilogram droge stof. Wél stelt zij dat zij [de maatschap] erop heeft gewezen dat het hier ging om een "paardenmiddel", en dat [de maatschap] de risico's daarvan heeft aanvaard (grief 2). Deze - door [de maatschap] betwiste - stellingen spelen mogelijk een rol bij de eigen-schuldvraag (artikel 6:101 BW), doch nemen naar het oordeel van het hof niet weg dat het geven van dit advies in de gegeven omstandigheden, zonder eerst (bloed- en/of lever)onderzoek te laten verrichten en/of een dierenarts of andere instantie te raadplegen een tekortkoming van Agri-V.A.K. oplevert.


het advies van november 2006: conditio sine qua non-verband?

Agri-V.A.K. betwist dat er conditio sine qua non-verband bestaat tussen het advies van november 2006 en de door [de maatschap] geleden schade (grief 2). Zij betoogt dat reeds vóór dit advies koeien zijn afgevoerd, zodat het advies van november 2006 niet de oorzaak van de schade kan zijn geweest. Voorts betwist zij dat als gevolg van dit advies sprake is geweest van een verergering van de klachten.

6.16

Het hof overweegt als volgt.
Het spreekt voor zich dat het advies van november 2006 niet de oorzaak kan zijn geweest van de reeds voordien ontstane gezondheidsklachten van de koeien. Het hof neemt op basis van het deskundigenrappor wél aan dat het advies van november 2006 heeft bijgedragen aan een verergering van de klachten, althans dat het deze klachten niet heeft verholpen. Het bezwaar van Agri-V.A.K. tegen deze zienswijze van de deskundige is onvoldoende gemotiveerd. De stelling van Agri-V.A.K. dat uit het e-mailbericht van [de maatschap] d.d. 21 november 2006 blijkt dat het op dat moment al weer beter ging met de koeien, is daartoe ontoereikend. In hetzelfde e-mailbericht staat immers dat het kopersulfaat geen verbetering gaf.


tussentijdse conclusie

6.17

Uit het voorgaande volgt dat het oordeel van de rechtbank onjuist is (1) voor zover het is gebaseerd op het oordeel van de deskundige dat het advies van Agri-V.A.K. in februari 2006 om de dosis VAK-elementen tijdelijk te verhogen van 30 naar 50 gram per koe per dag onjuist is geweest, en (2) voor zover de rechtbank (mede) op basis van dit oordeel heeft geconcludeerd tot het bestaan van conditio sine qua non-verband tussen de onjuiste advisering door Agri-V.A.K., zowel in februari als in november 2006, en de door [de maatschap] geleden schade, ook voor zover deze reeds vóór november 2006 is ingetreden. Grief 2 treft in zoverre doel, en zal voor het overige hierna worden behandeld.


Nieuwe grondslag

de devolutieve werking van het hoger beroep

6.18

In verband met de devolutieve werking van het appel dient het hof in te gaan op de overige stellingen die [de maatschap] in eerste aanleg aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd. Naar aanleiding van het deskundigenrapport heeft [de maatschap] in haar conclusie na deskundigenbericht de volgende grondslagen aan haar vordering toegevoegd:

"(3) Agri-V.A.K. c.s. hebben enkele gelegenheden om tijdens de toenemende problemen gedurende 2006 nader onderzoek uit te (laten) voeren dan wel derden bij de oplossing te betrekken, niet benut;
(4) de door Agri-V.A.K. uitgevoerde diagnoses zijn beperkt gebleven tot slechts uiterlijke diagnoses."

Deze grondslagen spitsen zich toe op de vraag of Agri-V.A.K. in de zomer van 2006 had moeten ingrijpen.


niet ingrijpen in zomer 2006: tekortkoming?

6.19

Het hof leidt uit het deskundigenrapport (zie onder 3.1.7) het volgende af:
- uitgaande van 30 gram VAK-elementen per koe per dag is ongeveer anderhalf keer de Nederlandse "norm" (in de zin van de normale behoefte van een koe), neergelegd in de Handleiding Mineralenvoorziening Rundvee, Schapen, Geiten 2005, aan koper verstrekt. De deskundige schat dat, tezamen met de andere voeders, het gehalte aan koper in het rantsoen boven de 20 mg/kg DS is uitgekomen, doch dat het maximum aan koper van 40 mg/kg DS niet is overschreden. De hoeveelheid koper overstijgt echter zodanig de normale behoefte van een koe, dat de kans op een (langzame) Cu-stapeling aanzienlijk is.
- de problemen zijn niet alleen ontstaan doordat in de periode vanaf februari 2006 sprake was van een overschrijding van de dagelijkse behoefte van een koe aan koper, maar doordat sprake was van een "overdosering" van meerdere spoorelementen tegelijk (met name kobalt, selenium, koper en zink). Deze meervoudige "overdosering" doet zich reeds voor bij een verstrekking van 30 gram VAK-elementen per koe per dag (zie het antwoord van de deskundige op vraag 18 van de rechtbank, pagina 25-27 van zijn rapport).
- de deskundige acht het waarschijnlijk dat de gezondheidsklachten van de koeien "op zijn minst ten dele" zijn veroorzaakt door de "overdosering" van meerdere spoorelementen tegelijk (zie zijn antwoord op vraag 1). Aangezien het gaat om meerdere spoorelementen, is het effect van "overdosering" echter moeilijk te duiden (de deskundige spreekt van een "gemengd" klinisch beeld en a-specifieke klachten). Bovendien is nimmer door onderzoek vastgesteld wat de precieze oorzaak van de ziekteverschijnselen was (zie zijn antwoord op vraag 18, geciteerd onder 3.1.7).
- de overige door Agri-V.A.K. gestelde, mogelijke oorzaken (stofwisselingsstoornis of andere ziekte van de koeien, schadelijke stoffen in kunstmest op het land of in het (gratis verkregen) voer, bv. Jacobskruiskruid, verkeerd mengen van het voer) acht de deskundige alle onwaarschijnlijk. Slechts ten aanzien van het kuilgras van het met Anasol bemest gras, is de deskundige iets minder stellig. Hij zegt dat partijen weliswaar van mening verschillen over de vraag in hoeverre in augustus 2006, toen de "Anasol-kuil" voor het eerst gevoerd werd, sprake was van een plotselinge verergering van de problemen, doch dat de problemen vóórdat de "Anasol-kuil" gevoerd werd erop lijken te wijzen dat de Anasol niet de (enige) oorzaak van de problemen geweest kan zijn (zie onder 3.1.7).
- volgens de deskundige zou de schade van [de maatschap] lager zou zijn geweest indien in de zomer van 2006, toen sprake was een ernstige toename van de klachten, bloed- en of leveronderzoek zou zijn verricht, waardoor een eventuele stapeling van koper en/of andere elementen aan het licht zou zijn gekomen.

6.20

Het hof is, mede op basis van het deskundigenrapport, van oordeel dat Agri-V.A.K. zich had dienen te realiseren dat het adviseren van hoge gehalten aan spoorelementen in het rantsoen niet zonder risico's was, en dat op haar derhalve een (verhoogde) zorgplicht rustte om toezicht te houden op de effecten van dit rantsoen op de koeien van [de maatschap]. Agri-V.A.K. had dan ook vanaf het moment dat zij bekend werd met de verergering van de gezondheidsklachten - juni/juli 2006 (stelling [de maatschap]) dan wel augustus 2006 (stelling Agri-V.A.K.) - aan [de maatschap] moeten adviseren om (voorlopig) te stoppen met het verstrekken van VAK-elementen aan de koeien en had [de maatschap] moeten aanraden om (bloed en/of lever)onderzoek te laten verrichten en/of een veearts en/of een andere instantie (bijvoorbeeld de Gezondheidsdienst) te raadplegen. Agri-V.A.K. had er immers op bedacht moeten zijn dat deze ziekteverschijnselen mogelijk een gevolg waren van "overdosering". Nu vaststaat dat Agri-V.A.K. dit heeft nagelaten, is zij daarmee naar het oordeel van het hof (toerekenbaar) tekortgeschoten in de nakoming van de op haar rustende zorgplicht.



In het principaal en incidenteel appel

6.21

Aldus staat vast dat Agri-V.A.K. zowel in de zomer van 2006 als in november 2006 is tekortgeschoten. Voor de eventueel daaruit voortgevloeide schade is zij aansprakelijk. Daar staat tegenover dat naar het oordeel van het hof ook [de maatschap] voor de helft aan het ontstaan van de eventuele schade heeft bijgedragen, aangezien zij pas op 18 oktober 2006, toen de klachten al zeer ernstig waren, ter zake daarvan de veearts heeft geraadpleegd, en zij niet in een eerder stadium bloed- en/of ander onderzoek heeft laten verrichten. Weliswaar mocht [de maatschap] erop vertrouwen dat Agri-V.A.K. beschikte over specifieke kennis op het terrein van voeding, in het bijzonder mineralen en spoorelementen, maar [de maatschap] wist dat Agri-V.A.K. daarbij te werk ging op basis van "kijken naar koeien". Toen de gezondheidsklachten van de koeien ernstiger werden, had [de maatschap] vanuit haar eigen expertise en verantwoordelijkheid ook de dierenarts en/of de Gezondheidsdienst moeten raadplegen, en niet alleen Agri-V.A.K. en/of andere (spirituele) deskundigen. Het hof is van oordeel dat [de maatschap] hierdoor voor 50% heeft bijgedragen aan de schade in de zin van artikel 6:101 BW. Feiten en omstandigheden die billijkheidshalve tot een andere verdeling nopen zijn naar het oordeel van het hof in onvoldoende mate gesteld noch gebleken. In zoverre slaagt grief 5 in het principaal appel en faalt grief II in het in het incidenteel appel.

6.22

Daarmee komt het hof toe aan de vraag welke schade als gevolg van de tekortkomingen is ontstaan. Het hof ziet in hetgeen dienaangaande over en weer is gesteld aanleiding terzake nadere inlichtingen in te winnen en zal daartoe een comparitie van partijen bevelen. Partijen worden uitgenodigd bescheiden ter staving hun standpunten inzake schade en het bestaan dan wel ontbreken van oorzakelijk verband tussen deze schade en de hiervoor bedoelde tekortkomingen ter zitting over te leggen (en vooraf aan elkaar en het hof toe te zenden). Voorts dienen zij zich ter zitting uit te laten over hun (verdere) bewijsmogelijkheden. De comparitie zal echter daarnaast uitdrukkelijk worden benut om een schikking te beproeven, gelet op het relatieve geringe geldelijke belang van de zaak in relatie tot de omvang van de aansprakelijkheid (50%) en de mogelijk nog te maken kosten.

6.23

Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden.

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:



In het principaal en incidenteel appel

alvorens nader te beslissen:

bepaalt dat partijen in persoon samen met hun advocaten zullen verschijnen voor het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. L. Janse, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan het Wilhelminaplein 1 te Leeuwarden op een nader door deze te bepalen dag en tijdstip, om inlichtingen te geven als onder 6.23 vermeld en opdat kan worden onderzocht of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden;

bepaalt dat partijen de verhinderdagen van partijen en hun advocaten in de maanden mei, juni en juli zullen opgeven op dinsdag 29 april 2014, waarna dag en uur van de comparitie (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld;

verstaat dat de advocaat van Agri-V.A.K. uiterlijk twee weken voor de verschijning zal plaatsvinden een kopie van het volledige procesdossier ter griffie van het hof doet bezorgen, bij gebreke waarvan de advocaat van [de maatschap] alsnog de gelegenheid heeft uiterlijk één week voor de vastgestelde datum een kopie van de processtukken over te leggen.

Dit arrest is gewezen door mr. L. Janse, mr. M.W. Zandbergen en mr. M.M.A. Wind en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 15 april 2014.