Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:2876

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
08-04-2014
Datum publicatie
10-04-2014
Zaaknummer
200.138.892
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2013:6366, Overig
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBARN:2012:BY5733, Overig
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBARN:2012:BX8905, Overig
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBARN:2012:BX3705, Overig
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBARN:2011:BV1907, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Incidentele vordering tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Toepassing van Newbay/Staat (HR 30 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5012)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.138.892

(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem 209355)

arrest in het incident van de eerste kamer van 8 april 2014

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[appellant sub 1],

gevestigd te [woonplaats],

2. [appellant sub 2],

wonende te [woonplaats],

3. [appellant sub 3],

wonende te [woonplaats],

appellanten in de hoofdzaak,

verweerders in het incident,

advocaat: mr. E.J.M. van Rijckevorsel-Teeuwen,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

WVGH Beheer B.V.,

gevestigd te Leiden,

geïntimeerde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat: mr. W.A.M. Rupert.

Partijen zullen hierna [appellanten] en WVGH Beheer worden genoemd.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de vonnissen van 9 maart 2011, 21 december 2011, 27 juni 2012, 19 september 2012, 14 november 2012 en 11 september 2013 die de rechtbank Arnhem respectievelijk rechtbank Gelderland (zittingsplaats Arnhem) tussen (onder andere) WVGH Beheer als eisende partij en [appellanten] als gedaagde partij hebben gewezen. Het eindvonnis van 11 september 2013 is gepubliceerd onder nummer ECLI:NL:RBGEL:2013:6366.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 1 oktober 2013;

- de incidentele conclusie tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad ex art. 234 Rv;

- de antwoordmemorie in het incident tot uitvoerbaarverklaring.

2.2

Partijen hebben de stukken aan het hof overgelegd en het hof heeft arrest in het incident bepaald.

3 De motivering van de beslissing in het incident

3.1

Bij het bestreden eindvonnis heeft de rechtbank [appellanten] veroordeeld om aan WVGH Beheer te voldoen een bedrag aan schadevergoeding van € 1.477.462,- te vermeerderen met rente. Tevens is [appellanten] veroordeeld in de proceskosten ad € 30.867,39 en de buitengerechtelijke kosten ad € 6.422,-. De rechtbank heeft het vonnis alleen wat betreft de veroordeling tot vergoeding van de proceskosten en de buitengerechtelijke kosten uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen:

“Gedaagden verweren zich tegen de gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad. De rechtbank zal dit vonnis behoudens de kosten niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren gelet op alle omstandigheden van de zaak, zoals daar met name zijn het principiële karakter van de beslissingen over de beroepsaansprakelijkheid, de omvang van het totaal van de toe te wijzen bedragen en de positie die WVGH Beheer inneemt. Deze omstandigheden rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank wel de uitvoerbaarheid bij voorraad van de kostenveroordeling en de veroordeling tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten.”

3.2

Het gaat in dit incident om de vordering van WVGH Beheer om op grond van artikel 234 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) alsnog het gehele eindvonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.3

In het arrest Newbay/Staat (Hoge Raad 30 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5012) heeft de Hoge Raad, voor zover in deze zaak relevant, overwogen dat, na aanwending van een rechtsmiddel tegen een uitspraak, de tenuitvoerlegging bij voorraad daarvan (opnieuw) aan de rechter bij wie de zaak dan aanhangig is ter beoordeling kan worden voorgelegd, ook al bevat de uitspraak van de vorige rechter een uitdrukkelijke beslissing op dit punt, bijvoorbeeld in de vorm van een gemotiveerde afwijzing van de gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad. De partij die daarbij belang heeft, kan dan ook op de voet van artikel 234 Rv een incidentele vordering tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad instellen. Ten aanzien van de maatstaven die behoren te worden aangelegd bij de beoordeling daarvan geldt, aldus de Hoge Raad:

(i) dat de incidenteel eiser belang moet hebben bij de door hem verlangde gehele of gedeeltelijke uitvoerbaarverklaring bij voorraad;

(ii) dat bij de in het licht van de omstandigheden van het geval te verrichten afweging van de belangen van partijen moet worden nagegaan of, bijvoorbeeld in verband met de spoedeisendheid van het voldoen aan de veroordeling (zonder dat zekerheid behoeft te worden gesteld), het belang van degene die de veroordeling verkreeg, zwaarder weegt dan dat van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand tot op het rechtsmiddel is beslist, en

(iii) dat bij deze belangenafweging de kans van slagen van het aangewende rechtsmiddel in de regel buiten beschouwing moet blijven.

Voorts volgt uit de overwegingen van de Hoge Raad dat, nu bij de beoordeling van een incidentele vordering als hier bedoeld ook geldt dat in beginsel moet worden uitgegaan van de beslissing van de vorige rechter en de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen omtrent de tenuitvoerlegging bij voorraad, de incidenteel eiser aan zijn vordering feiten en omstandigheden ten grondslag zal moeten leggen die bij de door de vorige rechter gegeven beslissing niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich eerst na de uitspraak van de vorige rechter hebben voorgedaan, en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken.

3.4

De rechtbank heeft, naar aanleiding van het verweer van [appellanten], uitdrukkelijk en gemotiveerd een beslissing genomen ten aanzien van de uitvoerbaarheid bij voorraad. Temeer nu tussen partijen in eerste aanleg debat is gevoerd over de uitvoerbaarverklaring bij voorraad (anders dan WVGH Beheer heeft gesteld, heeft [appellanten] daartegen reeds bij conclusie van antwoord gemotiveerd bezwaar gemaakt) en daarop ook gemotiveerd is beslist, had het, gelet op voornoemde overwegingen van de Hoge Raad, op de weg van WVGH Beheer gelegen om feiten en omstandigheden te stellen die bij de door de rechtbank gegeven beslissing niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich eerst na het uitspreken van het eindvonnis hebben voorgedaan, en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken. Aan die stelplicht heeft WVGH Beheer niet voldaan. De inmiddels lange duur van de procedure en het feit dat de beleggers de kosten van de procedure in hoger beroep moeten betalen, acht het hof in dit verband niet voldoende.

3.5

Ten overvloede overweegt het hof dat ook overigens onvoldoende is gesteld om te kunnen concluderen dat het belang van WVGH Beheer bij uitvoerbaarheid bij voorraad zwaarder weegt dan dat van [appellanten] bij behoud van de bestaande toestand tot op het rechtsmiddel is beslist. Het hof neemt in dit verband de overwegingen van de rechtbank over. Ten aanzien van de door de rechtbank genoemde positie van WVGH Beheer voegt het hof daar nog aan toe dat de vordering van WVGH Beheer, blijkens de door haar gegeven toelichting, kennelijk is ingegeven door het belang daarbij van de particuliere beleggers namens wie WVGH Beheer procedeert. Hoewel in beginsel geldt dat WVGH Beheer en de beleggers er belang bij hebben dat zij niet op het hen krachtens de veroordeling toekomende behoeven te wachten tot die veroordeling onherroepelijk is geworden (vergelijk HR 27 februari 1998, NJ 1998, 512), staat daartegenover dat het hof het door [appellanten] gestelde risico dat bij een eventuele vernietiging van het bestreden vonnis WVGH Beheer niet voldoende verhaal zal bieden en verhaal op de (vele) particuliere beleggers moeizaam zal zijn, aannemelijk acht. Dat dient, in samenhang met de overige genoemde omstandigheden, in dit geval zwaarder te wegen.

3.6

Het voorgaande betekent dat de incidentele vordering van WVGH Beheer zal worden afgewezen. WVGH Beheer zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het incident.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

in het incident

wijst de incidentele vordering tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad af;

veroordeelt WVGH Beheer in de kosten van het incident, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellanten] begroot op € 894,-;

in de hoofdzaak

verwijst de zaak naar de rol van 20 mei 2014 voor memorie van grieven zijdens [appellanten];

houdt verder iedere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.H. van Ginkel, M.B. Beekhoven van den Boezem en F.J.P. Lock en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 8 april 2014.