Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:2873

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
08-04-2014
Datum publicatie
11-04-2014
Zaaknummer
200.090.366-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Regresrecht tussen samenwoners met samenlevingscontract.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.090.366/01

(zaaknummer rechtbank Leeuwarden 100671/ HA ZA 09-1048)

arrest van de tweede kamer van 8 april 2014

in de zaak van

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [appellante],

advocaat: mr. F.H. Gart, kantoorhoudend te Leeuwarden,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellant in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. G. van Mastrigt, kantoorhoudend te Leeuwarden.

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 23 juli 2013 hier over.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep.

1.1

Op 3 september 2013 heeft mr. Van Mastrigt zich als procesvertegenwoordiger gesteld voor [geïntimeerde].

1.2

Bij akte van 3 september 2013 heeft [geïntimeerde] een productie, genummerd 11, overgelegd.

1.3

Op 28 oktober 2013 is een getuigenverhoor gehouden, waarvan proces-verbaal is opgemaakt.

1.4

Vervolgens heeft [appellante] op 26 november 2013 een akte na enquête tevens akte uitlating productie genomen en heeft [geïntimeerde] op 7 januari 2014 een akte na enquête tevens houdende akte overleggen productie genomen.

1.5

Vervolgens zijn de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest en heeft het hof arrest bepaald.

2 De verdere beoordeling

In het principaal appel

2.1

In rechtsoverweging 7.7. van voormeld tussenarrest heeft het hof beslist dat voor zover partijen met het van DSB Bank geleende bedrag de schuld bij All Credis Finance groot ƒ 18.464,- hebben afgelost, niet is komen vast te staan dat partijen de schuld bij DSB Bank tezamen hebben doen ontstaan.

2.2

[geïntimeerde] heeft bij akte van 3 september 2013 een van All Credis Finance afkomstige schermprint in het geding gebracht, waaruit naar zijn mening volgt dat de schuld bij All Credis Finance niet ƒ 18.464,- bedroeg, maar ƒ 9.075,60.

2.3

Het hof is met [appellante] van oordeel dat uit deze schermprint, waaruit blijkt dat deze is gemaakt op 3 september 2013, niet genoegzaam volgt dat het gaat om een bedrag in guldens in plaats van euro's. Uit de overeenkomst van doorlopend krediet (productie 2 bij de akte houdende overlegging producties van 18 november 2009) blijkt onomstotelijk dat op 25 augustus 1998 opdracht is gegeven een bedrag van ƒ 18.464,- naar All Credis Finance over te maken. Het hof ziet dan ook geen reden om naar aanleiding van deze schermprint op haar hiervoor genoemde beslissing terug te komen.

2.4

[geïntimeerde] heeft in onderdeel 13 van zijn akte van 7 januari 2014 voorts nog aangevoerd dat de schuld bij All Credis Finance is ontstaan op 1 oktober 1993 en dus tijdens de gezamenlijke huishouding van partijen, die is aangevangen op 14 mei 1992. Deze schuld heeft volgens hem betrekking gehad op de aanschaf van een auto door partijen tezamen, zodat deze schuld beide partijen gelijkelijk aanging en partijen - anders dan het hof heeft beslist - de schuld bij DSB Bank tezamen hebben doen ontstaan.

2.5

Het hof overweegt dat deze stelling eraan voorbijziet dat vast staat dat alleen [geïntimeerde] de schuld bij All Credis Finance is aangegaan en dat mitsdien op hem de bewijslast rust dat partijen deze schuld desalniettemin tezamen hebben doen ontstaan omdat het geleende geld is gebruikt voor de aanschaf van een gezamenlijke auto. [geïntimeerde] heeft hiervan geen gespecificeerd bewijs aangeboden, zodat hij niet tot bewijslevering is toegelaten en dit niet is komen vast te staan. Voor dit oordeel van het hof is derhalve niet doorslaggevend geweest of de schuld bij All Credis Finance, al dan niet, voorafgaand aan de samenwoning is aangegaan, maar dat de schuld bij All Credis Finance door alleen [geïntimeerde] is aangegaan. [geïntimeerde] heeft overigens ook nu geen concreet bewijsaanbod gedaan van zijn stelling dat het van All Credis Finance geleende geld is gebruikt voor een gezamenlijke auto. Het hof ziet in het bij akte van 7 januari 2014 aangevoerde dan ook geen aanleiding om op rechtsoverweging 7.7 van voormeld tussenarrest van 23 juli 2013 terug te komen.

2.6

Het hof heeft in rechtsoverweging 7.9 van voormeld tussenarrest voorshands aangenomen dat partijen de lening bij DSB Bank voor het overige tezamen hebben doen ontstaan en [appellante] toegelaten tot het leveren van tegenbewijs in die zin dat een gedeelte van deze lening is gebruikt voor het bedrijf van [geïntimeerde].

2.7

[appellante] heeft haar zwager, [A], als getuige doen horen. Deze getuige heeft niet concreet verklaard over het gebruik van de schuld bij DSB Bank ten behoeve van het bedrijf van [geïntimeerde]. Het hof acht met deze verklaring het tegenbewijs dan ook niet geleverd. Ander (tegen)bewijs heeft [appellante] niet voorgebracht. Daarmee staat vast dat de schuld bij DSB Bank groot ƒ 50.000,-, behoudens een gedeelte van ƒ 18.464,-, partijen gelijkelijk aangaat.

2.8

Dit betekent dat de schuld bij DSB Bank uitsluitend [geïntimeerde] aangaat voor een gedeelte van ƒ 18.464,- : ƒ 50.000,- x 100 %, ofwel afgerond 37 %. De resterende 63 % van deze schuld gaat beide partijen, ieder voor de helft, aan. De schuld bij DSB Bank gaat aldus [geïntimeerde] voor een gedeelte van 68,5 % aan en [appellante] voor een gedeelte van 31,5 % .

2.9

Vast staat dat [geïntimeerde] eind 2008 een bedrag van € 13.848,29 betaald had ter zake van deze schuld. Op grond van artikel 6:10 lid 2 BW heeft [geïntimeerde] een regresvordering jegens [appellante] voor dit deel van de schuld van (100 % -/- 68,5 % zijnde) 31,5 % van € 13.848,29, ofwel van € 4.362,21 (onderdeel i, van de vordering zoals weergegeven in rechtsoverweging 4.1 van het tussenarrest).

2.10

Op dezelfde voet is over de maanden januari tot en met mei 2009 een bedrag van 31,5 % van 5 x € 164,68, zijnde € 259,37 (ii), toewijsbaar. Voor de periode vanaf 1 juni 2009 is de vordering van [geïntimeerde] (iii) toewijsbaar voor een bedrag van 31,5 % van € 164,68, zijnde € 51,87 (in plaats van het toegewezen bedrag van € 82,34) per maand.

2.11

De op deze onderdelen (i, ii en iii) van de vordering betrekking hebbende grieven I en VII in het principaal appel slagen mitsdien. Voor het overige is tegen de veroordeling van [appellante] om maandelijks dit bedrag aan [geïntimeerde] te betalen geen grief gericht, zodat deze veroordeling overeind blijft.

2.12

De rechtbank heeft de wettelijke rente over de onder i en ii toegewezen bedragen toegekend vanaf 11 november 2009. Hoewel [geïntimeerde] in hoger beroep opnieuw de wettelijke rente vanaf 1 juni 2009 heeft gevorderd heeft hij geen uitdrukkelijke grief tegen deze ingangsdatum gericht. De ingangsdatum van de wettelijke rente over de genoemde bedragen groot € 4.362,21 en € 259,37 blijft daarmee 11 november 2009.

Slotsom

2.13

Op grond van het vorenstaande zal het bestreden vonnis worden vernietigd. Opnieuw rechtdoende zal het hof [appellante] veroordelen tot betaling aan [geïntimeerde] van € 4.621,58 (€ 4.362,21 (tot 2008) + € 259,37 (januari-mei 2009)), vermeerderd met de wettelijk rente vanaf 11 november 2009 tot de dag der algehele voldoening, alsmede tot betaling met ingang van 1 juni 2009 aan [geïntimeerde] van € 51,87 per maand, te vermeerderen met de wettelijk rente vanaf de desbetreffende vervaldatum tot de algehele voldoening ervan.

2.14

Omdat partijen gewezen levenspartners zijn zal het hof de proceskosten in beide instanties aldus compenseren dat iedere partij de eigen kosten draagt.

3 De beslissing

In het principaal appel en in het incidenteel appel

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Leeuwarden van 9 maart 2011 en doet opnieuw recht:

veroordeelt [appellante] tot betaling aan [geïntimeerde] van een bedrag van € 4.621,58, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 november 2009 tot de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [appellante] tot betaling aan [geïntimeerde] met ingang van 1 juni 2009 maandelijks, op de eerste dag van de maand, van een bedrag van € 51,87, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de desbetreffende maandelijkse vervaldatum tot de dag der algehele voldoening ervan;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

bepaalt dat ieder van partijen de eigen kosten in beide instanties draagt,

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mr. B.J.H. Hofstee, mr. A.H. Garos en mr. A.W. Beversluis en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 8 april 2014.