Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:3065

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
15-04-2014
Datum publicatie
15-04-2014
Zaaknummer
21-004733-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van mensenhandel (artikel 273f sub 3 Sr)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-004733-11

Uitspraak d.d.: 15 april 2014

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Alkmaar van 5 oktober 2010 met parketnummer 14-810152-10 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te Bulgarije op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats].

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 1 april 2014 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr V.A. Vitanov, naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Verdachte is bij het vonnis waarvan beroep vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde. Hoger beroep tegen deze gegeven vrijspraak staat voor verdachte niet open. Het hof zal de verdachte daarom in zoverre niet-ontvankelijk in het hoger beroep verklaren.

Ter zitting is door de advocaat-generaal aangegeven dat het hoger beroep van de officier van justitie zich niet richt tegen de in eerste aanleg gegeven vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde. Het hof ziet voor wat betreft dit feit aanleiding toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 416, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, nu van de zijde van het Openbaar Ministerie geen grieven zijn ingediend en het hof ook zelf geen redenen ziet die een inhoudelijke behandeling ten aanzien van dit feit noodzakelijk maken. Het hof zal de officier van justitie daarom in zoverre niet-ontvankelijk in het hoger beroep verklaren.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen tenlastegelegd dat:

2

hij in of omstreeks de periode van 01 maart 2009 tot en met 3 april 2009 op een of meer verschillende tijdstippen in Griekenland en/of in de gemeente [plaats 1] en/of te [plaats 2], althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) [aangeefster] heeft aangeworven en/of medegenomen en/of ontvoerd, met het oogmerk die [aangeefster] in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van één of meer seksuele handeling(en) met of voor een derde tegen betaling;

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak feit 2

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft -onder verwijzing naar de motivering in het vonnis- geconcludeerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde (artikel 273f lid 1, sub 3 van het Wetboek van Strafrecht).

Standpunt raadsman

De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat niet elke aansturing of bemoeienis van de kant van verdachte met de werkzaamheden van aangeefster in Nederland, hoewel dat steeds door hem is ontkend, als uitbuiting dient te worden aangemerkt. Indien verdachte aangeefster zou hebben geholpen met het zoeken van een woning in Nederland of met andere administratieve werkzaamheden, kan dat niet zonder meer als uitbuiting worden aangemerkt. Bovendien is [aangeefster] direct na aankomst op [plaats 2] verdwenen en heeft verdachte haar niet meer gezien, laat staan enige bemoeienis met haar gehad.

Oordeel hof

Voor een bewezenverklaring van het bepaalde in artikel 273f, eerste lid aanhef en sub 3 van het Wetboek van Strafrecht is vereist dat uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte een ander vanuit het buitenland naar Nederland heeft vervoerd of andersom, terwijl hij wist dat die ander in dat andere land in de prostitutie zou gaan werken. Voor de bewijsvraag is niet relevant wie het initiatief tot het werken in de prostitutie heeft genomen, niet behoeft te worden vastgesteld dat de keuzevrijheid van de ander is beperkt of beïnvloed terwijl ook niet vereist is dat sprake is van dwangmiddelen, een uitbuitingssituatie dan wel het oogmerk van uitbuiting.

Uit het dossier volgt dat verdachte met aangeefster [aangeefster] op 27 maart 2009 vanuit Griekenland naar Nederland is gereisd.

De vraag die thans aan het hof voorligt, is of verdachte wist dat [aangeefster] in Nederland in de prostitutie zou gaan werken. Het hof beantwoordt die vraag ontkennend. [aangeefster] heeft weliswaar verklaard dat zij van te voren met verdachte heeft gesproken over het werken in de prostitutie in Nederland, maar haar verklaring wordt op dit punt niet in voldoende mate ondersteund door ander bewijsmateriaal. De verklaring van [getuige] biedt op dit punt geen ondersteuning. Uit de omstandigheid dat zij zelf met verdachte naar Nederland is gereisd om in de prostitutie te gaan werken kan niet worden afgeleid dat [aangeefster] en verdachte van te voren hebben gesproken over het werken in de prostitutie. Hetzelfde geldt voor haar opmerking dat zij van verdachte heeft gehoord dat [aangeefster] in Nederland zou hebben gewerkt en - mede tegen de achtergrond van de lezing van verdachte - dat zij hem tegen [aangeefster] in een telefoongesprek heeft horen zeggen dat zij is weggelopen.

Dat [aangeefster] naar haar zeggen enkele dagen heeft verbleven op een adres in [plaats 1] waar veel prostituees en/of pooiers van Bulgaarse afkomst verblijven, levert ook onvoldoende bevestiging op, mede omdat het bij de als “[naam]” aangeduide persoon kennelijk niet om [aangeefster] ging.

De verklaring van [aangeefster] dat zij in Griekenland tweemaal als prostituee zou hebben gewerkt wordt ook niet door ander bewijsmateriaal gesteund.

Bij deze stand van zaken acht het hof niet buiten redelijke twijfel bewezen dat verdachte ten tijde van de reis wist (van de aanmerkelijke kans) dat [aangeefster] voor prostitutiewerkzaamheden naar Nederland ging, zodat niet bewezen is dat verdachte haar vanuit Griekenland naar Nederland heeft medegenomen met het oogmerk [aangeefster] ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling.

Het hof spreekt verdachte dan ook vrij van het hem ten laste gelegde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte en de officier van justitie niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 1 stuk papier met getallen en Bulgaarse tekst;

- 1 stuk papier, kassabon;

- 1 stuk papier, Western Union Transaction ID 2112-25-12791;

- 1 Western Union Goldcard;

- 1 stuk papier, Western Union ID 2112-13-86668;

- 1 brief met de naam Lliyk Ilieva Mihatlova.

Aldus gewezen door

mr R. van den Heuvel, voorzitter,

mr J.A.W. Lensing en mr M.B.T.G. Steeghs, raadsheren,

in tegenwoordigheid van T.M.M. van Lieshout-Witjes, griffier,

en op 15 april 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.