Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:2896

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
08-04-2014
Datum publicatie
18-04-2014
Zaaknummer
12/00691 en 12/00692
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBARN:2012:2285, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:561
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Aankoop boerderij. Eigen woning?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-0933
PFR-Updates.nl 2014-0084
V-N Vandaag 2014/804
V-N 2014/30.2.2
Mr. A.J.M. Arends annotatie in NTFR 2014/1476

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem

nummers 12/00691 en 12/00692

uitspraakdatum: 8 april 2014

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] (hierna: belanghebbende),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 25 oktober 2012, nummers AWB 11/5000 en AWB 11/5002, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor [M] (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is over het jaar 2007 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 243.559. Tevens is een vergrijpboete van € 1.061 opgelegd. Verder is een bedrag van € 591 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2.

De Inspecteur heeft bij vermindering van 5 februari 2011 de vergrijpboete vernietigd.

1.3.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2008 een aanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 263.112. Tevens is een bedrag van € 1.642 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.4.

De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van
18 oktober 2011 de navorderingsaanslag IB/PVV 2007, de aanslag IB/PVV 2008 en de daarmee samenhangende beschikkingen heffingsrente gehandhaafd.

1.5.

Belanghebbende is tegen de uitspraken van de Inspecteur in beroep gekomen. De rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank) heeft bij uitspraak van 25 oktober 2012 de beroepen inzake de navorderingsaanslag IB/PVV 2007, de aanslag IB/PVV 2008 en de daarmee samenhangende beschikkingen heffingsrente, ongegrond verklaard, en het beroep inzake de vergrijpboete niet-ontvankelijk verklaard.

1.6.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.7.

Belanghebbende heeft op 27 en 28 februari 2014 nadere stukken ingediend.

1.8.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2014 te Arnhem. De zaken met de nummers 12/00691 en 12/00692 zijn gezamenlijk behandeld. Belanghebbende is verschenen tezamen met haar echtgenoot en bijgestaan door mr. [A], advocaat te [L]. Namens de Inspecteur zijn verschenen mr. [B] en [C].

1.9.

De Inspecteur heeft ter zitting een pleitnota overgelegd en voorgedragen. De inhoud van deze pleitnota moet als hier ingelast worden aangemerkt.

1.10.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende is gehuwd met [D]. Zij hebben drie kinderen, geboren op 13 oktober 2007, 12 januari 2010 en 9 februari 2012.

2.2.

Belanghebbende en haar echtgenoot huren sinds 2000 een appartement aan de [a-straat] te [M] (hierna: de huurwoning). Dit appartement heeft een woonoppervlakte van 80 m². Zij stonden met hun kinderen op dit adres ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie (hierna: GBA) in [M]. Belanghebbende en de kinderen zijn sedert 11 november 2010 in het GBA van de gemeente [N] ingeschreven. De echtgenoot van belanghebbende is in [N] ingeschreven in het GBA sedert 1 oktober 2010.

2.3.

Belanghebbende heeft samen met haar echtgenoot op 30 november 2007 voor een koopsom van € 613.000 een boerderij gekocht aan de [b-straat] 75 te [O], gemeente [N] (hierna: de boerderij). De boerderij uit omstreeks 1860 verkeerde in een slechte staat en diende grondig gerenoveerd en verbouwd te worden alvorens deze geschikt zou zijn voor bewoning. Belanghebbende heeft op 22 december 2008 een principe aanvraag ingediend voor het veranderen van de boerderij. Op 9 maart 2009 heeft belanghebbende een reguliere bouwvergunning aangevraagd. Op 24 maart 2009 is een sloopvergunning verleend. De benodigde bouwvergunning is verleend op 12 mei 2009.

2.4.

De sloopwerkzaamheden hebben plaatsgevonden in mei en juni 2009. Daarna zijn de bouwwerkzaamheden aangevangen. Volgens een werkplanning van maart 2009 – opgesteld door belanghebbendes echtgenoot en de aannemer tezamen – zou de verbouwing eind november 2009 moeten zijn afgerond. Aan de buitenzijde van de boerderij zijn de bouwwerkzaamheden afgerond in januari 2010, waarna de werkzaamheden aan de binnenzijde van de boerderij zijn aangevangen. In de loop van 2010 was de boerderij gereed.

2.5.

Het bakhuis, zijnde een bijgebouw, was reeds in oktober 2008 gereed. Belanghebbende en haar gezin verbleven daar vanaf dat moment in de weekenden en de vakanties. Het bakhuis heeft een woonoppervlakte van 24 m².

2.6.

Belanghebbende is werkzaam bij de Rabobank. Zij werkt één dag in de week in [M]. De overige vier dagen werkt zij op het kantoor in [P].

2.7.

De echtgenoot van belanghebbende is directeur en grootaandeelhouder van
[E] BV (hierna: [E] BV), welke vennootschap in 2007 is opgericht. In hetzelfde jaar heeft [E] BV de vennootschap [F] BV opgericht. Vanaf het moment van oprichting zijn [E] BV en [F] BV gevestigd in [M] op het adres van de huurwoning. Sedert 1 juni 2010 staat [E] BV ingeschreven op het adres van de boerderij in [O]. [F] BV staat nog immer - met een korte onderbreking door een inschrijving op de [c-straat] 1a te [M] - ingeschreven op het adres van de huurwoning in [M]. Belanghebbendes echtgenoot werkt één dag in de week in [M] en op andere dagen op locatie bij zijn klanten.

2.8.

De kinderen van belanghebbende gaan naar een crèche of basisschool in [M]. De oudste kinderen gaan ook naar een buitenschoolse opvang in [M].

2.9.

Belanghebbende en haar echtgenoot hebben in de periode van mei tot en met november 2010 126 maal hun betaalpas gebruikt in [M] en 40 maal in [O] en omgeving. Laatstgenoemde betalingen en geldopnames zijn bijna allemaal in het weekend en in de vakantieperiode gedaan, en die in [M] bijna allemaal doordeweeks.

2.10.

Belanghebbende en haar echtgenoot hebben in de periode oktober 2010 tot en met juni 2011 232 maal een pintransactie gedaan in [O] en omgeving en 136 maal in [M].

2.11.

Belanghebbende en haar echtgenoot hebben vanaf 2010 zowel een huisarts in [M] als in [O]. De tandarts is gevestigd in [M].

2.12.

Het gasverbruik in de boerderij is in 2010 en 2011 bijna tweeënhalf keer respectievelijk bijna drie keer zo groot als in de huurwoning. Ook het elektriciteitsverbruik in de boerderij is in beide jaren ruim tweeënhalf keer zo groot als in de huurwoning.

2.13.

Gedurende de weekenden, de vakantieperioden – met uitzondering van twee vakantieweken in het buitenland – en andere vrije schooldagen van de kinderen, verblijft belanghebbende met haar gezin in de boerderij. Aldaar worden ook de familie en vrienden ontvangen.

2.14.

Het oudste kind gaat sinds begin 2012 regelmatig naar een manege in de buurt van [O]. De zwemlessen van de kinderen vinden sinds medio 2013 eveneens plaats in de omgeving van [O].

2.15.

De aankoop van de boerderij heeft belanghebbende gefinancierd door middel van een hypothecaire lening ten bedrage van € 750.000 (hierna: de lening). Deze financiering is tot stand gekomen door tussenkomst van drs. [G] van [H] Financieringen. Deze heeft op 27 februari 2014 onder meer het volgende schriftelijk verklaard:

“Op 11 oktober 2007 hadden wij een oriënterend telefonisch onderhoud inzake de mogelijke hypotheekverstrekking aan onze cliënten, (…) inzake het object, een woonboerderij [b-straat] 75 (…) te [O]. (…)

Uit de omvang van het project, grootte van het hypotheekbedrag en de mededelingen van cliënten hebben wij de stellige indruk dat het cliënten’s intentie was om deze woonboerderij als eigen woning te gaan betrekken, zodra de ingrijpende verbouwingen een feit waren.

Op grond hiervan is aan de verstrekking van het aanvullend krediet door [H] de voorwaarde gesteld dat de opgenomen gelden besteed dienen te worden ten behoeve van de eigen woning. (…)”

2.16.

De Inspecteur heeft aftrek van de rente op de lening en de overige kosten met betrekking tot de aankoop van de boerderij voor de jaren 2007 en 2008 geweigerd, omdat de boerderij in die jaren naar zijn oordeel niet was aan te merken als eigen woning als bedoeld in artikel 3.111, lid 3, Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001).

2.17.

De Rechtbank heeft geoordeeld dat de Inspecteur terecht en op goede gronden de aftrek heeft geweigerd.

3 Geschil

3.1.

In geschil is of belanghebbende de over de lening in 2007 en 2008 betaalde renten en de overige kosten met betrekking tot de aankoop van de boerderij van respectievelijk € 8.159 en € 35.702, ingevolge artikel 3.120 juncto artikel 3.111 Wet IB 2001 kan aftrekken als kosten met betrekking tot een eigen woning.

3.2.

Partijen zijn het erover eens dat de bestemming die in 2007 en 2008 aan de boerderij is gegeven overeenstemt met het feitelijke gebruik van de boerderij in 2010, en dat dit feitelijk gebruik in de periode 2010 tot 2014 niet noemenswaardig is gewijzigd. Verder heeft de Inspecteur ter zitting toegezegd dat als de boerderij in 2010 als hoofdverblijf kan worden aangemerkt zowel de in 2007 als in 2008 betaalde rente en kosten kunnen worden afgetrokken als kosten met betrekking tot een eigen woning.

3.3.

Het geschil spitst zich derhalve toe op de vraag of de boerderij in 2010 is aan te merken als eigen woning in de zin van artikel 3.111 Wet IB 2001. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend, de Inspecteur ontkennend.

3.4.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank en de Inspecteur, tot vernietiging van de navorderingsaanslag IB/PVV 2007 en tot vermindering van de aanslag IB/PVV 2008 tot een aanslag naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 227.410. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

3.5.

Ter zitting is gebleken dat tussen partijen geen geschil meer bestaat over de feiten. Belanghebbende heeft daarom ter zitting haar (voorwaardelijke) getuigenbewijsaanbod ingetrokken. Ook haar verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 8:73 Algemene wet bestuursrecht heeft belanghebbende ter zitting ingetrokken.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Blijkens artikel 3.111, lid 1, Wet IB 2001 wordt onder een eigen woning verstaan een gebouw dat de belastingplichtige of personen die behoren tot zijn huishouden anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat.

4.2.

Artikel 3.111, lid 3, Wet IB 2001 geeft uitbreiding aan het begrip eigen woning. Deze bepaling stelt daartoe twee cumulatieve eisen. In de eerste plaats moet sprake zijn van een leegstaande woning of een woning in aanbouw. In de tweede plaats moet aannemelijk zijn dat de woning uitsluitend bestemd is om in het kalenderjaar of in één van de daaropvolgende twee jaren als eigen woning in de zin van artikel 3.111, lid 1, Wet IB 2001 aan de belastingplichtige ter beschikking te staan.

4.3.

Vaststaat onder meer dat belanghebbende met haar gezin de beschikking heeft over een huurwoning in [M], dat zij in november 2007 de boerderij hebben gekocht, dat in de loop van 2010 de boerderij is gereedgekomen, dat belanghebbende en de kinderen vanaf 11 november 2010 in het GBA van de gemeente [N] zijn ingeschreven, dat belanghebbende één dag in de week vanuit [M] werkt en de overige vier dagen vanuit [P], dat haar echtgenoot eveneens één dag in de week vanuit [M] werkt en de overige dagen op locatie bij klanten, dat het gezin doordeweeks in de huurwoning in [M] verblijft, dat de drie kinderen in [M] naar de crèche, basisschool en/of buitenschoolse opvang gaan, dat het gezin gedurende de weekenden, vakantieperioden en andere vrije schooldagen van de kinderen in de boerderij verblijft en dat aldaar ook de familie en vrienden worden ontvangen.

4.4.

Gelet op vorenstaande feiten en omstandigheden, en dan met name op de plaats waar het gezin doordeweeks verblijft en waar de kinderen naar de crèche en/of basisschool gaan, is het Hof van oordeel dat ook in 2010 de huurwoning in [M] als hoofdverblijf is aan te merken, omdat de centrale levensplaats van belanghebbende en haar gezin zich daar bevindt. Dat het gezin gedurende de weekenden, de vakantieperioden en andere vrije schooldagen van de kinderen, in de boerderij verblijft en daar ook de familie en vrienden ontvangt, brengt het Hof niet tot een ander oordeel.

4.5.

Nu de boerderij in 2010 niet als eigen woning in de zin van artikel 3.111, lid 1,
Wet IB 2001 kan worden aangemerkt, heeft de Inspecteur terecht de in 2007 en 2008 betaalde hypotheekrente en andere kosten met betrekking tot de aankoop van de boerderij van respectievelijk € 8.159 en € 35.702 niet in aftrek toegelaten.

Heffingsrenten

4.6.

Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrenten. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrenten aangevoerd. Nu de aanslagen niet worden verminderd, is er ook geen aanleiding voor een vermindering van de in rekening gebrachte heffingsrenten.

Slotsom

Het hoger beroep van belanghebbende dient ongegrond te worden verklaard.

5 Proceskosten

Het Hof vindt geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan te Arnhem door mr. A.J.H. van Suilen, voorzitter, mr. C.M. Ettema en mr. B.F.A. van Huijgevoort, in tegenwoordigheid van mr. N.G.U. Bezemer als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 april 2014.

De griffier, De voorzitter,

(N.G.U. Bezemer) (A.J.H. van Suilen)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 9 april 2014

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij:

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer)

postbus 20 303, 2500 EH Den Haag

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad worden verzocht om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.