Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:3162

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
15-04-2014
Datum publicatie
16-04-2014
Zaaknummer
21-009019-13
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:1783, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Er is niet voldaan aan de eisen van artikel 55b Sv, zodat verbalisant niet bevoegd was de tas te doorzoeken. Door het vormverzuim is geen rechtens te respecteren belang geschaad. Hof wijst beroep op bewijsuitsluiting af en volstaat met de vaststelling van het vormverzuim.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-009019-13

Uitspraak d.d.: 15 april 2014

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 3 december 2013 met parketnummer 16-196738-12 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 1 april 2014 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. De advocaat-generaal heeft het hof gevorderd de beslissing van de politierechter te bevestigen.

Voorts heeft het hof kennisgenomen van het faxbericht van de raadsvrouw van verdachte van 1 april 2014, met als bijlage de pleitaantekeningen voor de behandeling in hoger beroep.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 21 september 2012 te [plaats] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen één of meer kledingstuk(ken), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de firma [winkel], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Namens verdachte wordt door zijn raadsvrouw blijkens de aan het hof op 1 april 2014 gefaxte pleitnotities bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat er sprake is geweest van een onrechtmatige staandehouding. Ten tijde van de staandehouding van verdachte was geen sprake van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit. Om diezelfde reden is ook de doorzoeking van de tas op grond van artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering (verder: Sv) onrechtmatig. Er is sprake van een tweetal vormverzuimen die onherstelbaar zijn. Er is sprake van schending van een belangrijk strafvorderlijk voorschrift. Het verkregen bewijsmateriaal, het door de verbalisant aantreffen van de gestolen kleding, dient te worden uitgesloten van het bewijs.

Het hof stelt de volgende feiten vast.

Op vrijdag 21 september 2012 bevindt verbalisant [verbalisant 1] zich in zijn vrije tijd in de kledingwinkel [winkel] aan de [adres] te [plaats]. Hij ziet daar twee mannen de winkel binnenkomen. Een van hen draagt een rugtas. De beide manspersonen lopen direct naar de afdeling sportkleding voor mannen. Hij ziet dat één van de mannen steeds richting de kassa kijkt en dat hij dit kennelijk onopvallend probeert te doen. Omdat [verbalisant 1] de indruk krijgt dat de mannen zich mogelijk schuldig gaan maken aan een strafbaar feit belt hij met het alarmnummer 112 en geeft hij zijn bevindingen door aan de centralist. Naar aanleiding van de melding op de ether ‘dat twee negroïde mannen zich verdacht ophielden in de [winkel]’, gaan verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] ter plaatse. In de winkel treffen zij twee negroïde mannen aan die voldoen aan het signalement. De winkel is verder leeg. Beide verbalisanten houden elk één manspersoon staande. Verbalisant [verbalisant 2] vordert van verdachte een geldig identiteitsbewijs (verder: ID-bewijs). Verdachte antwoordt dat hij geen ID-bewijs bij zich heeft. Verbalisant [verbalisant 2] vraagt verdachte nogmaals om een ID-bewijs. Hierop voelt verdachte met zijn handen in zijn zakken, maar haalt geen ID-bewijs uit zijn zakken. Verbalisant [verbalisant 2] pakt de rugtas van verdachte en legt deze op de toonbank van de kassa. Verdachte geeft aan dat hij zelf de tas wil openen en wordt daartoe in de gelegenheid gesteld. Hij kijkt alleen in de kleinste vakken van de tas en zegt dat er geen ID-bewijs in zit. Dan neemt verbalisant [verbalisant 2] de tas over en opent het grootste vak van de tas. Hij ziet dan dat dit vak vol is en dat er aan de bovenste zijde grijskleurig tape zichtbaar is. Dit geprepareerde gedeelte loopt tot aan de bodem van de tas. In het geprepareerde deel van de tas treft de verbalisant kledingstukken aan die toebehoren aan de [winkel].

Het hof oordeelt als volgt.

Het vorderen van verdachte van een geldig identiteitsbewijs gebeurde kennelijk in het kader van de strafrechtelijke uitoefening van de politietaak naar aanleiding van de melding dat twee manspersonen zich verdacht ophielden in de kledingwinkel. Deze melding op zich was echter naar het oordeel van het hof onvoldoende om te kunnen spreken van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit. Aan de vereisten voor een onderzoek aan de tas als bedoeld in artikel 55b Sv werd derhalve niet voldaan, zodat de verbalisant daartoe niet bevoegd was.

Het hof stelt vast dat hiermee sprake is van een vormverzuim. Het hof dient te beoordelen of aan dat vormverzuim enig rechtsgevolg dient te worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg dan in aanmerking komt. Daarbij dient het hof rekening te houden met de in het tweede lid van artikel 359a Sv genoemde factoren. Het rechtsgevolg zal immers door deze factoren moeten worden gerechtvaardigd.

Naar het oordeel van het hof is niet gebleken dat door het vormverzuim een rechtens te respecteren belang van verdachte is geschaad. Het belang van de verdachte dat het gepleegde feit niet wordt ontdekt, kan niet worden aangemerkt als een in dit verband rechtens te respecteren belang, zodat een eventuele schending van dit belang als gevolg van een vormverzuim niet een nadeel oplevert als bedoeld in artikel 359a, tweede lid Sv. Voorts is door het in de tas van verdachte kijken naar het oordeel van het hof slechts zeer beperkt inbreuk gemaakt op de privacy van verdachte. Ten overvloede merkt het hof in dit verband op dat artikel 359a Sv een bevoegdheid formuleert en geen plicht tot het toepassen van de in dat artikel genoemde rechtsgevolgen.

Het hof wijst het beroep op bewijsuitsluiting af en volstaat met de vaststelling van het vormverzuim. De aangetroffen gestolen kleding en de bekennende verklaring van verdachte kunnen voor het bewijs worden gebezigd. Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan winkeldiefstal.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 21 september 2012 te [plaats] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen één of meer kledingstuk(ken), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de firma [winkel], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

het bewezen verklaarde levert op:

diefstal.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen -en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden- dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan winkeldiefstal. Dergelijke feiten zorgen voor schade en overlast.

Blijkens het verdachte betreffende Uittreksel uit de Justitiële Documentatie is verdachte eerder veroordeeld wegens het plegen van soortgelijke feiten. Deze eerdere straffen hebben hem er kennelijk niet van weerhouden zich opnieuw aan een strafbaar feit schuldig te maken. Anders dan opgelegd door de politierechter en gevorderd door de advocaat-generaal acht het hof daarom een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Dit voorschrift is toegepast, zoals dit gold ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door

mr Y.A.J.M. van Kuijck, voorzitter,

mr P. van Kesteren en mr P.L.M van Gorkom, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr B.T.H. Janssen, griffier,

en op 15 april 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.