Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:2871

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
08-04-2014
Datum publicatie
11-04-2014
Zaaknummer
200.130.813-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eiswijziging in hoger beroep (kort geding). Verwerping van bezwaar.

De omstandigheid dat aan de (oorspronkelijk) gedaagde een feitelijke instantie wordt ontnomen, is op zich ontoereikend om een eiswijziging in hoger beroep in strijd met de eisen van een goede procesorde te achten. Bijkomende feiten en omstandigheden om hiertoe wel te kunnen concluderen zijn gesteld noch gebleken. Weliswaar is sprake van een andere vordering op een andere grondslag, maar de (gewijzigde) vordering vloeit voort uit dezelfde rechtsverhouding als de oorspronkelijke vordering en hieraan ligt materieel hetzelfde geschil ten grondslag. Voorts zijn de omstandigheden in de visie van (oorspronkelijk) eiser gewijzigd en behoort zij in beginsel de mogelijkheid te hebben haar eis daarop aan te passen. Daarnaast heeft het hoger beroep mede een herstelfunctie en is het appellant in beginsel toegestaan zijn koers in het hoger beroep te wijzigen (ECLI:NL:HR:2010:BM3912). De bezwaren die geïntimeerde aanvoert tegen de gewijzigde eis als zodanig, te weten dat appellant hierbij geen spoedeisend belang heeft en dat deze zich niet leent voor een kort geding, zullen bij de inhoudelijke beoordeling van de vordering aan de orde komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.130.813/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/126681/ KG ZA 13-130)

arrest in kort geding van de tweede kamer van 8 april 2014 in het incident bezwaar wijziging van eis

in de zaak van

[appellante],

gevestigd te [woonplaats],

appellante,

in eerste aanleg: eiseres in conventie en verweerster in reconventie,

hierna: [appellante],

advocaat: mr.drs. I.M.C.A. Reinders Folmer, kantoorhoudend te Amsterdam,

tegen

[geïntimeerde],

gevestigd te [woonplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiseres in reconventie,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. B.P. van Overeem, kantoorhoudend te Haarlem.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden 4 juni 2013.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 28 juni 2013,

- de memorie van grieven, tevens houdende wijziging van eis (met producties),

- de memorie van antwoord, tevens houdende bezwaar wijziging van eis,

- de memorie van antwoord in het incident van [appellante].

2.2

Vervolgens heeft [appellante] de stukken voor het wijzen van arrest in het incident overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3

De vordering van [appellante] in hoger beroep luidt:

"bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

In conventie:

[geïntimeerde] te veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de somma van
€ 233.500,-, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW vanaf
27 december 2012, althans vanaf 25 juli 2013, althans vanaf de dag dezer dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening,

In reconventie:

De vordering van [geïntimeerde] tot veroordeling van [appellante] om met ingang van 1 april 2013 maandelijks aan [geïntimeerde] de huurpenningen de voldoen ad € 8.333,33 te vermeerderen met BTW alsnog af te wijzen;

In conventie en in reconventie:

[geïntimeerde] in de kosten van beide instanties te veroordelen."

3 De beoordeling in het incident

3.1

Het gaat in deze zaak om het volgende.
Tussen partijen zijn een koop- en huurovereenkomst tot stand gekomen als omschreven in rechtsoverweging 2.1 tot en met 2.3 van het vonnis waarvan beroep. Het hof zal uitgaan van de in die rechtsoverwegingen alsmede in de rechtsoverwegingen 2.4 tot en met 2.10 weergegeven feiten.
[appellante] heeft in eerste aanleg in conventie, samengevat, gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen tot nakoming van de verplichtingen die voortvloeien uit de koop-/huurovereenkomst, onder meer bestaande in het opmaken van een zogenaamd asbestinventarisatierapport van het gehuurde alsmede een eindrapport na een eventuele sanering teneinde vast te stellen dat het gehuurde weer in gebruik kan worden genomen. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van [appellante] afgewezen. In reconventie heeft de voorzieningenrechter [appellante] veroordeeld tot betaling van de inmiddels verschenen en nog te verschijnen huurtermijnen vanaf april 2013.

3.2

Bij memorie van grieven heeft [appellante] haar oorspronkelijke eis in conventie gewijzigd, aldus dat zij haar in eerste aanleg ingestelde vorderingen intrekt, behoudens de vordering tot veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten. Zij vordert thans een voorschot van € 235.000,-, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW vanaf 27 december 2012, althans vanaf 25 juli 2013, althans vanaf de dag "dezer dagvaarding", tot aan de dag der algehele voldoening. Zij legt daaraan het volgende ten grondslag.
[appellante] heeft inmiddels geen belang meer bij de door haar in eerste aanleg gevorderde voorzieningen, aangezien zij inmiddels tot buitengerechtelijke ontbinding en (voor zover vereist ook) tot vernietiging van de koop-/huurovereenkomst is overgegaan, en [geïntimeerde] zich bij de beëindiging heeft neergelegd. Omdat [geïntimeerde] geen gehoor heeft gegeven aan het bij sommatie gedane verzoek van [appellante] om over te gaan tot terugbetaling van al hetgeen [appellante] uit hoofde van de huur- en koopovereenkomst betaald heeft, en tot vergoeding van de schade van [appellante], heeft zij een bodemprocedure aanhangig gemaakt. Hierin vordert zij zowel de bekrachtiging van haar ontbinding/vernietiging van de huurovereenkomsten door middel van een verklaring voor recht, als (terug)betaling van al hetgeen zij heeft voldaan uit hoofde van de koop-/huurovereenkomst, alsmede vergoeding van haar schade.

3.3

[geïntimeerde] heeft bezwaar gemaakt tegen deze wijziging van eis. Zij legt daaraan het volgende ten grondslag. Er is sprake van een totaal andere vordering en een totaal andere grondslag. Los van het feit dat de nieuwe vordering zich niet leent voor behandeling in kort geding (het spoedeisend belang ontbreekt, en er is over deze materie reeds een bodemprocedure aanhangig ten overstaan van de kantonrechter in Alkmaar), wordt [geïntimeerde] in haar verdediging geschaad, nu deze vordering direct in hoogste feitelijke instantie wordt ingediend. Het enkele feit dat reeds een uitspraak in kort geding is gegeven, maakt niet dat in hoger beroep dan iedere andere vordering zou kunnen worden ingesteld, aldus [geïntimeerde].

3.4

Het hof overweegt als volgt.
Op grond van artikel 130 Rv is de eiser bevoegd zijn eis of de gronden daarvan schriftelijk, bij conclusie of akte ter rolle te veranderen of te vermeerderen. De gedaagde is bevoegd hiertegen bezwaar te maken, op grond dat de verandering of vermeerdering in strijd is met de eisen van een goede procesorde. Krachtens artikel 353 lid 1 Rv geldt dit ook in hoger beroep.
Inherent aan de mogelijkheid van eiswijziging in hoger beroep is dat de gewijzigde eis slechts door één feitelijke instantie, het gerechtshof, beoordeeld wordt. De enkele omstandigheid dat aan de (oorspronkelijk) gedaagde een feitelijke instantie wordt ontnomen, is derhalve op zich ontoereikend om een eiswijziging in hoger beroep in strijd met de eisen van een goede procesorde te achten. Bijkomende feiten en omstandigheden om hiertoe wel te kunnen concluderen zijn gesteld noch gebleken. Het hof tekent daarbij aan dat de vordering voortvloeit uit dezelfde rechtsverhouding als de oorspronkelijke vordering en dat hieraan materieel hetzelfde geschil ten grondslag ligt. Voorts zijn als gevolg van de gestelde ontbinding/vernietiging de omstandigheden in de visie van [appellante] gewijzigd en behoort zij in beginsel de mogelijkheid te hebben haar eis daarop aan te passen. Daarnaast heeft het hoger beroep mede een herstelfunctie en is het appellant in beginsel toegestaan zijn koers in het hoger beroep te wijzigen (ECLI:NL:HR:2010:BM3912). Derhalve zal het hof recht doen op de gewijzigde eis. De bezwaren die [geïntimeerde] aanvoert tegen de gewijzigde eis als zodanig, te weten dat [appellante] hierbij geen spoedeisend belang heeft en dat deze zich niet leent voor een kort geding, zullen bij de inhoudelijke beoordeling van de vordering aan de orde komen.


De slotsom

3.5

Het hof zal het bezwaar tegen de eiswijziging verwerpen. De beslissing omtrent de kosten van dit incident zal worden aangehouden tot de einduitspraak in de hoofdzaak.


In de hoofdzaak

Het hof zal de zaak naar de rol verwijzen voor verder procederen.

4 De beslissing in het incident


Het gerechtshof:

verwerpt het bezwaar tegen de eiswijziging;

houdt de beslissing omtrent de kosten van het incident aan tot het eindarrest;

In de hoofdzaak

verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 22 april 2014 voor verder procederen
(beraad partijen).

Dit arrest is gewezen door mr. L. Janse, mr. M.M.A. Wind en mr. R.A. van der Pol en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 8 april 2014.