Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:3000

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
10-04-2014
Datum publicatie
24-06-2014
Zaaknummer
200.129.503
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling kinderalimentatie. Behoefte kinderen en draagkracht man, vrouw en nieuwe partners conform nieuwe richtlijnen van de Expertgroep Alimentatienormen. Niet gebonden aan overeenkomst van partijen. Draagkrachtvergelijking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.129.503

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, 304214)

beschikking van de familiekamer van 10 april 2014

inzake

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],
verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. M.G. Hoogerwerf te Dordrecht,

en

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. I.M.B. Kramer te Amsterdam.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Utrecht, respectievelijk Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 2 mei 2012 en 3 april 2013, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het beroepschrift, ingekomen op 2 juli 2013;

  • -

    het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep, ingekomen op 30 september 2013;

  • -

    een verweerschrift in het incidenteel hoger beroep, ingekomen op 4 december 2013;

  • -

    een brief van mr. Hoogerwerf van 11 februari 2014, met producties 28 tot en met 39, ingekomen op 12 februari 2014;

  • -

    een brief van mr. Kramer van 17 februari 2014 met producties 1 tot en met 4, ingekomen op 18 februari 2014.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 28 februari 2014 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3 De vaststaande feiten


3.1 Partijen zijn op 6 oktober 2004 te [Plaats] gehuwd. Hun huwelijk is op 11 januari 2007 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Rotterdam van 2 oktober 2006 in de registers van de burgerlijke stand (verder: de echtscheidingsbeschikking). Partijen zijn de ouders van:

- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2005 (verder: [kind 1]), over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen.

3.2

In de echtscheidingsbeschikking is bepaald dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] € 150,- per maand zal voldoen.

3.3

De man, geboren op [geboortedatum] 1978, is gehuwd met [A] (verder te noemen: [A]), die blijkens de jaaropgave over 2012 een loon voor loonheffing had van € 38.409,- (inclusief de ingehouden inkomensafhankelijke bijdrage ZVW van € 2.547,-). Uit het huwelijk van de man en [A] is op 9 november 2012 [kind 2] geboren.

Het loon voor loonheffing van de man bedraagt blijkens zijn jaaropgave over 2012
€ 42.811,- (inclusief de ingehouden inkomensafhankelijke bijdrage ZVW van € 2.839,-) en over 2013 € 42.536,-.

3.4

De vrouw, geboren op [geboortedatum] 1977, woont samen met [B] (verder: [B]). Tot het gezin behoort naast [kind 1] de uit de affectieve relatie van de vrouw en [B] geboren [kind 3]. [kind 3] is vijf jaar. Het inkomen van de vrouw bedraagt blijkens de jaaropgave over 2013 € 33.925,-.

4 De omvang van het geschil

4.1

In geschil is de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1]. De rechtbank heeft in de - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - bestreden beschikking die bijdrage met ingang van 3 april 2013 vastgesteld op € 338,- per maand. Nu partijen geen grieven hebben gericht of bezwaren hebben geuit tegen het oordeel van de rechtbank in die beschikking dat zij geen aanleiding ziet een eerdere ingangsdatum dan 3 april 2013 te hanteren, is het hof aan die beslissing gebonden. Het geschil spitst zich dus toe op de hoogte van de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] met ingang van 3 april 2013.

4.2

De man is met zeven grieven in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van
3 april 2013. Grief I van de man ziet op het bij de berekening van de behoefte van [kind 1] in aanmerking nemen van bijzondere kosten. Grief II van de man ziet op de behoefte van [kind 2]. Grief III mist zelfstandige betekenis en behoeft daarom geen bespreking. Grief IV heeft de man tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep ingetrokken en deze behoeft daarom evenmin bespreking. De grieven V en VI zien op de draagkracht van de man. Grief VII ziet op de terugbetalingsverplichting van het teveel betaalde bedrag. De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en alsnog te bepalen dat de vrouw niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar inleidend verzoek, althans dit verzoek af te wijzen, althans te bepalen dat de door de man te betalen bijdrage met ingang van 3 april 2013 dient te worden bepaald op een door het hof in redelijkheid te bepalen bedrag.

4.3

De vrouw is op haar beurt met drie grieven in incidenteel hoger beroep gekomen. Grief 1 ziet op de bij de berekening van de behoefte van [kind 1] in aanmerking te nemen bijzondere kosten. Grief 2 ziet op de bij de berekening van de draagkracht van de man in aanmerking te nemen lasten ter zake van de premie levensverzekering. Grief 3 betreft een vermeerdering van het verzoek en ziet op de bij de draagkracht van de vrouw in aanmerking te nemen woonlasten. De vrouw stelt dat zij en haar nieuwe partner een nieuwe woning hebben gekocht en dat zij vanaf 1 oktober 2013 € 1.214,33 voor hypotheekrente/-aflossing van € 27,75 voor premie levensverzekering per maand betalen.

De vrouw verzoekt het hof in het principaal hoger beroep de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep dan wel het hoger beroep van de man af te wijzen. In het incidenteel hoger beroep verzoekt de vrouw het hof de bestreden beschikking te vernietigen voor zover deze ziet op de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten voor verzorging en opvoeding van [kind 1] vanaf 1 oktober 2013 en te bepalen dat de man aan de vrouw een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] over de periode vanaf 1 oktober 2013 zal dienen te betalen ter hoogte van een door het hof in redelijkheid te bepalen bedrag.


4.4 De man verzoekt de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in het incidenteel hoger beroep dan wel dit incidenteel hoger beroep af te wijzen.

4.5

Het hof zal de grieven in het principaal en het incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken.

5 De motivering van de beslissing

5.1

In de eerste plaats is aan de orde of zich een relevante wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan in de zin van artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW). Omdat gebleken is dat beide partijen inmiddels gehuwd zijn dan wel samenwonen met een partner en uit hun nieuwe relatie een kind is geboren, is naar het oordeel van het hof in dit geval sprake van een relevante wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW die een hernieuwde beoordeling van de behoefte en de draagkracht rechtvaardigt.

hoogte behoefte [kind 1] (grief I van de man en grief 1 van de vrouw)


5.2 De rechtbank heeft de basisbehoefte van [kind 1] op € 560,- bepaald en geoordeeld dat daarbij een bedrag van € 58,- voor bijzondere kosten voor zwemles en judoles dient te worden opgeteld, zodat de behoefte van [kind 1] € 618,- per maand bedraagt. Met andere door de vrouw aangevoerde bijzondere kosten heeft de rechtbank geen rekening gehouden.
De man betwist met grief I het oordeel van de rechtbank dat rekening moet worden gehouden met bijzondere kosten. De vrouw maakt er met grief 1 in het incidenteel hoger beroep bezwaar tegen dat de rechtbank niet ook met andere bijzondere kosten rekening heeft gehouden. Zij stelt dat [kind 1] met astma kampt en een stoornis heeft in het autistisch spectrum, waardoor zij in totaal € 91,05 per maand aan bijzondere kosten voor [kind 1] maakt (te weten voor: eigen bijdrage fysiotherapie € 10,-, kosten oogkliniek € 25.-, kosten pictogrammen € 5.80, kosten speciaal schrijfmateriaal € 14,75 en kosten zwemles € 35,50).

5.3

Het hof oordeelt als volgt. Van kosten voor judoles blijkt geen sprake te zijn. Tegenover de door de vrouw gestelde kosten voor fysiotherapie en de oogkliniek heeft de man gemotiveerd gesteld dat deze aanvankelijk niet vergoed werden, omdat de vrouw een zorgverlener had gekozen die geen contract met de zorgverzekeraar van [kind 1] had, maar dat deze kosten nu wel vergoed worden. Dit heeft de vrouw niet betwist, zodat reeds daarom geen rekening met deze kosten behoeft te worden gehouden.
Ten aanzien van de overige kosten van de reguliere zwemles, de aanschaf van pictogrammen en schrijfmateriaal alsmede de kosten voor BSO heeft de vrouw onvoldoende gesteld om tot het oordeel te komen dat deze kosten zo uitzonderlijk zijn dat deze niet of onvoldoende in de gehanteerde tabel ‘kosten van kinderen’ zijn verdisconteerd en niet te compenseren zijn met andere uitgavenposten.

5.4

Grief I van de man slaagt dus en grief 1 van de vrouw faalt. Het hof zal daarom uitgaan van een behoefte voor [kind 1] van € 560,- per maand.

5.5

Het hof overweegt dat beide ouders naar rato van hun draagkracht dienen bij te dragen. Het hof zal dan ook ieders draagkracht vaststellen. Met een bijdrage van [B] voor [kind 1] houdt het hof geen rekening, nu op [B] geen wettelijke onderhoudsplicht rust.


Behoefte [kind 2]



5.6 De man betwist met grief II het oordeel van de rechtbank dat de behoefte van zijn zoon [kind 2] gelijk is aan die van [kind 1]. Hij stelt dat de behoefte van [kind 2] (geboren op

[geboortedatum] 2012) hoger is. Hij stelt dat voor de berekening van de behoefte van [kind 2] moet worden uitgegaan van het netto besteedbaar gezinsinkomen van 2012.

5.7

Het hof hanteert voor de vaststelling van de behoefte van [kind 2] de tabel “eigen aandeel kosten van kinderen” voor 1 kind voor 2012-2, behorend bij het rapport Alimentatienormen van de werkgroep Alimentatienormen, aangezien [kind 2] in 2012 is geboren en de man ook zelf uitgaat van het netto besteedbaar gezinsinkomen in 2012.
Bij de berekening van het netto besteedbaar inkomen van de man houdt het hof rekening met het hiervoor onder 3.3 vermelde loon voor loonheffing van € 42.811,-, waarop in mindering strekt de ingehouden inkomensafhankelijke bijdrage ZVW van € 2.839,-. Het maandelijks netto besteedbaar inkomen van de man berekent het hof op € 2.276,-.
Bij de berekening van het netto besteedbaar inkomen van [A] houdt het hof rekening met het hiervoor onder 3.3 vermelde loon voor loonheffing van € 38.409,- waarop in mindering strekt de ingehouden inkomensafhankelijke bijdrage ZVW van € 2.547,-. Verder heeft [A], nu zij minder verdient dan de man, recht op de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Gelet op haar bruto jaarinkomen komt zij in aanmerking voor de maximale inkomensafhankelijke combinatiekorting van € 2.133,- per jaar, dus € 178,- netto per maand (artikel 8.14a Wet op de inkomstenbelasting 2001). Het maandelijks netto besteedbaar inkomen van [A] berekent het hof op € 2.267,-.

Het netto besteedbaar gezinsinkomen bedraagt dan (€ 2.276,- + € 2.267,-) te verminderen met het in de beschikking van 2 oktober 2006 vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] € 150,-. Het netto besteedbaar gezinsinkomen bedraagt per maand € 4.393,-. Met een kindgebonden budget houdt het hof geen rekening, nu partijen daarvoor gelet op hun inkomen in 2012 niet in aanmerking kwamen.

5.8

Op grond van voornoemde tabel dient de behoefte van [kind 2] op € 687,- te worden gesteld. Hieruit volgt dat grief II van de man in zoverre slaagt dat de behoefte van [kind 1] en [kind 2] gezamenlijk op € 1.247,- dient te worden gesteld (€ 560,- voor [kind 1] en € 687,- voor [kind 2]).


Behoefte [kind 3]


5.9 Het hof hanteert voor de vaststelling van de behoefte van [kind 3] de tabel “eigen aandeel kosten van kinderen en het kindgebonden budget” voor 2 kinderen voor 2013-2, behorend bij het rapport Alimentatienormen van de Werkgroep Alimentatienormen.

Uitgangspunt voor de bepaling van de behoefte van een kind is de aanbeveling van de Werkgroep Alimentatienormen om uit te gaan van het gezinsinkomen van de ouders ten tijde van de samenleving dan wel het latere inkomen als dat hoger is. Bij de berekening van het netto besteedbaar inkomen van de vrouw houdt het hof rekening met het hiervoor onder 3.4 vermelde inkomen blijkens de jaaropgave over 2013 van € 33.925,-. Verder heeft de vrouw, nu zij, zoals tijdens de mondelinge behandeling is gebleken, minder verdient dan haar partner, recht op de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Gelet op haar bruto jaarinkomen komt zij in aanmerking voor de maximale inkomensafhankelijke combinatiekorting van € 2.133,- per jaar, dus € 178,- netto per maand (artikel 8.14a Wet op de inkomstenbelasting 2001). Het maandelijks netto besteedbaar inkomen van de vrouw bedraagt dan € 2.209,-.
Inkomensgegeven van de partner van de vrouw zijn niet beschikbaar. De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat de partner niet wenst dat zijn inkomensgegevens worden overgelegd. Het hof zal het netto besteedbaar inkomen van de partner van de vrouw daarom schatten. Nu de man tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft gesteld dat de partner van de vrouw - die bij dezelfde werkgever als de man werkzaam is - meer verdient dan de man en het besteedbaar inkomen van de man uitgaande van de tabel over 2014-1, zoals hierna zal blijken, € 2.455,- bedraagt, zal het hof het netto besteedbaar inkomen van de partner van de vrouw op € 2.600,- schatten. Als netto besteedbaar gezinsinkomen hanteert het hof dan € 4.809,- en het hof zal ervan uitgaan dat het gezamenlijk inkomen te hoog is om in aanmerking te komen voor een kindgebonden budget. Op grond van voornoemde tabel dient de behoefte van [kind 3] op € 573,- te worden vastgesteld.

Draagkracht - toepasselijke normen



5.10 Partijen zijn tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg overeengekomen dat zij voor de berekening van de draagkracht voor de kinderalimentatie zouden uitgaan van de vóór 1 april 2013 geldende Tremanormen. De vrouw houdt vast aan deze afspraak. De man wenst in hoger beroep de sinds 1 april 2013 geldende berekenmethodiek te hanteren.
Het hof ziet aanleiding om in dit geval uit te gaan van het sinds 1 april 2013 geldende systeem van de Tremanormen (verder: het nieuwe systeem). Aan de tussen partijen gesloten - anders luidende - overeenkomst is het hof niet gebonden. De rechter die de kinderalimentatie vaststelt oordeelt immers zelfstandig met inachtneming van de wettelijke maatstaven, zonder daarbij gebonden te zijn aan hetgeen de ouders ter zake onderling zijn overeengekomen. Gelet op de strijd tussen partijen, die zich niet alleen uitstrekt over de kinderalimentatie maar ook over het gezag, de hoofdverblijfplaats van [kind 1] en de omgang, is het in het belang van partijen en [kind 1] dat het aantal strijdpunten tussen partijen wordt beperkt. Het nieuwe systeem voorziet daarin beter dan het voor 1 april 2013 geldende systeem.

5.11

Het voorgaande betekent dat geen rekening zal worden gehouden met de door de vrouw in haar grief 3 gestelde verhoging van haar woonlasten met ingang van november 2013 van € 275,- voor kale huur per maand naar € 1.214,33 voor hypotheekrente/-aflossing en € 27,75 voor premie levensverzekering per maand. De draagkrachttabel houdt op forfaitaire wijze rekening met woonlasten. Uitgaande van het hiervoor berekende netto besteedbaar inkomen van de vrouw van € 2.209,- bedraagt deze last € 663,- netto per maand. Indien de vrouw voor de helft zou bijdragen in de netto last van de hypotheekrente/-aflossing en premie levensverzekering, dan zouden haar netto woonlasten minder bedragen dan de netto woonlasten waarmee, voor de berekening van haar draagkracht, forfaitair rekening mag worden gehouden. Grief 3 van de vrouw faalt.

Draagkracht van de man (grieven V en VI)


5.12 De man stelt dat zijn draagkracht niet toereikend is om de vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] te betalen. De vrouw betwist dat.

5.13

Het hof gaat bij de vaststelling van de draagkracht van de man uit van de hiervoor onder 3.3 en 5.7 vermelde financiële gegevens, voor zover daarover hierna niet anders wordt geoordeeld.

5.14

Met de door de man gestelde schuld aan zijn schoonouders, verband houdend met de restschuld na verkoop van de voormalige echtelijke woning, zal het hof, nu de berekening van de draagkracht op grond van het nieuwe systeem plaatsvindt, geen rekening houden. Op basis van het hiervoor onder 5.7 berekende netto besteedbaar inkomen van de man is de voor hem forfaitair in aanmerking te nemen woonlast € 683,-. De netto hypotheeklast van de man bedraagt de helft van de hypotheeklast van € 899,- verminderd met belastingvoordeel (42% over € 450,- = € 189,- dus netto € 261,-). Inclusief de helft van de premie levensverzekering van € 103,14 (te weten € 206,27:2) komt de man op een netto woonlast van circa € 364,- hetgeen voldoende ruimte biedt om ook de (helft van de) aflossing van de schuld voor zijn rekening te nemen. Grief V van de man faalt dus.

5.15

Met de door de rechtbank in de berekening betrokken kosten van de man ter zake van premie levensverzekering van € 195,-, waartegen grief 2 van de vrouw zich richt, zal het hof niet separaat rekening houden, nu het kosten betreft die gekoppeld zijn aan de hypothecaire verplichtingen en in de draagkrachttabel op forfaitaire wijze rekening wordt gehouden met de woonlasten, zoals hiervóór besproken. Grief 2 van de vrouw behoeft daarom geen verdere bespreking.

inkomen

5.16

Bij de berekening van het besteedbaar inkomen van de man houdt het hof rekening met het loon volgens de jaaropgave over 2013 van € 42.356,-. Het komt uit op een netto besteedbaar inkomen per maand van € 2.455,-. Uitgaande van de draagkrachttabel (2014) dient de draagkracht van de man te worden berekend aan de hand van de volgende formule:
70% x [€ 2.455 – (0,3 x € 2.455,- + € 860,-)] = € 600,95. Afgerond op hele euro’s en verhoogd met het fiscaal voordeel vanwege de persoonsgebonden aftrek levensonderhoud van € 83,00 per maand bedraagt de draagkracht van de man € 684,-.
Het hof merkt op dat dit fiscale voordeel naar verwachting met ingang van 2015 komt te vervallen. Het hof gaat ervan uit dat partijen in staat zijn in onderling overleg een nieuwe berekening te maken die rekening houdt met deze aanpassing.

5.17

Het hof overweegt ten aanzien van de verdeling van de draagkracht van de man over zijn beide kinderen als volgt. De man is verplicht samen met [A] ook bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 2].

5.18

Nu de bijdrageverplichting van [A] mede van invloed kan zijn op het voor [kind 1] beschikbare gedeelte van de draagkracht van de man (HR 13 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX1295), zal het hof ook haar draagkracht berekenen.
Bij de berekening van het besteedbaar inkomen van [A] houdt het hof rekening met het hiervóór onder 5.7 vastgestelde netto besteedbaar inkomen per maand van € 2.267,-. Uitgaande van de draagkrachttabel (2014) dient de draagkracht van [A] te worden berekend aan de hand van de volgende formule:
70% x [€ 2.267,- – (0,3 x € 2.267,- + € 860,-)] = € 508,83. Afgerond op hele euro’s bedraagt haar draagkracht € 509,-

Draagkracht vrouw


5.19 Ook de vrouw is onderhoudsplichtig jegens [kind 1]. Bij de berekening van de draagkracht van de vrouw houdt het hof rekening met het hiervoor onder 5.9 vastgestelde netto besteedbaar inkomen per maand van de vrouw van € 2.209,-. Uitgaande van de draagkrachttabel (2014) dient de draagkracht van de vrouw te worden berekend aan de hand van de volgende formule:
70% x [€ 2.209,- – (0,3 x € 2.209,- + € 860,-)] = € 480,41.
Afgerond op hele euro’s bedraagt haar draagkracht € 480,-.

Draagkracht partner van de vrouw


5.20 De draagkracht van de vrouw moet worden verdeeld over [kind 1] en [kind 3]. Ook [B] draagt bij in de behoefte van [kind 3]. Bij de berekening van de draagkracht van de partner van de vrouw houdt het hof rekening met het geschatte netto besteedbaar inkomen per maand van € 2.600,-. Uitgaande van de draagkrachttabel (2014) dient de draagkracht van de partner van de vrouw te worden berekend aan de hand van de volgende formule:
70% x [€ 2.600,- – (0,3 x € 2.600,- + € 860,-)] = € 672,-.

Draagkrachtvergelijking


5.21 De conclusie van het voorgaande is als volgt:
de behoefte van de kinderen bedraagt:
- [kind 2]: € 687,-
- [kind 1]: € 560,-
- [kind 3]: € 573,-,
en dat de draagkracht van alle betrokkenen bedraagt:
- de man: € 684,- voor twee kinderen.
- [A]: € 509,- voor één kind;
- de vrouw: € 480, - voor twee kinderen.
- de partner van de vrouw: € 672,- voor één kind.

5.22

De draagkracht van de man dient naar rato van de behoefte van [kind 2] en [kind 1] te worden verdeeld. De draagkracht van de man voor [kind 2] wordt als volgt berekend:
687/ [687 + 560] x 684 = 377.
Dat betekent dat aan draagkracht van de man voor [kind 1] resteert van € 307,-.

5.23

De draagkracht van de vrouw dient naar rato van de behoefte van [kind 3] en [kind 1] te worden verdeeld. De draagkracht van de vrouw voor [kind 3] wordt als volgt berekend:
573/ [573 + 560] x 480,- = 243.
Dat betekent dat aan draagkracht van de vrouw voor [kind 1] € 237,- resteert.

5.24

Bij het voorgaande neemt het hof in aanmerking dat de totale draagkracht, mede gelet op de draagkracht van [A] en [B], ruim voldoende is om in de behoefte van [kind 3] en [kind 2] te voorzien.

5.25

Tezamen zijn de man en de vrouw niet in staat om geheel in de behoefte van [kind 1] te voorzien. Het tekort bedraagt € 16,-. De helft daarvan is € 8,-. De bestaande zorgregeling houdt in dat [kind 1] één weekend per veertien dagen van vrijdagmiddag tot zondagmiddag bij de man verblijft alsmede de helft van de vakanties. De man draagt dus in natura bij in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1]. Deze bijdrage waardeert het hof op 15% van [kind 1]’s behoefte, nu, afgerond naar beneden, sprake is van gedeelde zorg op gemiddeld één dag per week. Dit komt overeen met € 84,-. Daarvan komt € 76,- in mindering op de door de man te betalen bijdrage.

5.26

De man dient dus met ingang van 3 april 2013 maandelijks € 231,- (€ 307 - € 76,-) bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1].

6 Slotsom

6.1

De slotsom is dat de grieven van de man in zoverre slagen dat de man aan de vrouw met ingang van 3 april 2013 een lagere bijdrage in kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] dient te betalen. Voor zover de man reeds aan de veroordeling in de bestreden beschikking heeft voldaan dient de vrouw het - met inachtneming van deze beschikking in hoger beroep - teveel betaalde, te weten € 107,- per maand (€ 338,- – € 231,-), aan de man terug te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot aan de dag van terugbetaling. De grieven van de vrouw falen of behoeven geen bespreking. De vermeerdering van het verzoek van de vrouw zal worden afgewezen.

6.2

Het hof zal de proceskosten in beide instanties compenseren, nu partijen (gewezen) echtgenoten zijn en de procedure de bijdrage aan het uit het huwelijk geboren kind betreft.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht van
3 april 2013, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw beschikkende:

wijzigt de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 2 oktober 2006 en bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 3 april 2013 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] € 231,- per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;


bepaalt dat de vrouw, voor zover de man aan de bestreden beschikking heeft voldaan, al hetgeen de man, gelet op de onderhavige beschikking zonder rechtsgrond aan de vrouw heeft betaald, aan de man dient terug te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot aan de dag van terugbetaling;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in beide instanties in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;


wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.B. de Groot, A. Smeeïng-van Hees en
K.J. Haarhuis, bijgestaan door mr. S.M.J. Korthuis-Becks als griffier, en is op 10 april 2014 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.