Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:2875

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
08-04-2014
Datum publicatie
11-04-2014
Zaaknummer
200.120.353-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hof mag kennis nemen van processtuk dat is ondertekend door een advocaat die ten tijde van de indiening ervan niet de door de partij gestelde advocaat was.

Uitleg statutair voorbehoud dat onroerende zaken slechts mogen worden overgedragen met uitdrukkelijke voorafgaande schriftelijke toestemming van de meerderheid van de aandeelhouders. Het hof oordeelt dat dit voorbehoud niet ziet op de situatie waarin de vennootschap niet beschikt over de juridische eigendom van de onroerende zaak in kwestie maar zich als economisch eigenaar beschouwt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.120.353/01

(zaaknummer rechtbank Groningen 130003/ HA ZA 11-690)

arrest van de eerste kamer van 8 april 2014

in de zaak van

1 [appellante 1],

gevestigd te [woonplaats],

hierna: [appellante 1],

2. [appellante 2],

destijds wonende te [woonplaats],

hierna: [appellante 2],

appellanten,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten],

advocaten: mr. J. van Veen en J.W. van der Horst, kantoorhoudend te Amsterdam, die ook hebben gepleit,

tegen

1. De (formeel buitenlandse) rechtspersoon naar het recht van de staat Delaware (USA) Brooke Holland inc.,

statutair gevestigd te Camden (USA),

kantoorhoudende te Den Haag

hierna: Brooke Holland,

2. De (formeel buitenlandse) rechtspersoon naar het recht van de staat Delaware (USA)

Beheer Belegging en Managementmaatschappij Inc.,

statutair gevestigd te Dover (USA),

kantoorhoudende te Zwolle,

hierna: BBM,

geïntimeerden,

in eerste aanleg: eisers,

hierna gezamenlijk te noemen: Brooke Holland c.s.,

advocaat: mr. drs. I.M.C.A. Reinders Folmer, kantoorhoudend te Amsterdam,

voor wie heeft gepleit mr. A.L.M. Vreeswijk, kantoorhoudend te Amsterdam.

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 4 juni 2013 hier over.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Na het tussenarrest hebben Brooke Holland op 16 juli 2013 c.s. een memorie van antwoord genomen, met één productie;

1.2

[appellanten] hebben op 27 augustus 2013 een akte genomen en Brooke Holland c.s. op 24 september 2013 een antwoordakte, met producties.

1.3

Vervolgens hebben [appellanten] pleidooi verzocht, hetgeen doorgang heeft gevonden op 26 februari 2014. Beide partijen hebben pleitnota’s overgelegd.

1.4

Vervolgens heeft het hof, in overleg met partijen arrest bepaald op het pleitdossier.

2 De verdere beoordeling

Nader ten aanzien van het processtuk van 19 maart 2013 van [appellanten]

2.1

Brooke Holland c.s. voeren aan dat incidentele conclusie van [appellanten] van 19 maart 2013, die door het hof tevens als processtuk bevattende een grief is aangeduid, niet door de namens [appellanten] gestelde advocaat is ondertekend, zodat het hof daarvan geen kennis mag nemen.

2.2

Het hof overweegt dat tijdens het pleidooi is vastgesteld dat bedoeld processtuk van 19 maart 2013 is ondertekend door mr. J. van Veen, die op die datum niet de door [appellanten] gestelde advocaat was. Dit processtuk draagt in het opschrift mede de naam van mr Van der Horst, die op dat moment als enige de gestelde advocaat was. Mr. Van der Horst heeft op de pleitzitting aangegeven dat mr Van der Veen namens haar heeft getekend.

Het hof oordeelt dat artikel 83 Rv, tweede lid, dat door de schakelbepaling van artikel 353 Rv mede in hoger beroep van toepassing is, bepaalt dat processtukken door de advocaat (onderstreping hof) worden ondertekend voor zover het gaat om zaken waarin partijen niet in persoon kunnen procederen. Onder de advocaat in de zin van voornoemd artikel moet primair de gestelde advocaat begrepen worden, doch deze kan een andere advocaat daartoe machtigen. Daarvan is in dit geval sprake, aangezien mr. Van der Horst zulks ten pleidooie expliciet heeft gesteld.

Voorts is een gebrek in de ondertekening van een processtuk herstelbaar. In dat kader is van belang dat mr. Van der Veen zich op de rol 8 april 2013 als advocaat voor [appellanten] heeft gesteld, zodat er op dat moment hoe dan ook geen sprake meer was van een niet juiste ondertekening.

2.3

Het hof verwerpt dan ook het verweer van Brooke Holland c.s. dat het hof niet van het processtuk van 19 maart 2013 kennis mag nemen.

2.4

Brooke Holland c.s. hebben voorts een aantal bezwaren herhaald tegen het aanmerken van het processtuk van 19 maart 2013 als memorie van grieven. Het hof heeft die bezwaren reeds verworpen in het tussenarrest van 4 juni 2013 en de rolbeschikking van 26 maart 2013. Het hof ziet in hetgeen Brooke Holland c.s. op die punten thans nog aanvoeren, geen reden op de beslissing dat de in het processtuk van 19 maart 2013 een grief is geformuleerd, terug te komen.

De aanduiding van de grief

2.5

Het hof heeft als grief aangemerkt de randnummers 17 tot en met 23 van het processtuk van 19 maart 2013. Daarin betogen [appellanten] kortgezegd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat artikel 26 van de statuten (“bylaws”) van Brooke Holland van toepassing was op de overdracht van het pand [adres 1],[adres 2] en [adres 3], als verkrijgende partij.

Indien deze grief opgaat, dan tast dat ook alle andere overwegingen en beslissingen van de rechtbank aan die op dit oordeel van de rechtbank zijn gebaseerd. Dat Brooke Holland c.s. tegen die voortbouwende beslissingen geen afzonderlijke grieven heeft voorgedragen, is niet van belang.

Nieuwe grief bij pleidooi

2.6

Op grond van de zogenaamde twee-conclusieregel mogen in beginsel in een later stadium van de procedure dan de memorie van grieven geen nieuwe grieven worden voorgedragen. Het hof gaat dan ook geheel voorbij aan de grieven die zijn geformuleerd in de bijlage bij de faxbrief van 31 maart 2013 – die in dit geding verder geen enkele procesrechtelijk relevante status heeft – en aan de nieuwe grief, ten pleidooie geponeerd, die zich richt tegen het oordeel van de rechtbank onder 5.2.3 van het beroepen vonnis, waar is geoordeeld dat artikel 26 van de statuten voornoemd niet louter interne werking heeft. Dit oordeel staat immers los van de vraag of artikel 26 van de statuten op de in geding zijnde verkoop van toepassing is en Brook Holland c.s. hebben er niet in bewilligd dat de rechtsstrijd in appel met dit geschilpunt wordt uitgebreid.

Nader ten aanzien van de feiten

2.7

Het hof heeft de relevante feiten reeds kort weergegeven in rechtsoverweging 4 van het tussenarrest.

Ten pleidooie heeft [A], directeur van Brooke Holland, een korte samenvatting van het geschil en de daarbij spelende belangen van Brooke Holland c.s. geschetst.

Het hof zal de kern van het geschil hierna weergeven, met inachtneming van het betoog van [A].

2.7.1

Eemshorn B.V. beschikte over een aantal panden. De schoonzoon van [A] was directeur van Eemshorn B.V. [A] wist dat het slecht ging met Eemshorn B.V. en heeft een aantal vrienden geïnteresseerd om onder meer het complex aan [adres 1] goedkoop aan te kopen. Daarvoor is als vehikel Brooke Holland opgericht. [A] had er op dat moment geen belang bij om bestuurder van Brooke Holland te worden. Het aankoopbedrag voor de panden is op een Luxemburgse bankrekening van Eemshorn B.V. gestort en Brooke Holland heeft de eigendom van de panden in kwestie gekregen.

2.7.2

Na het faillissement van Eemshorn B.V. heeft de curator de koopovereenkomst op 20 september 1995 –stellende dat er in het geheel niet voor was betaald - buitengerechtelijk vernietigd en vervolgens bij dagvaarding een verklaring voor recht gevorderd dat de panden eigendom zijn gebleven van Eemshorn B.V. en deel zijn gaan uitmaken van de baten in het faillissement.

2.7.3

Deze vorderingen zijn toegewezen bij verstekvonnis van 17 november 1995 door de toenmalige arrondissementsrechtbank Groningen.

2.7.4

Brooke Holland is daarvan in verzet gekomen. De rechtbank heeft in een tussenvonnis van 15 augustus 1997 de curator met bewijs belast. De curator is van dat vonnis in hoger beroep gekomen. Vervolgens is een regeling tot stand gekomen waarbij ook [A] betrokken was. In het kader van die regeling zou de curator bij verkoop van de panden hfl. 125.000 ontvangen.

2.7.5

In maart 1999 heeft Brooke Holland het complex aan [adres 1] aan de gemeente Groningen verkocht voor hfl. 525.000. De levering heeft plaatsgevonden op 19 mei 1999 ten overstaan van [notaris]. Het door Brooke Holland ontvangen deel van de koopsom is door de bestuurders van Brooke Holland opgenomen. Na de nodige procedures zijn deze bestuurders ontslagen en is door Brooke Holland c.s. zonder succes getracht deze koopsom van de gewezen bestuurders terug te krijgen.

2.7.6

Daarna hebben Brooke Holland c.s. [notaris] aansprakelijk gesteld.

De grondslag van deze vordering is dat de notaris heeft verzuimd om bij de levering artikel 26 van de statuten van Brooke Holland (zoals gewijzigd op 13 januari 1994) toe te passen.

Dit artikel luidt:

Onroerende zaken mogen slechts worden overgedragen (al dan niet onder voorbehoud van een beperkt recht of een zakelijk recht) of worden bezwaard met een beperkt recht of een zakelijk recht na uitdrukkelijke voorafgaande schriftelijke toestemming van de meerderheid van de aandeelhouders. Aan deze toestemming kunnen nadere voorwaarden of tijdsbepalingen worden verbonden”

2.7.7

De akte van levering van 19 mei 1999, waarbij ook de curator partij is, meldt onder meer:

“Bij buitengerechtelijke verklaring van de curator gedateerd twintig september negentienhonderd vijf en negentig, voor recht verklaard blijkens vonnis gewezen op zeventien november negentienhonderd vijf en negentig door de Arrondissementsrechtbank te Groningen, is de koopovereenkomst welke als titel heeft gegolden voor de gemelde op veertien februari negentienhonderd vier en negentig verleden akte van levering, vernietigd. Op grond van deze vernietiging heeft het verkochte goederenrechtelijk immer deel uitgemaakt van het vermogen van Eemshorn B.V..

Blijkens verklaring van de curator, waarvan blijkt uit de aangehechte en voormelde volmacht, stemt deze in met de voormelde verkoop door Brooke Holland Inc. aan de gemeente en werkt hierbij mee aan de eigendomslevering aan de gemeente, (…)

Op grond van het vorenstaande en het meer tussen de curator en de verkoper overeengekomene verklaart de verkoper alle verzet tegen gemelde vernietiging te staken en derhalve in stand te laten. Ter uitvoering va de gemelde koopovereenkomst gesloten tussen Brooke Holland Inc. en de gemeente levert de curator hierbij aan de gemeente (…)

Tenslotte verklaarden partijen:

1 Blijkens aangehecht stuk hebben de aandeelhouders in de gemelde verkopende vennootschap Brooke Holland Inc. toestemming gegeven tot de onderhavige verkoop en levering.

(…)

Aangehecht is een brief van bestuurder [bestuurder] van Brooke Holland d.d. 6 april 1999, gericht aan de notaris, met als inhoud:

Ik heb van mijn collega , [B], begrepen dat de aandeelhouder akkoord gaat met de verkoop en levering.”

2.7.8

Volgens Brooke Holland had, indien de notaris zich ervan bij de aandeelhouder zelf had vergewist of deze had ingestemd met de transactie, de aandeelhouder maatregelen kunnen treffen om er voor te zorgen dat deze zelf de beschikking kreeg over de koopsom in plaats van de bestuurders van Brooke Holland.

De beoordeling van de grief

2.8

De rechtbank heeft geoordeeld dat artikel 26 van de statuten uitleg behoeft en heeft dat artikel aldus uitgelegd dat toestemming van de aandeelhouders was vereist, ook in dit bijzondere geval dat formeel geen overdracht (levering) plaatsvindt omdat door toevalligheden de juridische eigendom elders ligt, terwijl de economische eigendom evenwel onmiskenbaar bij Brooke Holland ligt.

Vervolgens heeft de rechtbank geoordeeld dat de notaris geen genoegen had mogen nemen met de brief van 6 april 1999.

2.9

[appellante 1] bestrijdt, onder verwijzing naar het arrest van het toenmalige hof Arnhem van 25 september 2001, gewezen tussen (onder meer) BBM en [B] en [bestuurder], de juistheid van de uitleg die de rechtbank aan artikel 26 heeft gegeven. Het hof Arnhem heeft in dat arrest overwogen dat uit de woorden “overgedragen” en “bezwaard” blijkt dat het artikel slechts betrekking heeft op verlies van goederen, zoals bedoeld in Boek 3, titel 4 van het BW. De tekst biedt geen enkel aanknopingspunt voor de veronderstelling dat toestemming van de meerderheid van de aandeelhouders ook is vereist voor louter obligatoire overeenkomsten met betrekking tot onroerende zaken.

Brooke Holland c.s. hebben op zich terecht betoogd dat dit arrest – dat niet tussen dezelfde procespartijen als in deze procedure is gewezen - geen bijzondere bewijswaarde toekomt in het thans voorliggende geschil. Dat neemt niet weg dat [appellante 1] dit arrest wel mogen aanhalen als argument voor de door hen bepleite uitleg van artikel 26 van de statuten.

2.10

Ten aanzien van de uitleg van dit artikel overweegt het hof dat, daargelaten het recht van de staat Delaware dat op deze statuten van toepassing is – waarover partijen in deze procedure niets hebben gesteld, – dit in het Nederlands gestelde artikel waarin Nederlandse juridische termen voorkomen en dat kennelijk is opgesteld met het oog op onroerendgoedtransacties in Nederland, naar Nederlands recht moet worden geïnterpreteerd. Aangezien het hier gaat om de externe werking van deze statuten, zoals in dit geval de voor de overdracht van onroerend goed ingeschakelde notaris, gaat het daarbij om de meer objectieve uitlegmaatstaf waarbij het aankomt op de tekst van de bepaling en de voor derden kenbare toelichting daarop en niet op de subjectieve bedoelingen van de opstellers van genoemd artikel. Bij de kamer van koophandel Veluwe en Twente zijn de notulen van de vergadering van aandeelhouders van Brooke Holland van 13 januari 1994 gedeponeerd bevattende de wijzing van de statuten (onderdeel van productie 3 bij de inleidende dagvaarding). Deze notulen bevatten geen nadere toelichting op artikel 26.

Naar het oordeel van het hof moet artikel 26 van de statuten zo worden uitgelegd dat het daarin voorkomende toestemmingsvereiste alleen ziet op overdracht en bezwaring als bedoeld in titel 4 (“verkrijging en verlies van goederen”) van boek 3 van het Burgerlijk wetboek. De term “overdracht” in samenhang met “beperkt recht” en “zakelijk recht” biedt geen aanknopingspunt dat artikel 26 ook ziet op louter obligatoire overeenkomsten met betrekking tot onroerende zaken.

2.11

De (juridische) eigendom van het pand aan de Korreweg berustte ten tijde van de notariële overdracht op 19 mei 1999 bij de in staat van faillissement verklaarde besloten vennootschap Eemshoorn B.V. voor wie bij die overdracht haar curator optrad. Dit wordt met zoveel woorden vermeld in de hiervoor onder 2.7.7 aangehaalde akte en wordt door Brooke Holland c.s. niet betwist. Brooke Holland c.s. stellen evenwel dat na de vernietiging van de titel van de eerdere overdracht van het pand door Eemshoorn B.V. aan Brooke Holland en de vervolgens met de curator getroffen regeling die niet heeft geleid tot het ongedaan maken van die vernietiging, Brooke Holland als feitelijk bezitter van het pand van rechtswege de eigendom daarvan heeft verkregen.

2.12

Het hof gaat aan deze stelling voorbij omdat, wat overigens ook zij van de redenering van Brooke Holland c.s., een als door hen bedoelde vorm van eigendom niet is geregeld of voorzien in boek 3 van het Burgerlijk wetboek.

2.13

[appellanten] hebben het oordeel van de rechtbank dat ten dezen wel sprake was van economische eigendom en dat de overdracht van zodanige eigendom – kort gezegd – ook valt onder de toestemmingseis van artikel 26 van de Statuten (by laws) in 18 e.v. hun incidentele conclusie van 19 maart 2013 als “juridisch/feitelijke misslag” aangeduid en dat oordeel vooral door verwijzing naar hun stellingen uit de eerste aanleg dan ook terecht bestreden.

2.14

De grief treft doel. Aangezien het vonnis voor het overige geheel stoelt op dit oordeel, kan dat niet in stand blijven.

De slotsom

2.15

Het hof zal, nu de grief doel treft, het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoende de vordering van Brooke Holland c.s. alsnog afwijzen.

Brooke Holland c.s. dienen als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure te worden veroordeeld.

De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [appellanten] zullen worden vastgesteld op:

Eerste Aanleg

- griffierecht

1.789,-

totaal verschotten

1.789,-

en voor salaris advocaat/gemachtigde overeenkomstig het liquidatietarief:

2 punten x € 452,-

904,-

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van Plasbossiade c.s. zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten

92,17

- griffierecht

683,-

totaal verschotten

775,17

en voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief:

3 punten € 894 (het maximum)

2.682

te vermeerderen met nasalaris als hierna volgt.

3 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de rechtbank te Groningen van 8 augustus 2012 en doet opnieuw recht:

wijst de vorderingen van Brooke Holland c.s. af;

veroordeelt Brooke Holland c.s. in de kosten van beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van [appellanten] wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op € 904,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 1.789,- voor verschotten, en tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep vastgesteld op € 2.682,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 775,17 voor verschotten alsmede tot betaling van de nakosten ad € 131,- te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest,

en -voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt- te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening,

een en ander te vermeerderen met een extra bedrag van € 68, - aan nakosten ingeval betekening plaats vindt, te meerderen met de wettelijke rente over die extra nakosten ingaande 14 dagen na de betekening;

verklaart dit arrest (voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft) uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. K.E. Mollema, mr. J.H. Kuiper en mr. F.J. Streppel en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 8 april 2014.