Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:2864

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-04-2014
Datum publicatie
09-04-2014
Zaaknummer
P14.26
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ingevolge de overgangsregeling van Wet van 13 december 2010 tot wijziging van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten, in verband met de aanpassing van de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende jeugdsancties (Stb. 2010, 818)) zijn in casu de oude artikelen 77s, zesde en zevende lid, 77t, tweede lid, 77ta en 77tb van het Wetboek van Strafrecht van toepassing nu de feiten waarvoor aan de jeugdige de maatregel is opgelegd, zijn gepleegd voor de inwerktreding van de wetswijzing van 1 juli 2012. Derhalve is een voorwaardelijke beëindiging niet mogelijk en niet wetsconform. Toepassing van de overgangsregeling, gezien het samenstel en de samenhang van wijzigingen met betrekking tot de maatregel in voornoemde wijzigingswet, is in dit geval niet in strijd met artikel 7 EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

PIJ P14/0026

Beslissing d.d. 3 april 2014

De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van het openbaar ministerie in de zaak tegen

[jeugdige],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

verblijvende in [kliniek].

Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Amsterdam van 24 december 2013, houdende verlenging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen tot 1 maart 2014 en voorwaardelijke beëindiging van de maatregel met ingang van 1 maart 2014 voor de duur van twaalf maanden.

Het hof heeft gelet op de stukken, waaronder:

- de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 mei 2009, waarbij de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen is opgelegd;

- het verlengingsadvies van de [kliniek] van 21 november 2013;

- de vordering van het openbaar ministerie, ingekomen op 1 november 2013;

- het proces-verbaal van het onderzoek in eerste aanleg;

- de beslissing waarvan beroep;

- de akte van beroep van het openbaar ministerie van 6 januari 2014;

- de appelmemorie van het openbaar ministerie van 20 januari 2014;

- de aanvullende informatie van [kliniek] van 7 maart 2014, met als bijlage de wettelijke aantekeningen over de periode van week 32 van 2013 tot en met week 4 van 2014;

- het advies van [GGZ-instelling] van 11 maart 2014;

- de door de raadsman ter zitting overgelegde pleitnota.

Het hof heeft ter zitting van 13 maart 2014 gehoord de jeugdige, bijgestaan door zijn raadsman mr J.H. van Dijk, advocaat te Amsterdam, en de advocaat generaal mr. J.F.C. Janssen.

Overwegingen:

Het advies van de kliniek

De jeugdige is een verstandelijk beperkte jongen met een autisme spectrum stoornis en antisociale kenmerken. Hij heeft geen ziektebesef en ziekte-inzicht. Hij functioneert gemiddeld genomen op een zwakbegaafd niveau, maar er is sprake van een zeer disharmonisch beeld. De jeugdige heeft duidelijk autistische kenmerken. Hoewel de anamnese niet optimaal is af te nemen kan gesteld worden dat een autistiforme stoornis het beeld het best lijkt te omschrijven. In zijn benadering van zijn omgeving valt op dat hij weinig gericht is op het maken van sociaal contact. In het contact is geen sprake van wederkerigheid. De jeugdige is heel rigide in zijn opvattingen en gedrag. Hij vertoont weinig lijdensdruk. Omdat de jeugdige tijdens zijn verblijf in [jeugdgevangenis] middelen heeft gebruik, valt hij binnen [kliniek] onder het protocol verslaving. De jeugdige is regelmatig gecontroleerd op het gebruik van middelen. Vaak weigert hij deelname hetgeen als een positieve uitslag wordt beschouwd. In zijn gedrag zijn echter geen aanwijzingen voor gebruik van middelen. De jeugdige functioneert op veel vlakken op zwakbegaafd niveau maar op enkele vlakken op een hoger niveau. Daardoor ontstaat makkelijk het idee dat hij geen verstandelijke beperking heeft en dat hij daarom binnen de huidige instelling niet op zijn plek is. Hierdoor kan de jeugdige in zijn mogelijkheden overschat en overvraagd worden. Binnen [kliniek] is de behandelrelatie niet tot stand gekomen. De jeugdige heeft zich onder invloed van/ ten gevolge van zijn problematiek verzet tegen verblijf en behandeling. Hij wordt in zijn strijd gesteund dor zijn netwerk en zijn advocaat. Door zijn beperkte mogelijkheden en zijn grote neiging tot rigiditeit volhardt de jeugdige in zijn strijd en is er een impasse in de behandeling ontstaan en stagneert het resocialisatietraject. Het gedrag dat de jeugdige laat zien, is in zijn hele ontwikkelings- en behandelingsgeschiedenis terug te zien. Belangrijk is handvatten te krijgen om de rigide denkpatronen, de motivatieproblemen en het verzet te doorbreken.

Het recidivegevaar binnen de huidig context wordt op de korte termijn, de middellange termijn en de lange termijn als matig geschat. Het recidivegevaar wordt zonder de structuur van de maatregel op de korte termijn, de middellange termijn en op de lange termijn als hoog geschat. Het is van belang dat de jeugdige op een zo veilig mogelijke manier in de maatschappij kan terugkeren. De kliniek adviseert de maatregel voor de duur van achttien maanden te verlengen.

In het aanvullend advies van [kliniek] van 7 maart 2014 blijft de instelling bij het standpunt dat de maatregel voor de maximale termijn dient te worden verlengd. Ondanks het feit dat de resultaten van de behandeling matig zijn vanwege persisterend verzet, dient gezien het hoge recidiverisico de veiligheid van de maatschappij voorop te staan. Het is prematuur de maatregel te beëindigen nu niet de maximale gelegenheid is gebruikt om te werken aan de factoren die de commitment aan de behandeling in de weg staan. Bovendien is terugkeer van de jeugdige onder toezicht van de reclassering in de maatschappij niet realistisch nu de jeugdige eerder herhaaldelijk de voorwaarden heeft geschonden.

De instelling merkt nog op dat het risico dat de jeugdige na beëindiging van de maatregel (medio 2015) zonder nazorg in de samenleving terug zal keren, kan worden beperkt door een rechterlijke machtiging aan te vragen waardoor de (dwang)behandeling kan worden voortgezet.

Het standpunt van de jeugdige en zijn raadsman

Sinds de laatste verlengingsbeslissing van 24 december 2013 is in de situatie van de jeugdige geen wezenlijke verandering gekomen. De behandeling is nog steeds in een impasse die zich verder verhardt. De impasse wordt enerzijds veroorzaakt door de rigiditeit vanuit het autisme spectrum stoornis maar anderzijds door de wijze waarop de betrokken instanties met de jeugdige zijn omgegaan. De jeugdige heeft drie jaar en acht maanden in [jeugdgevangenis] verbleven, terwijl in het vonnis met zo veel woorden wordt aangegeven dat de maatregel ten uitvoer moet worden gelegd in de [jeugdpsychiatrische kliniek]. De deskundige die destijds de maatregel heeft geadviseerd, heeft plaatsing in een reguliere jeugdinrichting als [jeugdgevangenis] afgeraden, mede omdat het gezin van de jeugdige zoveel mogelijk bij de behandeling diende te worden betrokken. Na een tamelijk positieve start in [jeugdgevangenis] is de behandeling in een impasse geraakt. [jeugdgevangenis] heeft ingezet op een overplaatsing naar [kliniek]. Daarmee is het advies van de verlengingsrechter niet opgevolgd. De jeugdige heeft niet de voor hem benodigde behandeling ontvangen. De impasse lijkt zich door de opstelling van [kliniek] te verharden. Hierdoor is er een onwenselijke en uitzichtloze situatie ontstaan. Een verlenging van de maatregel is niet in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de jeugdige.

Verlenging van de maatregel is bovendien in strijd met het legaliteitsbeginsel. De overgangsregeling behorende bij de Wet van 13 december 2010 is van toepassing op de jeugdige omdat hij de strafbare feiten voor de inwerkingtreding van deze wet heeft begaan. Hierdoor zal hij niet de bij een voorwaardelijke beëindiging behorende verplichte en adequate nazorg ontvangen. Dit is in strijd met het legaliteitsbeginsel van artikel 1, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht en artikel 7 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. De invoering van de verplichte en adequate nazorg is in het voordeel van de jeugdige en ingevolge deze artikelen moet de voor hem meest gunstige bepaling worden toegepast. De jeugdige moet kunnen profiteren van de gunstige verandering van de wetgeving na het plegen van het feit. Het vooropstellen van het specifieke belang van de jeugdige is bovendien in overeenstemming met artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind. De maatregel kan weliswaar met de duur van achttien maanden worden verlengd maar daarbij zal het laatste jaar voorwaardelijk moeten zijn. De raadsman heeft verzocht de beslissing van de rechtbank te bevestigen.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De indexdelicten zijn voor de wetswijziging begaan. De wet kent geen terugwerkende kracht. Met een STP kunnen in het voordeel van de jeugdige dezelfde voorwaarden worden gecreëerd. Het is moeilijk in te schatten of de instanties niet op de stoornis van de jeugdige waren toegerust. De jeugdige kan zonder enig vangnet niet aan de reclassering worden overgedragen. Hij zal nog enkele behandelingen moeten ondergaan waarbij hij zich de nodige vaardigheden zal moeten eigen maken. Ook dient er eerst een intramuraal verlof plaats te vinden. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot vernietiging van de beslissing van de rechtbank en toewijzing van de vordering.

Het oordeel van het hof

Per 1 juli 2011 zijn onder andere de artikelen 77s, zesde lid, en 77t, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht gewijzigd en is de voorwaardelijke beëindiging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen ingevoerd (Wet van 13 december 2010 tot wijziging van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten, in verband met de aanpassing van de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende jeugdsancties (Stb. 2010, 818)). Deze wet bevat een overgangsregeling die luidt (artikel VI):

De artikelen 77s, zesde en zevende lid, 77t, tweede lid, 77ta en 77tb van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij na inwerkingtreding van deze wet komen te luiden, worden slechts toegepast met betrekking tot feiten gepleegd na inwerkingtreding van deze wet. Met betrekking tot feiten, gepleegd voor inwerkingtreding van deze wet, blijven de artikelen 77s, zesde en zevende lid, 77t, tweede lid, Wetboek van Strafrecht van toepassing zoals deze luidden voor dat tijdstip en blijven de artikelen 77ta en 77tb Wetboek van Strafrecht buiten toepassing.

De feiten waarvoor aan de jeugdige de maatregel is opgelegd, zijn gepleegd voor de inwerkingtreding van voornoemde wetswijziging, namelijk op 3 september 2008 en in de periode van 2 juni 2008 tot en met 4 juni 2008. Ingevolge de overgangsregeling zijn derhalve de oude artikelen 77s, zesde lid en 77t, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht van toepassing. Voorwaardelijke beëindiging van de maatregel is mitsdien in dit geval niet mogelijk en is – anders dan de rechtbank heeft overwogen – niet wetsconform. Het hof acht toepassing van de overgangsregeling, gezien het samenstel en de samenhang van wijzigingen met betrekking tot de maatregel in voornoemde wijzigingswet, in dit geval niet in strijd met artikel 7 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

Het hof zal daarom de beslissing van de rechtbank vernietigen.

Indexdelict

De maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 28 mei 2009 aan de jeugdige opgelegd onder meer ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten: poging tot moord.

Stoornis en recidivegevaar

Bij de jeugdige is sprake van een autistisch spectrum stoornis met antisociale kenmerken. Het recidivegevaar wordt binnen de structuur van de PIJ maatregel op de korte termijn, de middellange termijn en op de lange termijn als hoog geschat.

Verlenging

Gelet op de adviezen van [kliniek] is het hof van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen verlenging van de maatregel eist. Verlenging van de maatregel acht het hof mede in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de jeugdige. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is het hof gebleken dat de jeugdige gezien zijn problematiek en zijn opstelling gebaat is bij voortzetting van de (onvoorwaardelijke) maatregel en een in het kader daarvan een begeleide en gestructureerde terugkeer in de samenleving waarbij - zo mogelijk op voortvarende wijze - uitvoering wordt gegeven aan het STP. Het hof heeft daarbij nota genomen van de opmerking van [kliniek] dat het risico van beëindiging van de maatregel zonder nazorg kan worden verkleind door, indien noodzakelijk, een rechterlijke machtiging op grond van de Wet BOPZ aan te vragen. Het hof zal gelet op het een en ander de maatregel verlengen voor de duur van achttien maanden. Deze termijn biedt gelegenheid om tot een behandeling te komen en de jeugdige op zijn terugkeer in de samenleving voor te bereiden. Het hof merkt op dat een andere opstelling van de jeugdige ten opzichte van (het nut van) de behandeling en het resocialisatietraject een belangrijke bijdrage zal geven aan de bespoediging en succes daarvan.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt de beslissing van de rechtbank Amsterdam van 24 december 2013 met betrekking tot de betrokkene [jeugdige].

Verlengt de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen met een termijn van achttien maanden.

Aldus gedaan door

mr E.A.K.G. Ruys als voorzitter,

mr P.R. Wery en mr. J.W. Rijkers als raadsheren,

en dr. A. Verheugt en E.M.M. Mol als raden,

in tegenwoordigheid van B. Moorlag als griffier,

en op 3 april 2014 in het openbaar uitgesproken.

Mr P.R. Wery en de raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.