Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:2954

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
10-04-2014
Datum publicatie
10-04-2014
Zaaknummer
24-001435-09
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:1249, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling van verdachte ter zake van moord en tweemaal poging tot moord tot een gevangenisstraf van 24 jaar, met aftrek van voorarrest. Daarnaast beslist het hof op beslag en legt het de schadevergoedingsmaatregel op.

Niet aannemelijk is geworden dat het gebruik van paroxetine acathisie bij verdachte heeft ontwikkeld, waardoor dit, anders dan is gesteld door de verdediging, niet in de weg staat aan de bewezenverklaring van opzet en voorbedachte raad, noch aan de toerekening van de feiten aan verdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EeR 2014, afl. 3, p. 107

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 24-001435-09

Uitspraak d.d.: 10 april 2014

TEGENSPRAAK

Promis

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Leeuwarden van 4 juni 2009 met parketnummer 17-880042-08 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [adres],

thans verblijvende in P.I. Veenhuizen, gevangenis Norgerhaven te Veenhuizen.

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 27 november 2009, 19 februari 2010, 6 mei 2010, 20 december 2010, 19 juni 2011,

20 maart 2012, 30 juli 2012, 19 maart 2013, 24 juni 2013, 22 juli 2013, 3 december 2013,

6 februari 2014 en 27 maart 2014 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van het aan hem onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen met betrekking tot de in de civiele procedure toegewezen vorderingen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4]. Tot slot heeft de advocaat-generaal - conform de beslissing van de rechtbank - de teruggave aan verdachte gevorderd van de onder hem inbeslaggenomen goederen: een pet met opschrift "Harkemase Boys", een MP3-speler, een briefje met telefoonnummer van [slachtoffer 2], een briefje met afspraken over de scheiding en een blauwe poetsdoek met bloedsporen. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw,

mr. A.M. Westerhuis, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

In hoger beroep heeft de verdediging dezelfde verweren gevoerd als in eerste aanleg maar heeft de onderbouwing daarvan gebaseerd op informatie die in hoger beroep aan het dossier is toegevoegd. Zo is het ontvankelijkheidsverweer thans gebaseerd op de verbatim uitgewerkte en uit het Fries vertaalde politieverhoren van verdachte en zijn de vrijspraakverweren en het beroep op ontslag van rechtsvervolging gebaseerd op resultaten van het onderzoek betreffende de aanwezigheid van paroxetine in het bloed van verdachte en de onderzoeken naar de bijwerking van agressie bij gebruik van paroxetine bij verdachte. Het hof zal in verband hiermee het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen.

Ontvankelijkheid openbaar ministerie

Door de raadsvrouw is aangevoerd dat het bewijs in de zaak (in zekere mate) is gemanipuleerd en dat het gevolg daarvan is dat er ernstig inbreuk is gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor op zijn minst met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan.

De manipulatie bestaat volgens haar uit de volgende aspecten.

1.

De onjuiste vertalingen.

2.

Het sturend horen.

3.

Het onjuist en onvolledig informeren van de verdediging.

4.

Het onjuist en onvolledig verrichten van onderzoeken.

5.

Het verkeerd voorstellen van de zaken.

Deze aspecten zijn ieder voor zich nader omschreven in de door de raadsvrouw overgelegde pleitnota.

Het hof oordeelt hierover als volgt.

Niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging komt - gezien artikel 359a, eerste lid, onder c, van het Wetboek van Strafvordering - slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking, namelijk alleen als het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

Voor de beoordeling van de vraag of er zodanige ongeregeldheden in het onderzoek hebben plaatsgevonden dat dit tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie moet leiden dient eerst de vraag beantwoord te worden of er sprake is van onherstelbare vormverzuimen bij het voorbereidend onderzoek. Er is sprake van onherstelbare vormverzuimen als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering als strafprocesrechtelijke geschreven en ongeschreven vormvoorschriften niet zijn nageleefd.

Hieronder zal het hof onderzoeken of hetgeen de raadsvrouw heeft aangegeven in de hierboven omschreven punten een onherstelbaar vormverzuim in de hiervoor bedoelde zin oplevert.

1.

Op verzoek van de verdediging heeft het hof in hoger beroep de door verdachte in de Friese taal afgelegde verklaringen bij de politie verbatim laten uitwerken en tevens in het Nederlands laten vertalen. Verdachte heeft voorts zelf aan de hand van de aan de verdediging beschikbaar gestelde banden van zijn verhoren aanvullingen gegeven op de door de vertaalster aangeleverde uitwerking van deze verhoren. Nu het hof over voornoemde stukken beschikt en bij de beoordeling van de zaak uitgaat van de tekst van de vertaalster met daarop de aangebrachte aanvullingen van verdachte is er geen sprake van een onherstelbaar vormverzuim in bovenbedoelde zin.

2.

Ter gelegenheid van het eerste verhoor van verdachte stelt één van de verbalisanten - kort na kennismaking en uitleg van de situatie rond het verhoor - de volgende vraag: “Wij willen van jou graag even horen: hoe is jouw beleving geweest, wat is er nu precies gebeurd. Kan voor mijn part in vijf minuten, dat verhaaltje.” Hierop legt verdachte een verklaring af waarin hij in grote lijnen aangeeft hoe hij langs de woning van [slachtoffer 2] is gereden, zag dat daar de auto van zijn ex-vrouw stond, dat hij naar zijn eigen woning is gereden, het pistool heeft gepakt, dat hij is teruggereden, de woning van [slachtoffer 2] is binnengegaan en dat hij daar heeft geschoten. Hij zag zijn ex-vrouw bij de trap bij de deur liggen en hij heeft [slachtoffer 2] op het hoofd geschoten. Nadat hij daar weg is gegaan is hij naar de woning van [slachtoffer 1] in Kootstertille gereden, is daar naar binnen gegaan, is achter die [slachtoffer 1] aan gegaan en heeft daar in het wilde weg wat geschoten.

Deze in grote lijnen bekennende verklaring van verdachte is naar het oordeel van het hof afgelegd zonder dat er sprake is geweest van onoorbare pressie of sturing door verbalisanten. Ook is in dit verhoor door verdachte verklaard over zijn medicijngebruik voorafgaand aan de gebeurtenissen op 2 februari 2008.

In de verdere verhoren gaan verbalisanten met hun vragen op zoek naar meer details waarbij zij soms meer confronterend optreden naar verdachte, met dien verstande dat zij te kennen geven in meer of mindere mate geloof te hechten aan hetgeen verdachte verklaart, dan wel dat zij morele uitlatingen doen omtrent hetgeen verdachte zou hebben gedaan of gelaten.

Ook voor wat betreft deze verhoren geldt naar het oordeel van het hof dat niet gebleken is van onoorbare druk of sturing. Daarbij kan worden opgemerkt dat daar waar enige druk lijkt te worden uitgeoefend, de verdachte zich daardoor kennelijk niet in het minst van de wijs heeft laten brengen. Enig vormverzuim in dit verband is niet aannemelijk geworden.

3.

In de procedure voor het hof zijn vele verzoeken van de verdediging behandeld strekkend tot aanvullend onderzoek. Daar waar de advocaat-generaal niet uit eigener beweging de gevraagde informatie heeft verstrekt, heeft het hof beslissingen genomen. Tijdens de laatste regiezitting op 3 december 2013 is door de raadsvrouw verklaard dat de daar door haar genoemde verzoeken de enige resterende verzoeken waren waarop het hof nog diende te beslissen, hetgeen het hof vervolgens ook heeft gedaan. Het hof constateert verder dat de advocaat-generaal meermalen en op voor het hof niet onbegrijpelijke gronden heeft verzocht aan de raadsvrouw om meer specifiek te zijn in de informatie die zij graag zou ontvangen en dat zij hieraan niet steeds heeft weten te voldoen. Onder deze omstandigheden kan niet gesproken worden van het onjuist en/of onvolledig informeren door het openbaar ministerie van de verdediging en het hof. Van enig vormverzuim in dit verband is het hof niet gebleken.

4.

Voor het afnemen van bloed van verdachte bij zijn aanhouding heeft het openbaar ministerie geen aanleiding gezien en dit is geen onbegrijpelijke beslissing gelet op de feiten en omstandigheden die het openbaar ministerie toen bekend waren. Nu voorts geen geschreven of ongeschreven strafprocesrechtelijke regel hierin voorziet, valt dit niet aan te merken als een vormverzuim. Hetzelfde geldt voor het beweerdelijk verzuim tot inbeslagneming van in de woning van verdachte aanwezige medicijndoosjes.

5.

Uitlatingen van het openbaar ministerie over de persoon van verdachte ter gelegenheid van het requisitoir in eerste aanleg leveren evenmin een vormverzuim op.

Daar waar de raadsvrouw concludeert dat het samenstel van de door haar genoemde omstandigheden lijkt op het (in zekere mate) manipuleren van het bewijs kan het hof die conclusie niet volgen en leidt het evenmin tot de conclusie dat er vanwege dit geheel van omstandigheden sprake is van een onherstelbaar vormverzuim. Het verweer wordt daarom verworpen. Het openbaar ministerie is ontvankelijk in de vervolging.

De tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 2 februari 2008, te Kootstertille, (althans) in de gemeente Achtkarspelen, opzettelijk (en al dan niet met voorbedachten rade)

[slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet (en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg), met een pistool, althans met een (vuur)wapen, één of meer kogels afgevuurd in de richting van het hoofd en/of in de richting van het lichaam van die [slachtoffer 1], en/of welke kogel(s) (vervolgens) in het hoofd, althans in het lichaam

van die [slachtoffer 1] is/zijn binnengedrongen, althans het hoofd en/of het lichaam

van die [slachtoffer 1] heeft/hebben geraakt/getroffen (waardoor (een) schotwond(en)

en/of bloedverlies is/zijn ontstaan en), ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

2.

hij op of omstreeks 2 februari 2008, te Harkema, (althans) in de gemeente Achtkarspelen,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk (en al dan niet met voorbedachten rade) [slachtoffer 2] van het leven te beroven,

met dat opzet (en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg),

met een pistool, althans met een (vuur)wapen, meermalen, althans eenmaal. een kogel heeft afgevuurd op die [slachtoffer 2] en/of waarbij die [slachtoffer 2] door een kogel in het hoofd en/of in het (boven)lichaam en/of in het been is geraakt (in elk geval (een) schotwond(en)

is/zijn ontstaan), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op of omstreeks 2 februari 2008, te Harkema, (althans) in de gemeente Achtkarspelen,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk (en al dan niet met voorbedachten rade) [slachtoffer 3] van het leven te beroven, met dat opzet (en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg), met een pistool, althans met een (vuur)wapen,

meermalen, althans eenmaal, een kogel heeft afgevuurd op die [slachtoffer 3]

en/of waarbij die [slachtoffer 3] door een kogel in het (boven)lichaam is geraakt

(in elk geval (een) schotwond(en) is/zijn ontstaan), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging(en) met betrekking tot het bewijs

Door de verdediging is aangevoerd dat verdachte door het gebruik van het medicijn paroxetine acathisie heeft ontwikkeld en dat de incidenten gepleegd zijn in een toxisch delirium. Dit zou aan bewezenverklaring van opzet en voorbedachte raad in de weg staan.

Het hof overweegt hierover het volgende.

Aan de blouse die verdachte droeg op 2 februari 2008 is in hoger beroep onderzoek verricht. Nadat via een DNA-onderzoek van het op die blouse aangetroffen bloed is vastgesteld dat het bloed van verdachte was, is dit bloed onderzocht op aanwezigheid van paroxetine. De conclusie van forensisch toxicoloog Dr. Pennings in zijn rapport van 6 mei 2013 is dat in het bloed een hoeveelheid paroxetine is aangetroffen die ligt boven de gedefinieerde ondergrens van de therapeutische waarde. Dat verdachte paroxetine had gebruikt voorafgaande aan de tenlastegelegde feiten neemt het hof op basis hiervan als uitgangspunt.

In hoger beroep is door forensisch psychiater en klinisch farmacoloog dr. Verkes onderzoek bij verdachte gedaan naar de bijwerking van agressie bij het gebruik van paroxetine. In zijn rapport van 30 januari 2012 concludeert hij dat de uitkomsten van het onderzoek de hypothese ondersteunen dat er bij betrokkene een verband bestaat tussen de inname van paroxetine en agressief gedrag. Hij geeft aan dat een aantal omstandigheden ten tijde van de delictssituatie die niet gerealiseerd konden worden tijdens het onderzoek, waaronder het gebruik van alcohol, de mate van provocatie en het stressniveau, de gevoeligheid van het optreden van agressie bij paroxetine ten tijde van de delicten versterkt zouden kunnen hebben. Uit het rapport komt naar voren dat verdachte weliswaar geagiteerd reageert op de dagen dat hij paroxetine heeft gebruikt maar dat hij slechts in één geval een duidelijk boze reactie geeft wanneer hij geprovoceerd wordt.

In zijn mondelinge toelichting ter zitting van het hof van 6 februari 2014 geeft Verkes aan dat hij tijdens het onderzoek geen acathisie heeft waargenomen bij verdachte. Hij is bekend met het verschijnsel als zodanig en zou dit herkend hebben indien dit zich tijdens het onderzoek had voorgedaan. Hij geeft voorts aan als zijn deskundige mening dat een dergelijke toestand alleen vastgesteld kan worden als men de persoon in kwestie zelf kan onderzoeken. Naar zijn mening is het niet mogelijk acathisie vast te stellen aan de hand van achteraf door de persoon in kwestie opgestelde verklaringen.

Door de verdediging is een rapport van drs. S.J.M. Eikelenboom-Schieveld, arts, forensisch medisch onderzoeker ingebracht dat op verzoek van de verdediging is gemaakt.

Met behulp van citaten van anderen komt zij tot een opsomming van symptomen die optreden bij acathisie. Dit zijn:

  • -

    innerlijke onrust, niet stil kunnen zitten, opgewondenheid die tot uitdrukking komt in bewegingsdrang;

  • -

    benen niet stil kunnen houden, niet in staat zijn een houding te kunnen aannemen;

  • -

    een gevoel van gespannenheid in lichaam en geest;

  • -

    angstige voorgevoelens, makkelijk te irriteren, algemeen onbehagen, diepe triestheid;

  • -

    ongerustheid, trillen, woede, angst;

  • -

    nare gevoelens in de toename van psychotische symptomen;

  • -

    agressieve gedachten en daden;

  • -

    seksuele honger;

  • -

    slecht concentratievermogen en herinnering.

Op verzoek van Eikelenboom-Schieveld heeft verdachte een verslag gemaakt van zijn beleving van die dag. Aan de hand hiervan en aan de hand van het dossier concludeert Eikelenboom-Schieveld het volgende:

“De dag voor de delicten is hij weer hevig onrustig en hij besluit een tweede paroxetine te nemen. De onrust blijft aanhouden en hij kan niet lang op één plek blijven. Hij gaat rond 23.00 uit het café weg en komt dan langs het huis van het mannelijke slachtoffer, waar hij de auto van zijn inmiddels ex-echtgenote ziet staan. Hij kan zich nog herinneren dat hij haar belde en tijdens het gesprek begon te trillen en schudden. Het eerste wat hij dan weer weet, is als hij bij een tankstation probeert te tanken. Dit lukt niet omdat hij de pincodes door elkaar haalt. Hij realiseert zich dan dat er overal bloed zit. Hij heeft het heet, trekt zijn jas uit en rijdt met open raam naar Duitsland. Later in Duitsland krijgt hij het heel erg koud.

De symptomen die verdachte hier beschrijft, wijzen in de richting van acute acathisie, het eerder in dit rapport beschreven toxisch delier dat ontstaat als bijwerking van psychoactieve stoffen en al sinds de jaren 50 bekend is.”

De informatie die hierboven voor de conclusie wordt gebruikt komt niet overeen met informatie die zich in het dossier bevindt. Zo hebben de mensen die die bewuste avond in het café contact hebben gehad met verdachte allen verklaard dat verdachte die avond geen opvallend gedrag vertoonde. Bij de politie heeft verdachte niet verklaard dat hij begon te trillen en te schudden toen hij zijn ex-vrouw belde. Toen hij zijn oomzegger [naam 1] om 00.23 uur belde (waarbij de zendmast in Buitenpost werd aangestraald) en later toen hij om 00.48 uur zijn zwager[naam 2] belde (waarbij de zendmasten in Midwolde en Zuidhorn werden aangestraald) heeft verdachte in grote lijnen verteld wat hij gedaan had. Van slecht herinneringsvermogen blijkt daaruit niet. (Weliswaar is [naam 1] toen hij later bij de rechter-commissaris is gehoord, op een deel van zijn bij de politie afgelegde verklaringen terug gekomen, maar op het punt van de inhoud van het telefoongesprek is hij bij zijn verklaring gebleven.)

Nu de hiervoor weergegeven conclusie van Eikelenboom-Schieveld met betrekking tot het waarschijnlijk aanwezig zijn van een toestand van acathisie gebaseerd is op onjuiste feiten kan hier verder geen gewicht aan worden toegekend. Te meer niet nu de door de deskundige gebruikte omstandigheden voor haar conclusie slechts een heel beperkt deel van de door de deskundige zelf beschreven symptomen betreft en de deskundige Verkes aangeeft dat een toestand van acathisie niet op basis van dergelijke beschrijvingen van de persoon in kwestie kan worden aangenomen.

Nu er verder geen enkele aanwijzing is voor het aanwezig zijn van een toestand van acathisie aan de hand van de door de deskundige beschreven symptomen en de verdediging zich voor het bestaan ervan baseert op bovenstaande bevindingen van Eikelenboom-Schieveld is het hof van oordeel dat het bestaan van een dergelijke toestand ten tijde van de tenlastegelegde feiten niet aannemelijk is geworden. Het hof kent daarbij gewicht toe aan het onderzoek van Verkes waar bij verdachte bij gebruik van paroxetine weliswaar verhoogde agressie is waargenomen na het gebruik van paroxetine, maar dat toen geen toestand van acathisie is waargenomen. Verder kent het hof gewicht toe aan de omstandigheid dat verdachte in september 2007 toen hij geen paroxetine had gebruikt een pistool op zijn ex-vrouw heeft gericht en daarmee agressief gedrag vertoonde.

Daar waar de gevoerde verweren van het bestaan van die toestand uitgaan worden zij dan ook verworpen en staan deze niet in de weg aan bewezenverklaring van opzet en voorbedachte raad.

Slechts de toestand van verdachte wanneer bij hem ieder inzicht in de reikwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan zou hebben ontbroken, kan leiden tot de conclusie dat het opzet heeft ontbroken. Een dergelijke toestand is niet aannemelijk geworden. De bewijsmiddelen voorzien in het overtuigende bewijs van opzet. Het hof zal het opzet bewezen verklaren.

Met betrekking tot de voorbedachte raad overweegt het hof het volgende.

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel "voorbedachte raad" moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.

Mede met het oog op het strafverzwarende gevolg dat dit bestanddeel heeft, moeten - anders dan wel uit eerdere rechtspraak van de Hoge Raad wordt afgeleid - aan de vaststelling dat de voor voorbedachte raad vereiste gelegenheid heeft bestaan, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter, in het bijzonder indien de voorbedachte raad niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt, daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven (vgl. HR 28 februari 2012, LJN BR2342, NJ 2012/518).

Verdachte heeft toen hij bij de woning van [slachtoffer 2] langs reed de auto van zijn ex-vrouw zien staan. Hij had het beeld voor ogen dat zij daar bij hem op de bank zat. Daarna is hij naar zijn woning gereden. Hij heeft vanuit zijn woning om 23.27 uur met [slachtoffer 3] gebeld en was toen volgens haar agressief en boos. Hij heeft een pistool en munitie gepakt en een voorhamer. Hij heeft het pistool in de auto geladen en is naar de woning van [slachtoffer 2] gereden die op ongeveer 1.2 kilometer afstand van verdachtes woning is gelegen. Met de voorhamer heeft hij getracht de deur te forceren. Toen dit niet lukte heeft hij zich, door een raam naast de deur kapot te schieten, de toegang tot de woning verschaft.

Om 23.59 uur begint de melding bij 112. Terwijl die verbinding openstaat wordt eerst gebonk en later een schot en tevens geschreeuw gehoord. Verdachte heeft bij het kapot schieten van het raam [slachtoffer 2] in diens scheenbeen geschoten. In de woning heeft verdachte [slachtoffer 2] in de romp en door het hoofd geschoten. Ook heeft hij op [slachtoffer 3] geschoten en haar aan haar arm en bovenlichaam verwond. Vervolgens is hij met het pistool naar de woning van [slachtoffer 1] in Kootstertille gereden en is onderweg gestopt om zijn pistool bij te laden. Hij heeft zich aldaar eveneens door middel van het inschieten van een raam de toegang tot de woning verschaft. De afstand tussen de woning van [slachtoffer 2] en die van [slachtoffer 1] is 5,7 kilometer. In die woning heeft hij tweemaal van dichtbij op
[slachtoffer 1] geschoten terwijl zij zich in de dakgoot bevond waar zij naar toe was gevlucht.

Uit het bovenstaande volgt dat er ongeveer een half uur verstrijkt na het gevoerde telefoongesprek voordat verdachte aanvangt met de uitvoering van de hem ten laste gelegde feiten. In dat half uur treft verdachte planmatig voorbereidingen voor hetgeen hij daarna gaat doen wat hij in eerder gedane uitlatingen had aangekondigd.

Het hof acht aannemelijk geworden dat verdachte boos was, maar acht niet aannemelijk geworden dat verdachte in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling handelde in die zin dat besluitvorming en uitvoering hebben plaatsgevonden in een plotselinge hevige drift die eraan in de weg heeft gestaan dat verdachte de consequenties van zijn daden kon overdenken en overzien. Ook van andere contra-indicaties voor het aannemen van voorbedachte raad is niet gebleken.

Verdachte heeft op de laatste zitting van het hof een verklaring afgelegd die afwijkt van zijn eerder afgelegde verklaringen. Het hof zal aan deze verklaring voorbijgaan nu hij eerder consistent en gedetailleerd heeft verklaard over de gebeurtenissen en het hof deze eerdere verklaringen geloofwaardig acht.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig bewezen en heeft het hof de overtuiging verkregen, dat verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

hij op 2 februari 2008, te Kootstertille, in de gemeente Achtkarspelen, opzettelijk en met

voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een pistool, kogels afgevuurd in de richting van het hoofd en in de richting van het lichaam van die [slachtoffer 1], en welke kogels vervolgens in het hoofd en in het lichaam van die [slachtoffer 1] zijn binnengedrongen, waardoor schotwonden en bloedverlies zijn ontstaan, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

2.

hij omstreeks 2 februari 2008, te Harkema, in de gemeente Achtkarspelen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een pistool meermalen een kogel heeft afgevuurd op die [slachtoffer 2] en waarbij die [slachtoffer 2] door een kogel in het hoofd en in het bovenlichaam en in het been is geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij omstreeks 2 februari 2008, te Harkema, in de gemeente Achtkarspelen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade

[slachtoffer 3] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een pistool meermalen een kogel heeft afgevuurd op die [slachtoffer 3] en waarbij die [slachtoffer 3] door een kogel in het bovenlichaam is geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1. bewezen verklaarde levert op:

moord.

Het onder 2. bewezen verklaarde levert op:

poging tot moord.

Het onder 3. bewezen verklaarde levert op:

poging tot moord.

Strafbaarheid van de verdachte

De omstandigheden die door de verdediging zijn aangevoerd met betrekking tot het verweer strekkende tot vrijspraak zijn, voor het geval het hof de conclusie niet volgt dat vrijspraak moet volgen, door de verdediging eveneens ten grondslag gelegd aan een beroep op ontslag van rechtsvervolging omdat de feiten niet aan verdachte kunnen worden toegerekend.

In hetgeen het hof hiervoor met betrekking tot het bewijs heeft overwogen heeft het hof het bestaan van acathisie niet aannemelijk geoordeeld. Er is uit de onderzoeken met betrekking tot het gebruik van paroxetine door verdachte geen informatie naar voren gekomen dat de invloed van het gebruik van paroxetine zodanig is geweest dat de feiten in het geheel niet aan verdachte kunnen worden toegerekend. Verdachte is strafbaar nu er ook overigens geen omstandigheden zijn gebleken of aannemelijk zijn geworden uit het onderzoek van het Pieter Baan Centrum naar de geestvermogens van verdachte, die verdachte niet strafbaar doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan moord en twee pogingen tot moord. Deze

delicten behoren tot de categorie van de zwaarste misdrijven die het Wetboek van Strafrecht

kent. Verdachte meende dat zijn ex-partner, [slachtoffer 3], een relatie was aangegaan met

een andere man, [slachtoffer 2], één van de latere slachtoffers, en had zich bovendien

in zijn hoofd gezet dat een vriendin van zijn ex-partner, het slachtoffer [slachtoffer 1], de

veroorzaker was van de relatiebreuk. Toen verdachte de auto van zijn ex-partner op de oprit

van de woning van [slachtoffer 2] zag, heeft hij een pistool en een voorhamer van huis gehaald en is daarmee de betreffende woning binnengedrongen. Hij heeft vervolgens diverse kogels afgevuurd op [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] die daarbij (levensgevaarlijk) gewond raakten. Dat het slachtoffer [slachtoffer 2] in leven is gebleven is volgens de ter zitting in eerste aanleg gehoorde forensisch geneeskundige een wonder. Hij zal voor de rest van zijn leven gehandicapt blijven. Nadat verdachte de woning van de eerste twee slachtoffers had verlaten, heeft hij [slachtoffer 1] in haar woning opgezocht en haar met zijn vuurwapen van het leven beroofd.

Het is moeilijk om zich een voorstelling te maken van de gruwelijke details van wat de

slachtoffers hebben moeten meemaken. Door middel van de opnames die door de meldkamer van de politie zijn gemaakt via de openstaande 112-lijn wordt een aangrijpende inkijk gegeven in de totale paniek en ontreddering bij de eerste twee slachtoffers toen verdachte met veel geweld en schietend de woning was binnengedrongen. Op dat moment was ook nog een kind van acht jaar, het zoontje van de slachtoffers [slachtoffer 2] en
[slachtoffer 1], in de woning aanwezig.

Het buitensporige geweld met gebruikmaking van een vuurwapen heeft deze slachtoffers

volkomen overdonderd en maakte hen bij voorbaat kansloos. Het slachtoffer [slachtoffer 1], dat reeds in bed lag, is naar het dak van haar woning gevlucht uit angst voor de gewelddadige confrontatie met verdachte. De laatste momenten van haar leven zijn afschuwelijk geweest.

De gevolgen van verdachtes optreden zijn enorm. Een kind van toen nog acht jaar heeft zijn moeder verloren en zijn vader is voor de rest van zijn leven gehandicapt. De ex-

partner van verdachte is gewond geraakt en zal in haar verdere leven veel hinder van deze

traumatische gebeurtenis ondervinden. De gemeenschappelijke kinderen zijn ten opzichte

van verdachte in een onmogelijke positie komen te verkeren met alle loyaliteitsconflicten

van dien. Dit alles omdat verdachte niet bereid was om op een adequate manier met de

relatieproblematiek om te gaan.

De nabestaanden van [slachtoffer 1] hebben in hun ter terechtzitting van het hof voorgelezen slachtofferverklaringen tot uitdrukking gebracht hoezeer zij hun kind en zus missen en op welke wijze zij proberen met dit grote gemis verder te leven. Daarbij hebben zij hun zorg over de gevolgen van deze zaak voor de zoon van [slachtoffer 1] eveneens beschreven.

[slachtoffer 2] heeft in de namens hem ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring aangegeven hoe groot de gevolgen voor hem en zijn zoon [slachtoffer 4] zijn. Door het doorschot in zijn hoofd is hij zijn rechter oog verloren, is zijn gezicht blijvend verminkt en heeft hij wegens verlies van hersenweefsel voor de rest van zijn leven ingrijpende beperkingen. Daarnaast heeft hij geen inkomsten meer uit arbeid en moet hij als gevolg van het overlijden van [slachtoffer 1] de opvoeding en zorg voor zijn zoon [slachtoffer 4] alleen dragen. Hij ziet zijn toekomst dan ook zwaar tegemoet.

Ook de slachtofferverklaring van [slachtoffer 3] geeft weer welke ernstige gevolgen de feiten voor haar en haar kinderen hebben.

Het hof zal hiermee rekening houden bij de op te leggen straf.

Verdachte heeft zich nog nooit eerder schuldig gemaakt aan geweldsdelicten en heeft een

blanco strafblad. Hoewel er sprake is van voorbedachte raad, moet de geweldsuitbarsting

geplaatst worden in het kader van een periode van moeizame relatieproblematiek. Verdachte

is onderzocht in het Pieter Baan Centrum en de conclusie was dat, hoewel sprake was een heftige, zij het niet zozeer pathologische aanpassingsstoornis met depressieve symptomen, verdachte ten tijde van de delicten volledig toerekeningsvatbaar was. Verder wordt bevonden dat ten tijde van het tenlastegelegde er verder sprake was van alcoholmisbruik, zonder dat hij daarbij beperkt was in zijn handelingsvrijheid.

Het onderzoek van forensisch psychiater en klinisch farmacoloog dr. Verkes heeft uitkomsten opgeleverd die de hypothese ondersteunen dat er bij verdachte verband bestaat tussen de inname van paroxetine en agressief gedrag. Verkes signaleert dat de verschillen in gedrag tussen (proef)dagen met en zonder paroxetine weliswaar statistisch significant maar tevens beperkt zijn. Tijdens het onderzoek hebben zich geen impulsdoorbraken voorgedaan op de dagen dat verdachte paroxetine had gebruikt. In een reactie op het door Verkes uitgevoerde onderzoek geeft hoogleraar gedragstoxicologie van geneesmiddelen en drugs, prof.dr. Ramaekers, in zijn verslag van 21 maart 2012 aan dat statistische significantie op zichzelf niets zegt over effectgrootte dan wel klinische relevantie van een gevonden verschil. Statistische significantie is een indicatie van de waarschijnlijkheid dat een gevonden verschil niet op toeval is gebaseerd (bv kans op toeval < 5%).

Volgens arts en klinisch farmacoloog dr. Loonen heeft het gebruik van paroxetine door verdachte voorafgaand aan de tenlastegelegde feiten mogelijk een rol gespeeld. In zijn rapport komt hij tot een verdergaande conclusie maar deze heeft hij aangepast tijdens de terechtzitting van het hof van 6 februari 2014. Na kennisname van de andere rapportages en hetgeen ter zitting verder werd besproken, gaf hij daar aan dat er ‘een gerede kans’ of ‘een behoorlijke kans’ is dat paroxetinegebruik één van de veroorzakende factoren is geweest van het gedrag van verdachte. Hij kon echter geen uitspraak doen over hoe sterk de invloed van paroxetine is geweest.

Dr. Ramaekers heeft op diezelfde zitting verklaard dat het ontremmende gebruik van alcohol door verdachte en de provocaties die verdachte ervoer in die nacht, naast de irritatie die wellicht opgeroepen werd door het middel paroxetine, bij verdachte een rol speelden.

Gebleken is dat binnen de wetenschap (inmiddels) overeenstemming bestaat dat enig verband tussen het gebruik van SSRI’s (waaronder paroxetine) en (auto)agressie niet kan worden uitgesloten. De gevallen waarin dit zich zou hebben voorgedaan zijn evenwel sterk casuïstisch van aard en het onderliggend mechanisme, indien aanwezig, wordt (nog) niet doorgrond. Van die casuïstiek bevat het door de verdediging onder de aandacht gebrachte artikel van Healy D, Herxheimer A, Menkes DB (2006) een 9-tal voorbeelden die exemplarisch zouden zijn voor door SSRI’s geïnitieerde geweldsuitbarstingen. Dit betreffen stuk voor stuk dramatische incidenten die zich niet met de onderhavige zaak laten vergelijken, omdat de daden van verdachte zich heel wel laten verklaren door andere oorzaken dan SSRI-gebruik.

Alles afwegend is het hof van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat het paroxetinegebruik van verdachte voorafgaand aan de delicten in een rechtens relevante mate heeft bijgedragen aan het feit dat verdachte deze heeft begaan, zodat bij de bepaling van de strafmaat met deze omstandigheid geen rekening zal worden gehouden. Een beslissing in het debat inzake ‘culpa in causa’ kan daarom achterwege blijven.

Het hof deelt niet de visie van de advocaat-generaal waar hij stelt dat verdachte koel en berekenend te werk is gegaan, terwijl de gevolgen voor de slachtoffers en nabestaanden hem nog steeds volstrekt koud zouden laten. Gelet op dit verschil in visie zal het hof de eis van de advocaat-generaal niet volgen en komt alles overwegende tot een gevangenisstraf overeenkomstig de duur zoals opgelegd door de rechter in eerste aanleg.

Schadevergoedingsmaatregel

Bij onherroepelijk arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken van dit hof van 3 mei 2011 is het vonnis van de rechtbank Leeuwarden van 7 oktober 2009 bevestigd waarbij verdachte werd veroordeeld tot betaling van schadevergoeding aan [slachtoffer 2] en aan
[slachtoffer 4]. Mr. Wijnberg heeft namens hen verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen en de advocaat-generaal heeft dit gevorderd. De door verdachte (bij wijze van voorschot) te betalen bedragen zijn als schadevergoeding aan [slachtoffer 2] € 75.000,-- en aan [slachtoffer 4] € 25.000,--. Daarnaast zijn de kosten voor vaststelling van de schade en de aansprakelijkheid voor [slachtoffer 5] bepaald op € 7.500,--.

Aangezien verdachte jegens voornoemde slachtoffers naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht en het belang van de slachtoffers ermee is gediend, zal het hof een schadevergoedingsmaatregel opleggen. De kosten van het geding komen niet voor toepassing van die schadevergoedingsmaatregel in aanmerking.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 57 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- pet met opschrift Harkemase Boys;

- MP3-speler;

- briefje met telefoonnummer van [slachtoffer 2];

- briefje met afspraken over de scheiding;

- blauwe poetsdoek met bloedsporen.

Schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2]

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2], een bedrag te betalen van € 75.000,-- (vijfenzeventigduizend euro) bestaande uit immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 255 dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 4]

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 4], een bedrag te betalen van € 25.000,-- (vijfentwintigduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 85 dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [slachtoffer 5]

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van [slachtoffer 5], een bedrag te betalen van € 7.500,-- (zevenduizend vijfhonderd euro) materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 25 dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Aldus gewezen door

mr. K. Lahuis, voorzitter,

mr. W. Foppen en mr. J. Hielkema, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.J. Schulte, griffier,

en op 10 april 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

De griffier is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.