Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:2897

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
08-04-2014
Datum publicatie
18-04-2014
Zaaknummer
13/00962
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2013:2178, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Vergrijpboete. Afkoopsom lijfrentepolis niet verantwoord. Opzet ?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-0904 met annotatie van Fiscaal up to Date
V-N Vandaag 2014/781
V-N 2014/39.4
mr. D.N.N. Jansen annotatie in NTFR 2014/2318

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Zittingsplaats Arnhem

nummer 13/00962

uitspraakdatum: 8 april 2014

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

mr. drs. [X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

en het incidentele hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Leeuwarden (hierna: de Inspecteur).

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 8 augustus 2013 nummer AWB 11/4016

in het geding tussen belanghebbende en de Inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

Aan belanghebbende is voor het jaar 2006 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 603.026 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 109.863. De Inspecteur heeft bij beschikking een vergrijpboete opgelegd van € 42.640. Voorts is heffingsrente in rekening gebracht.

1.2

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de aanslag, de boetebeschikking en de beschikking heffingsrente gehandhaafd.

1.3

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Leeuwarden die het beroep ter behandeling heeft doorgezonden naar de rechtbank Arnhem. De rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) heeft als opvolger van de rechtbank Arnhem het beroep bij uitspraak van 8 augustus 2013 ongegrond verklaard voor zover het de vastgestelde aanslag en de beschikking heffingsrente betreft en gegrond voor zover het de boetebeschikking betreft, in zoverre de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de boete verminderd tot € 18.122.

1.4

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld voor zover deze de vastgestelde boete betreft.

1.5

De Inspecteur heeft in zijn verweerschrift incidenteel hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft aangegeven het incidentele hoger beroep van de Inspecteur niet afzonderlijk te hoeven beantwoorden.

1.6

Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.7

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 februari 2014 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende alsmede drs. [A] namens de Inspecteur.

1.8

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende heeft in het verleden een lijfrentepolis afgesloten. Hij heeft de verzekeraar in 2006 verzocht de polis af te kopen en een uitkering ineens te doen (hierna: de afkoopsom). De verzekeraar heeft bij brief van 12 juni 2006 aan belanghebbende kenbaar gemaakt dat een afkoopsom van € 164.000 zal worden betaald en dat daarvan mededeling zal worden gedaan aan de Belastingdienst. Belanghebbende heeft de afkoopsom op 30 juni 2006 ontvangen.

2.2

In het jaar 2007 werd de eigen woning van belanghebbende en zijn echtgenote langdurig verbouwd. Zij verbleven in die periode van verbouwing elders.

2.3

In de loop van 2007 hebben belanghebbende en de Inspecteur gecorrespondeerd over de belastbaarheid in 2005 van een door belanghebbende in dat jaar ontvangen afkoopsom met betrekking tot een polis van lijfrente van € 14.985. De Inspecteur heeft ter zake daarvan het aangegeven inkomen gecorrigeerd en de aanslag IB/PVV 2005 is door belanghebbende in november 2007 ontvangen. Belanghebbende heeft nadien de Inspecteur erop gewezen dat bij het opleggen van die aanslag ten onrechte revisierente in rekening is gebracht. De Inspecteur heeft op grond daarvan de aanslag voor 2005 verminderd.

2.4

Belanghebbende heeft op 26 oktober, 3 december en 12 december 2007 contact gehad met zijn belastingadviseur en hem de gegevens verstrekt die hij had verzameld ten behoeve van het samenstellen van de aangifte IB/PVV voor 2006. De afkoopsom is daarbij niet ter sprake gekomen, noch heeft belanghebbende gegevens daarover aan zijn adviseur verstrekt. De adviseur heeft op 13 november 2007 om aanvullend uitstel verzocht voor het doen van aangifte omdat de zogenoemde DigiD-codes van belanghebbende waren zoekgeraakt. De aangifte voor het jaar 2006 is uiteindelijk 31 januari 2008 digitaal ingediend.

2.5

Bij het opleggen van de aanslag IB/PVV voor 2006 heeft de Inspecteur het aangegeven belastbare inkomen uit werk en woning van € 403.742 gecorrigeerd met € 35.284 meer inkomsten uit arbeid (commissariaat; ingehouden loonheffing € 17.997) en de afkoopsom van € 164.000, en vastgesteld op € 603.026. De Inspecteur heeft de boetegrondslag als bedoeld in artikel 67d, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR) vastgesteld op de geheven belasting over een bedrag van € 164.000.

2.6

De Rechtbank heeft met betrekking tot de afkoopsom bewezen geacht dat belanghebbende die afkoopsom bewust niet aan zijn belastingadviseur heeft doorgegeven zodat die niet in zijn aangifte zou worden opgenomen en dat belanghebbende bewust de kans heeft aanvaard dat daardoor te weinig belasting zou worden geheven. Dit rechtvaardigt in beginsel een boete van 50 percent. Op grond van persoonlijke omstandigheden van belanghebbende heeft de Rechtbank de boete gematigd tot 25 percent van de boetegrondslag. In verband met een overschrijding van de redelijke termijn heeft de Rechtbank de boete verder verminderd met 15 percent.

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In hoger beroep is nog in geschil of belanghebbende ter zake van de afkoopsom kan worden verweten dat hij opzettelijk een onvolledige en dus onjuiste aangifte heeft gedaan.

3.2

Belanghebbende stelt, samengevat en zakelijk weergegeven, dat hij ervan op de hoogte was dat de afkoopsom tot zijn belastbare inkomen uit werk en woning behoorde. Door persoonlijke omstandigheden in 2007, waaronder de uithuizigheid in verband met de verbouwing, stond hij echter in de periode waarin aangifte moest worden gedaan onder hoge spanning. De afkoopsom is hem, bij het verzamelen van de gegevens voor het doen van de aangifte en bij het controleren daarvan, ontschoten. Hij stelt dat hem, desnoods ernstige, slordigheid mag worden verweten bij het bijhouden van zijn administratie en het verzamelen van gegevens, maar niet dat zijn opzet gericht was op het doen van een onjuiste aangifte. Hij wijst erop dat hij ook de gegevens met betrekking tot zijn grootste commissariaat (zowel de inkomsten als de ingehouden loonheffing) niet in de aangifte heeft vermeld omdat die hem waren ontschoten. Als die slordigheden moeten leiden tot een boete dan zal hij dat accepteren. Hij is niet in hoger beroep gekomen vanwege het door de Rechtbank vastgestelde bedrag van de boete maar vanwege de door de Rechtbank daarbij gebezigde kwalificatie van opzet. Hij heeft geen enkele intentie om belasting te ontduiken; hij heeft geen kinderen en zijn inkomen en vermogen zijn toereikend voor een aangenaam leven.

3.3

De Inspecteur stelt dat sprake is van (voorwaardelijk) opzet en dat de Rechtbank ten onrechte aan de door belanghebbende gestelde persoonlijke omstandigheden de gevolgtrekking heeft verbonden dat de boete moet worden gehalveerd.

3.4

Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.5

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en, naar het Hof begrijpt, vernietiging van de boete danwel handhaving van de door de Rechtbank vastgestelde boete onder wijziging van de kwalificatie van hetgeen hem verweten wordt in grove schuld.

3.6

De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank omdat naar zijn mening geen plaats is voor een matiging van de boete op grond van persoonlijke omstandigheden.

4 Beoordeling van het geschil

4.1

Op grond van artikel 67d, eerste lid, van de AWR, is sprake van een vergrijp ter zake waarvan de inspecteur een boete kan opleggen van ten hoogste 100 percent van de zogenoemde boetegrondslag indien het – kort gezegd – aan opzet van de belastingplichtige is te wijten dat de aangifte onjuist of onvolledig is gedaan. Het Hof merkt op dat, anders dan waarvan in de toelichting op paragraaf 25 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 wordt uitgegaan en anders dan de Rechtbank heeft geoordeeld, in die bepaling het bestanddeel dat daardoor te weinig belasting wordt geheven, niet is opgenomen. Dat het bedrag dat niet zou zijn geheven de grondslag vormt voor de op te leggen boete doet daaraan niet af.

4.2

Het is niet in geschil dat de aangifte IB/PVV van belanghebbende voor het jaar 2006 onvolledig is gedaan.

4.3

In het standpunt van belanghebbende ligt besloten dat hij erkent dat hij onzorgvuldig te werk is gegaan bij het verzamelen van de gegevens die hij heeft overhandigd aan zijn belastingadviseur voor het doen van de aangifte IB/PVV voor 2006 en dat hij het concept van die aangifte, alvorens die door de belastingadviseur namens hem digitaal werd ingediend, onvoldoende heeft gecontroleerd.

4.4

Het verwijt dat belanghebbende aldus kan worden gemaakt kan echter niet worden gekwalificeerd als opzet, gericht op het onjuist doen van de aangifte. Het kan voorts slechts dan worden gekwalificeerd als daarop gericht voorwaardelijk opzet indien het niet verstrekken van de gegevens omtrent de afkoop en het onvoldoende controleren van het concept van de aangifte niet alleen de aanmerkelijke kans in het leven riep dat de aangifte onjuist zou zijn maar ook dat belanghebbende wetenschap had van die aanmerkelijke kans en dat hij die kans bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).

4.5

Op de Inspecteur rust de last feiten en omstandigheden te stellen en bij betwisting daarvan aannemelijk te maken op grond waarvan kan worden geoordeeld dat belanghebbende opzet of voorwaardelijk opzet, gericht op het doen van een onvolledige en dus onjuiste aangifte, kan worden verweten. Het moet daarbij gaan om feiten en omstandigheden ten tijde van het doen van de aangifte. De door de Inspecteur geschetste fiscale problemen in andere belastingjaren dan het onderhavige kunnen in beginsel niet bijdragen tot het van de Inspecteur verlangde bewijs. Van dezelfde situatie die zich meer jaren onveranderd voordoet, is in dit geval geen sprake.

4.6

Feiten waaruit het opzet van belanghebbende kan worden afgeleid zijn gesteld noch gebleken. Belanghebbende heeft weliswaar erkend dat hij wist dat de afkoopsom belast was en in de aangifte had moeten worden opgenomen, doch hij heeft daarbij gesteld dat het feit dat dit niet is geschied is veroorzaakt door een hem verwijtbare grove slordigheid. Dat belanghebbende zich bewust is geweest van een kans dat hij een onvolledige aangifte deed door zijn wijze van bewaren en verzamelen van gegevens en communiceren met zijn belastingadviseur wil het Hof nog wel aannemen, maar dat hij zich ervan bewust was dat die kans aanmerkelijk was en dat hij die aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen) volgt uit de gestelde feiten en omstandigheden niet noodzakelijkerwijs. Dat zou er immers op neerkomen dat, indien belanghebbende zich ten tijde van het doen van de aangifte bewust zou zijn geweest van het feit dat op dit punt zijn aangifte onvolledig was, hij niettemin er op dat moment bewust voor zou hebben gekozen de aangifte toch ongewijzigd te (laten) doen. Gelet op de redelijke twijfel die daarover bij het Hof bestaat, welke twijfel mede is ingegeven door de persoon van belanghebbende en de verklaringen die hij ter zitting heeft afgelegd, is het Hof van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat het aan opzet of voorwaardelijk opzet van belanghebbende is te wijten dat de aangifte onvolledig is gedaan.

4.7

Voor dat geval kan niet anders worden geoordeeld dan dat voor het, met toepassing van artikel 67d van de AWR opleggen van een boete, geen plaats is.

slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond. Het incidentele hoger beroep van de Inspecteur is ongegrond.

5 Kosten

Kosten die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen zijn niet gesteld of gebleken.

6 Beslissing

Het Gerechtshof

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover deze de vermindering van de boete betreft,

– vernietigt de boetebeschikking,

– bevestigt de uitspraak van de Rechtbank voor het overige,

– gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht van € 118 vergoedt in verband met het hoger beroep bij het Gerechtshof.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.P.M. Kooijmans, voorzitter, mr. J. van de Merwe en mr. R.A.V. Boxem, in tegenwoordigheid van mr. A. Vellema als griffier.

De beslissing is op 8 april 2014 in het openbaar uitgesproken.

De griffier is verhinderd deze uitspraak mede te ondertekenen.

De griffier De voorzitter,

(A. Vellema)

(J.P.M. Kooijmans)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 8 april 2014

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer)

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.