Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:2922

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
08-04-2014
Datum publicatie
28-04-2014
Zaaknummer
200.132.099-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie. Behoefte, behoeftigheid, draagkracht en limitering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.132.099/01

(zaaknummer rechtbank Overijssel C/07/192484 / FZ RK 11-4402)

beschikking van de familiekamer van 8 april 2014

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. S. Vaupell, kantoorhoudend te Wolvega,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

verder te noemen: de vrouw,

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. W.P. Bouma, kantoorhoudend te Steenwijk.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 22 mei 2013, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in het principaal en het incidenteel hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift, ingekomen op 21 augustus 2013;

- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep, ingekomen op 1 oktober 2013;

- een verweerschrift in het incidenteel hoger beroep, 11 december 2013;

- een journaalbericht van 30 januari 2014 van mr. Vaupell met bijlagen, ingekomen op

31 januari 2014.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 10 februari 2014 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3 De vaststaande feiten

3.1

Het huwelijk van de man en de vrouw is op 28 augustus 2012 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

3.2

In de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Zwolle, van 20 juni 2012 is de beslissing met betrekking tot de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw aangehouden. De man had de rechtbank verzocht om deze bijdrage op € 500,- per maand te stellen en de vrouw had verzocht deze bijdrage op minimaal € 2.000,- bruto per maand te stellen.

3.3

Bij de uitvoerbaar bij voorraad verklaarde bestreden beschikking heeft de rechtbank bepaald dat de man met ingang van 7 mei 2013 een bijdrage aan de vrouw moet voldoen in de kosten van haar levensonderhoud van € 1.148,86 per maand.

4 De omvang van het geschil

4.1

In geschil is de bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud van de vrouw.

4.2

De man is met twee grieven in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van

22 mei 2013. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen.

4.3

De vrouw is op haar beurt met één grief in incidenteel hoger beroep gekomen. De grief ziet op de behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man.

4.4

Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep gezamenlijk beoordelen.

4.5

De geschilpunten tussen partijen betreffen:

● de behoefte van de vrouw;

● de behoeftigheid van de vrouw;

● de draagkracht van de man, en wel op de volgende punten:

○ het inkomen van de man;

○ de huuropbrengsten;

● de limitering van de alimentatieduur.

5 De motivering van de beslissing

De behoefte van de vrouw

5.1

Partijen twisten over de hoogte van het gezamenlijk gezinsinkomen ten tijde van het uiteengaan van partijen en welke inkomstenposten zouden moeten worden meegenomen bij de berekening van dit inkomen.

5.2

De vrouw is van mening dat de rechtbank haar behoefte ten onrechte op een bedrag van € 1.440,- per maand heeft gesteld. De vrouw stelt dat er bij de vaststelling van het netto gezinsinkomen, naast de inkomsten die de man ontving uit loondienst en vanuit het bedrijf van de man, ook moet worden gerekend met de inkomsten van de man uit DJ-activiteiten en de (huur)opbrengsten uit het onroerend goed van de man. Deze inkomsten waren er volgens de vrouw al ten tijde van het huwelijk en daar leefden partijen ruim van. Gelet hierop is de vrouw van mening dat de door de rechtbank becijferde behoefte te laag is en dat deze minimaal € 2.000,- bruto per maand moet bedragen.

De man betwist de stellingen van de vrouw.

5.3

Het hof zal de twee inkomstenposten waarover partijen twisten afzonderlijk bespreken.

De inkomsten uit DJ-activiteiten

5.4

De vrouw heeft de inkomsten die de man tijdens hun huwelijk ontving met het verrichtten van DJ-activiteiten geschat op € 400,- á € 500,- per maand. Zij heeft ter onderbouwing van haar standpunt een groot aantal e-mails, flyers, internetpagina's en krantenartikelen of advertenties in het geding gebracht. De vrouw stelt dat zij niet in staat is om financiële stukken met betrekking tot de door de man verrichtte DJ-activiteiten in het geding te brengen omdat zij deze niet in haar bezit heeft.

5.5

De man heeft de stelling van de vrouw enkel ontkend. Hij stelt dat hij één- á tweemaal per jaar een feest opluistert als DJ en dat hij dit alleen hobbymatig en via kennissen doet. De man ontkent uitdrukkelijk dat hij voor het verrichtten van DJ-activiteiten betaald wordt. Dat gebeurde volgens de man in het verleden ook niet en dat de man het door de vrouw genoemde bedrag aan inkomsten per maand ontving of ontvangt wordt door de man dan ook pertinent ontkend.

5.6

Naar het oordeel van het hof heeft de man onvoldoende gemotiveerd betwist dat hij inkomsten genereert met het verrichten van DJ-activiteiten. De man heeft het onderbouwde standpunt van de vrouw enkel ontkend. Hij heeft zijn eigen standpunt dat hij geen inkomsten genereert met zijn DJ-activiteiten niet nader onderbouwd door bijvoorbeeld het in het geding brengen van zijn belastingaangiftes of verklaringen van derden, zoals exploitanten van de gelegenheden waar hij volgens de door de vrouw in het geding gebrachte stukken als DJ zou optreden, dat hij dit zonder vergoeding heeft gedaan, terwijl dit wel op zijn weg had gelegen. Het hof zal bij de berekening van het netto gezinsinkomen dan ook rekening houden met een bedrag van € 400,- aan netto inkomsten van de man uit DJ-activiteiten.

De huuropbrengsten van de bedrijfshal

5.7

De vrouw stelt dat bij de berekening van het netto gezinsinkomen ook rekening moet worden gehouden met het bedrag dat de man aan huuropbrengsten uit de bedrijfshal ontving. Volgens de man dient bij de bepaling van de behoefte van de vrouw geen rekening te worden gehouden met de inkomsten uit de hal. De man stelt dat hij de bedrijfshal onder uitsluiting heeft geërfd en dat daardoor de verhuuropbrengsten van de hal ook niet tot de gezamenlijke inkomsten behoorden en niet in de gemeenschap vielen.

5.8

Het hof overweegt hieromtrent dat het feit dat de man het eigendom van de bedrijfshal onder uitsluiting heeft verkregen niet betekent dat de inkomsten die de man uit de verhuur van deze bedrijfshal genereert, vanwege de uitsluiting, niet bij de bepaling van de welstand ten tijde van het huwelijk van partijen betrokken kan worden.

Uit de stukken blijkt voorts dat de huuropbrengsten van de bedrijfshal in de jaren 2005 tot en met 2009 op de gezamenlijke rekening van partijen is gestort. Hieruit leidt het hof af dat de huuropbrengsten zijn gebruikt voor de gemeenschappelijke huishouding. Het hof zal bij de berekening van het netto gezinsinkomen van partijen dan ook rekening houden met de huuropbrengsten.

5.9

Uit de stukken blijkt dat er in de periode van januari 2006 tot juli 2009, zijnde 43 maanden, door partijen een bedrag van € 37.500,- aan huuropbrengsten op de gezamenlijke rekening is ontvangen. Het hof zal bij de berekening van het netto gezinsinkomen van partijen derhalve rekening houden met een bedrag van (€ 37.500,- / 43 =) € 872,- per maand aan huuropbrengsten.

Het netto gezinsinkomen

5.10

Het hof stelt het volgende voorop. De hoogte van behoefte van de vrouw is mede gerelateerd aan de welstand tijdens het huwelijk. Bij de bepaling van de hoogte van de behoefte dient rekening te worden gehouden met alle relevante omstandigheden. Dit betekent dat de rechter zowel in aanmerking zal moeten nemen wat de inkomsten tijdens de laatste jaren van het huwelijk zijn geweest als een globaal inzicht zal moeten hebben in het uitgavenpatroon in dezelfde periode om daaruit te kunnen afleiden in welke welstand partijen hebben geleefd. De hoogte en de aard van zowel de inkomsten als de uitgaven geven immers een aanwijzing voor het niveau waarop de onderhoudsgerechtigde na de beëindiging van het huwelijk wat de kosten van levensonderhoud betreft in redelijkheid aanspraak kan maken. Ook (de mogelijkheid van) vermogensvorming zal in beginsel - afhankelijk van de omstandigheden - bijdragen tot het oordeel dat echtelieden in een bepaalde welstand hebben geleefd. De behoefte zal daarnaast zo veel mogelijk aan de hand van concrete gegevens betreffende de reële of de met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud door de rechter worden bepaald. In hoeverre de vaste lasten en de overige, globaal te schatten, uitgaven of reserveringen voor te verwachten lasten van de onderhoudsgerechtigde redelijk zijn, zal mede beoordeeld moeten worden naar de mate van welstand zoals deze door de rechter op vorenbedoelde wijze is vastgesteld.

5.11

Het gezamenlijk gezinsinkomen aan het einde van het huwelijk dat door beide partijen werd verdiend, ongeveer € 3.672,- netto per maand inclusief vakantietoeslag (bestaande uit het netto inkomen van de man ad € 1.800,- + het netto inkomen van de vrouw ad € 600,- + de inkomsten van de man uit DJ-activiteiten ad € 400,- + de huuropbrengsten ad € 872,-), geeft een aanwijzing voor die welstand. Omdat een huishouding van een alleenstaande relatief duurder is dan van iemand die samenwoont, kan de behoefte van de vrouw gesteld worden op 60% van dit bedrag, ofwel € 2.203,- netto per maand.

De behoeftigheid van de vrouw

5.12

De man stelt dat de vrouw in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. De vrouw dient volgens de man in staat te worden geacht meer uren te gaan werken via haar werkgever, Thuiszorg Service Nederland. Daarnaast zou zij inkomsten (kunnen) genereren uit de [handelsonderneming] (hierna te noemen: [handelsonderneming]), die zij bij de boedelverdeling toebedeeld heeft gekregen. Volgens de man was het de intentie van de vrouw om daarmee inkomsten te gaan verwerven. De man meent dat met deze inkomsten eveneens rekening moet worden gehouden bij het vaststellen van de behoefte van de vrouw aan een bijdrage van de man. De man schat deze inkomsten op ongeveer € 400,- per maand. De man meent dat hij derhalve een bedrag aan de vrouw dient te voldoen ad € 266,34, zijnde de resterende behoefte van de vrouw aan een bijdrage van de man in de kosten van haar levensonderhoud.

5.13

De vrouw betwist de stellingen van de man. Zij stelt dat het voor haar niet mogelijk is om een uitbreiding van haar contracturen te krijgen bij haar huidige werkgever. Tevens zorgt de onregelmatigheid van haar diensten ervoor dat de vrouw er niet zomaar een andere baan naast kan nemen. De vrouw stelt dat zij zorg verleent op verschillende adressen en op verschillende en ongebruikelijke tijden, wat maakt dat zij per saldo meer tijd kwijt is dan haar 15 contracturen. De vrouw is zuinig op haar vaste contract en elders solliciteren geeft volgens haar niet meer vastigheid of inkomen. Daar komt bij dat de vrouw lange tijd de zorg voor de kinderen heeft gehad, weinig tot geen opleiding heeft genoten en derhalve een zekere achterstand tot de arbeidsmarkt heeft.

De vrouw betwist niet dat zij bij de boedelverdeling [handelsonderneming] toebedeeld heeft gekregen. De vrouw stelt dat zij deze toebedeling onder andere heeft voorgesteld om de verdeling in evenwicht te krijgen. Het uitvoeren van werkzaamheden vanuit [handelsonderneming] blijkt voor de vrouw echter niet mogelijk te zijn. De vrouw deed tijdens het huwelijk van partijen de administratie en bestellingen voor het bedrijf en de man deed het technische werk. De vrouw stelt dat het niet rendabel voor haar is om personeel in dienst te nemen om het technische werk uit te voeren vanwege de geringe omzet en omvang van [handelsonderneming], temeer nu de man vrij vlot na zijn vertrek een soortgelijk bedrijf is gestart in Willemsoord en het telefoonnummer van [handelsonderneming] - zonder overleg - heeft meegenomen, waardoor hij feitelijk ook alle klanten heeft meegenomen. De vrouw betwist dan ook dat zij inkomsten genereert met [handelsonderneming].

5.14

Aan het hof ligt de vraag voor of van de vrouw in redelijkheid gevergd kan worden geheel of voor een groter deel in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Het hof zal de twee inkomstenposten waarover partijen twisten afzonderlijk bespreken.

De inkomsten van de vrouw vanuit loondienst

5.15

Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw voldoende aannemelijk gemaakt dat zij bij haar huidige werkgever geen mogelijkheden heeft om haar contracturen uit te breiden. Gezien de leeftijd van de vrouw (zij is thans 53 jaar), haar opleidingsniveau, werkervaring en de situatie op de arbeidsmarkt, is naar het oordeel van het hof daarnaast niet te verwachten dat zij binnen afzienbare tijd in staat zal zijn om meer inkomsten uit arbeid te verwerven bij een andere werkgever. Daarbij kan, gelet op de huidige economische situatie en de grote werkloosheid, van de vrouw niet verwacht worden dat zij haar vaste contract bij haar huidige werkgever opzegt om op basis van een tijdelijk contract elders werkzaamheden te gaan verrichten. Ook de kans dat de vrouw in staat is om via een "bijbaan" extra inkomsten te generen acht het hof gelet op hetgeen hiervoor is gesteld erg klein. De vrouw is gelet op haar arbeidsuren alleen op de vrijdag en zaterdag beschikbaar om andere arbeid te verrichten en zal bij het zoeken naar betaalde arbeid op deze dagen concurrentie hebben van veel goedkopere arbeidskrachten.

De inkomsten van de vrouw uit [handelsonderneming]

5.16

Het hof acht aannemelijk dat de vrouw [handelsonderneming] tijdens de boedelverdeling toebedeeld heeft gekregen om de verdeling in evenwicht te krijgen. De vrouw heeft onbetwist gesteld dat zij tijdens het huwelijk van partijen alleen de administratie en bestellingen van [handelsonderneming] verzorgde. Zij heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij niet in staat is om de onderneming in haar eentje draaiende te houden wegens gebrek aan technische kennis, dat er nauwelijks inkomsten uit het bedrijf worden gegenereerd en dat zij de onderneming gaat beëindigen.

5.17

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de rechtbank het juiste inkomen van de vrouw als uitgangspunt heeft genomen bij de berekening van haar behoefte aan een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud door de man.

5.18

Nu de vrouw slechts verweer heeft gevoerd tegen de stellingen van de man in hoger beroep en niet zelfstandig een grief heeft gericht tegen de door de rechtbank vastgestelde behoefte van de vrouw aan een bijdrage van de man in de kosten van haar levensonderhoud, en het hof niet heeft verzocht om aan de man een hogere bijdrage op te leggen, zal het hof de door de rechtbank becijferde behoefte van de vrouw aan een bijdrage van de man in de kosten van haar levensonderhoud van € 666,34 netto per maand en € 1.148,86 bruto per maand in de verdere beschikking als uitgangspunt nemen.

De draagkracht van de man

* Het inkomen van de man

5.19

De man stelt dat hij over de jaren 2010 en 2011 een redelijk inkomen had maar dat zijn inkomen in 2013 een stuk lager is. De man stelt dat zijn werkgever is getroffen door de economische crisis, dat vanaf november 2012 er geen bonussen meer worden verstrekt en dat het salaris van de man is gedaald met € 400,- bruto per maand ten opzichte van augustus 2012. De man is daarnaast zelfstandig ondernemer en had in 2012 een verlies van € 905,-. De rechtbank is uitgegaan van het gemiddelde inkomen van de man in de laatste drie jaar en dat is naar de mening van de man in verband met de crisis niet reëel. De man meent dat van hem niet gevergd kan worden dat hij tijdens deze crisis het door de rechtbank vastgestelde bedrag aan partneralimentatie aan de vrouw dient te betalen in verband met het feit dat zijn inkomen aanzienlijk lager is geworden.

5.20

De vrouw stelt dat de man nalaat om concreet aan te tonen dat zijn inkomen daadwerkelijk achteruit is gegaan. Bij gebreke van bewijzen dat de man geen provisie meer ontvangt zal hiermee, dan wel met een gemiddelde daarvan, gerekend moeten worden volgens de vrouw. Ten aanzien van de bonussen ligt het volgens de vrouw op de weg van de man om hieromtrent verifieerbare gegevens te verstrekken bij gebreke waarvan er niet meegegaan mag en kan worden met de algemeen geformuleerde stellingen van de man.

5.21

Het hof is van oordeel dat de rechtbank bij de berekening van de draagkracht van de man voor wat betreft het inkomen van de man op juiste gronden is uitgegaan van een gemiddeld inkomen, gebaseerd op de inkomsten van de man in de afgelopen drie jaar, nu de provisie die de man ontvangt wisselt. De man heeft onvoldoende aangetoond dat een aldus berekend inkomen niet representatief zou zijn. Ook ten aanzien van de verdiensten van de man vanuit zijn eigen onderneming is de rechtbank terecht van een gemiddelde over drie jaar uitgegaan. Daarbij merkt het hof op dat de man ter zitting heeft aangegeven dat de reden waarom hij thans nog geen winst maakt met zijn onderneming gelegen is in het feit dat hij veel investeringen heeft gedaan en niet in het feit dat zijn klantenbestand terugloopt.

De rechtbank is uitgegaan van het inkomen van de man in de jaren 2010, 2011 en 2012 terwijl het hof, indien het de draagkracht van de man thans zou gaan berekenen, uit zou gaan van het inkomen van de man in de jaren 2011, 2012 en 2013 en derhalve iets lager zou uitkomen.

* De inkomsten uit DJ-activiteiten

5.22

De vrouw heeft gesteld dat bij het inkomen van de man ook rekening moet worden gehouden met de inkomsten die de man genereert met het verrichten van DJ-activiteiten. Zoals hiervoor onder het kopje "De behoefte van de vrouw" reeds is aangegeven zal het hof bij de inkomsten van de man rekening houden met een netto bedrag van € 400,- aan bijverdiensten, nu de man de goed onderbouwde stellingen van de vrouw onvoldoende gemotiveerd heeft betwist.

* De huuropbrengsten

5.23

Daarnaast stelt de vrouw dat bij het inkomen van de man rekening moet worden gehouden met de huuropbrengsten uit de verhuur van het bedrijfspand. De man heeft dit betwist.

Het hof is van oordeel dat er bij de inkomsten van de man wel rekening moet worden gehouden met de verhuuropbrengsten nu vast staat dat de man het bedrijfspand verhuurt en hier inkomsten mee genereert. De man heeft geen stukken in het geding gebracht waaruit het hof de huidige huuropbrengsten kan afleiden, zodat het hof aansluiting zal zoeken bij de huuropbrengsten ten tijde van het uitgaan van partijen, zijnde € 872,- per maand.

5.24

Gelet op het bovenstaande zal het hof geen nieuwe draagkrachtberekening voor de man opstellen nu de lagere inkomsten uit loondienst en vanuit het bedrijf van de man worden gecompenseerd door de verdiensten van de man vanuit de door hem verrichtte DJ-activiteiten en de huuropbrengsten. Het hof acht de man dan ook in staat om het door de rechtbank vastgestelde bedrag van € 1.1486,86 per maand aan de vrouw te betalen als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud.

De limitering van de alimentatie duur

5.25

De man is van mening dat de vrouw in staat moet worden geacht zelf haar verdiencapaciteit te vergroten in de komende vijf jaar en verzoekt het hof om de duur van de alimentatieverplichting te limiteren. De man stelt dat de vrouw en hij al sinds 2009 gescheiden leven en dat hij sinds die tijd een bijdrage aan de vrouw betaalt voor haar levensonderhoud.

De vrouw is van mening dat er geen aanleiding is om de alimentatieduur te limiteren.

5.26

Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank het verzoek van de man om limitering van de alimentatieduur op terechte gronden afgewezen. Op grond van artikel 1:157 lid 4 BW is uitgangspunt dat de onderhavige onderhoudsverplichting van rechtswege eindigt na het verstrijken van een termijn van twaalf jaren na inschrijving van de echtscheidings-beschikking in de registers van de burgerlijke stand. Het derde lid van dat artikel geeft de rechter de bevoegdheid om op verzoek van één van de echtgenoten voorwaarden te verbinden aan de alimentatieverplichting en/of de duur ervan te limiteren.

5.27

Een zodanige rechterlijke limitering heeft een definitief karakter in die zin dat het de aanspraken van de onderhoudsgerechtigde - behoudens het in artikel 1:401 lid 2 BW omschreven uitzonderlijke geval - definitief doet eindigen na afloop van de gestelde termijn. Om die reden worden er hoge eisen gesteld aan de motivering van zo'n (verzoek tot) limitering. In het algemeen is vaststelling van de onderhoudsverplichting voor een bepaalde termijn redelijk indien met voldoende zekerheid en op goede gronden mag worden verwacht dat de onderhoudsgerechtigde na afloop van de voor de alimentatie bepaalde termijn op voor haar passende wijze in haar eigen levensonderhoud zal kunnen voorzien.

5.28

In het onderhavige geval ziet het hof geen aanleiding de duur van de onderhouds-verplichting te limiteren als door de man bepleit. Het hof is van oordeel dat de man onvoldoende heeft onderbouwd waarom na vijf jaren een definitief einde dient te worden gemaakt aan het recht op levensonderhoud van de vrouw. Ook overigens ziet het hof in de feiten en omstandigheden van het geval geen grond voor limitering van de onderhoudsverplichting.

6 De slotsom

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen onder aanvulling van gronden.

7 De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 22 mei 2013 onder aanvulling van gronden;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.H. Garos, voorzitter, mr. I.A. Vermeulen en

mr. D.J. Buijs, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 8 april 2014 in bijzijn van de griffier.