Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:2856

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
08-04-2014
Datum publicatie
15-05-2014
Zaaknummer
200.138.125
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Ontslag op staande voet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2014-0459
AR 2014/315

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.138.125 (zaaknummer rechtbank Gelderland, team kanton en handelsrecht, zittingsplaats Arnhem 2382241)

arrest in kort geding van de derde kamer van 8 april 2014

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Intertaste B.V.,

gevestigd te Puttershoek,

appellante,

hierna: Intertaste,

advocaat: mr. G.A. Diebels,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. N.L. Gilling.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van

30 oktober 2013 dat de kantonrechter (rechtbank Gelderland, team kanton en handelsrecht, zittingsplaats Arnhem) tussen Intertaste als gedaagde en [geïntimeerde] als eiser heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 27 november 2013 (met grieven), met producties,

- de memorie van antwoord, tevens houdende incidentele vordering, met producties,

- de pleidooien overeenkomstig de pleitnotities van mr. G.A. Diebels en mr. N.L. Gilling.

2.2

Na afloop van de pleidooien heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

3.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.11 van het (bestreden) vonnis van 30 oktober 2013. Voor zover Intertaste onder grief 1 klaagt dat daarnaast ook andere feiten voor de beoordeling van belang zijn, zal het hof daarop, voor zover voor de beslissing noodzakelijk, onder 4 ingaan.

3.2

Aldus staan in hoger beroep (in ieder geval) de volgende feiten vast.

3.3

Intertaste is een bedrijf dat actief is in de voedingsmiddelenindustrie. Zij produceert onder meer soepen, sauzen en specerijen. [geïntimeerde] is vanaf 1 december 2007 in dienst bij (de rechtsvoorgangster van) Intertaste als ‘proces operator’. Het laatstgenoten salaris van [geïntimeerde] bedroeg € 2.371,97 bruto per maand, te vermeerderen met 14% ploegentoeslag en 8% vakantietoeslag.

3.4

In juni 2013 heeft Intertaste geconstateerd dat [geïntimeerde] tijdens zijn dienst geen gegevens in het HAI-registratiesysteem had ingevuld. [geïntimeerde] had het niet-controleren en niet-registreren niet gemeld aan zijn leidinggevende. Intertaste heeft [geïntimeerde] daarvoor een officiële schriftelijke waarschuwing gegeven, die door [geïntimeerde] is ondertekend.

3.5

In juli 2013 heeft Intertaste ontdekt dat [geïntimeerde] eerder dat jaar (mei en maart 2013) bij meerdere controles foutieve informatie had genoteerd. Intertaste heeft [geïntimeerde] daarop aangesproken en een laatste officiële schriftelijke waarschuwing gegeven, die door [geïntimeerde] is ondertekend. Intertaste heeft in die waarschuwing onder meer het volgende opgenomen:

“Mocht opnieuw worden geconstateerd dat u uw controles niet of niet goed uitvoert en/of controlelijsten niet volledig of niet naar waarheid invult, zullen wij overgaan tot ontslag”.

3.6

Laatstgenoemde officiële waarschuwing is (naast [geïntimeerde]) ook aan andere werknemers gegeven. Op 25 juli 2013 is de hele afdeling door het management bijeengeroepen, is gewezen op het belang van waarheidsgetrouw invoeren en is nogmaals meegedeeld dat als controles niet kunnen worden uitgevoerd er niets in het systeem moet worden ingevuld en de shiftleider moet worden gewaarschuwd, waarna producten kunnen worden geblokkeerd en na latere analyses alsnog worden vrijgegeven.

3.7

Op 5 augustus 2013 is een collega van [geïntimeerde] op staande voet ontslagen nadat hij (wederom) geen controles had uitgevoerd en meetwaardes niet naar waarheid had ingevuld. Dit ontslag, de reden ervan en het belang van controle en juiste registratie is op 6 augustus 2013 tijdens een informatiesessie besproken. [geïntimeerde] was daarbij aanwezig.

3.8

Op vrijdag 16 augustus 2013 heeft [geïntimeerde] na zijn pauze van 11.30 uur zijn werk hervat en, in strijd met de procedure, geen controles uitgevoerd en in het systeem geregistreerd dat hij de testen wél, met goed resultaat, had uitgevoerd. Een en ander is door twee getuigen gezien. Tijdens een gesprek dat kort daarna heeft plaatsgevonden heeft [geïntimeerde] erkend geen controles/testen te hebben uitgevoerd. [geïntimeerde] is met onmiddellijke ingang geschorst.

3.9

Op maandag 19 augustus 2013 heeft Intertaste diverse malen geprobeerd telefonisch met [geïntimeerde] in contact te komen, zonder resultaat. Dezelfde dag is [geïntimeerde] per e-mail uitgenodigd voor een gesprek op dinsdag 20 augustus 2013 om 9.00 uur. [geïntimeerde] heeft niet gereageerd en is niet verschenen.

3.10

Op 20 augustus 2013 heeft Intertaste [geïntimeerde] op staande voet ontslagen. De ontslagbrief is op 20 augustus 2013 per koerier bij [geïntimeerde] bezorgd. De brief luidt, voor zover relevant in deze procedure:

“(...) Alles afwegend is de gebeurtenis van l6 augustus jl. na de tweede pauze zelfstandig, dan wel in combinatie met de gebeurtenis van 16 augustus jl. na de eerste pauze en/of met één of meerdere van de eerdere voorvallen, voor ons reden u met ingang van vandaag, 20 augustus 2013, op staande voet te ontslaan. (...)”.

3.11

Intertaste heeft het salaris van [geïntimeerde] tot 1 augustus 2013 betaald.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1

Tegen de achtergrond van de onder 3 vermelde feiten heeft [geïntimeerde] Intertaste in kort geding gedagvaard en daarbij gevorderd, samengevat, doorbetaling van zijn gebruikelijke maandsalaris van € 2.704,05 bruto vanaf 1 augustus 2013 tot aan de datum waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente en met veroordeling van Intertaste in de proceskosten. Aan zijn vorderingen heeft [geïntimeerde] ten grondslag gelegd dat geen sprake is van een rechtsgeldig gegeven ontslag nu een dringende reden ontbreekt en het ontslag niet onverwijld is gegeven.

4.2

In het bestreden vonnis van 30 oktober 2013 heeft de voorzieningenrechter de vorderingen – behoudens de wettelijke verhoging – toegewezen. Volgens de voorzieningenrechter zijn de door [geïntimeerde] gepleegde feiten ernstig, maar niet zodanig ernstig dat niet in redelijkheid van Intertaste kan worden verwacht de arbeidsovereenkomst te laten voortduren in afwachting van een uitspraak in een door haar te entameren ontbindingsprocedure. Het op 12 september 2013 door Intertaste ingediende ontbindingsverzoek is door de kantonrechter op de subsidiaire grondslag wijziging van omstandigheden toegewezen met ingang van 1 november 2013, waarbij de door [geïntimeerde] verzochte vergoeding is afgewezen. De gedragingen van [geïntimeerde] zijn vooralsnog niet aan te merken als een dringende reden zodat voldoende waarschijnlijk is dat de bodemrechter het ontslag nietig zal verklaren, aldus de voorzieningenrechter.

4.3

Van dit vonnis is Intertaste in hoger beroep gekomen, onder aanvoering van vijf grieven. Met het oog op de door de voorzieningenrechter gegeven veroordeling tot loondoorbetaling, waaraan Intertaste op 13 november 2013 heeft voldaan, heeft Intertaste, stellende dat sprake is van een restitutierisico, bij memorie van grieven tevens een incidentele vordering ex artikel 235 Rv tot het (alsnog) stellen van zekerheid ingesteld. Ter gelegenheid van het pleidooi heeft mr. Gilling nader toegelicht dat het door haar opgeworpen incident uitsluitend ertoe strekt dat het hof in zijn beoordeling zal betrekken de door [geïntimeerde] ingenomen stelling dat op zijn werk sprake was van werkdruk die het hem gemaakte verwijt mede heeft veroorzaakt. Het hof zal hierna in de hoofdzaak op die stelling ingaan, zodat deze ‘incidentele vordering’ als zodanig geen afzonderlijke beoordeling meer behoeft.

In de hoofdzaak

4.4

Onder de grieven 1 tot en met 3 en 5 voert Intertaste een aantal – deels aanvullende – feiten aan die volgens haar meebrengen dat sprake is van een rechtsgeldig gegeven ontslag wegens een dringende reden. Voorts is de dringende reden meegedeeld en het ontslag onverwijld gegeven, aldus Intertaste (grief 5). Grief 4 klaagt dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat van Intertaste had kunnen worden verwacht de ontbindingsprocedure af te wachten.

4.5

De grieven leggen aan het hof ter beoordeling voor of het aan [geïntimeerde] op

20 augustus 2013 gegeven ontslag wegens een dringende reden, rechtsgeldig is geschied.

4.6

Voor zover [geïntimeerde] – naar het hof begrijpt – aanvoert dat Intertaste bij gebrek aan spoedeisend belang niet-ontvankelijk is in het hoger beroep, faalt dat verweer.

Het onderhavige kort geding is door [geïntimeerde] ingesteld en de gevorderde voorzieningen zijn door de voorzieningenrechter toegewezen, zodat Intertaste bij haar vordering tot vernietiging van dat vonnis in hoger beroep voldoende (spoedeisend) belang heeft.

4.7 het hof stelt voorop dat een werkgever bevoegd is de arbeidsovereenkomst met een werknemer onverwijld op te zeggen wegens een dringende reden indien sprake is van zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren (artikel 677 lid 1 jo. 678 lid 1 BW). Bij de beantwoording van de vraag of de aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegde redenen als dringend in de zin van artikel 7:677 lid 1 BW hebben te gelden, moeten mede de persoonlijke omstandigheden van de werknemer worden betrokken, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die het ontslag voor hem zouden hebben. Maar ook indien deze gevolgen ingrijpend zijn, kan een afweging van deze persoonlijke omstandigheden tegen de aard en ernst van de dringende reden tot de slotsom leiden dat een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd is (vgl. HR 21 januari 2000, ECLI:NL:HR:2000: AA4436).

4.8

In dit geval kan bij de beoordeling van de rechtsgeldigheid van het aan [geïntimeerde] gegeven ontslag op staande voet van het volgende worden uitgegaan.

Intertaste produceert voedingsproducten. De voedselveiligheid brengt mee dat tijdens de productie controles plaatsvinden. Deze controles waren ook bij Intertaste voorgeschreven. Registratie van die controles is nodig ter verificatie van de controles en voor de traceerbaarheid achteraf indien zich gebreken aan de voedselproducten openbaren.

[geïntimeerde] is in ieder geval in juli 2013 gewaarschuwd dat op bij het niet-naleven van de desbetreffende voorschriften ontslag zou volgen. Op 5 augustus 2013 is een directe collega van [geïntimeerde] ontslagen omdat hij opnieuw geen controles had uitgevoerd en meetwaardes niet naar waarheid had ingevuld. [geïntimeerde] was daarvan op de hoogte. Naar aanleiding van het aan deze collega gegeven ontslag heeft op 6 augustus 2013 een informatiebijeenkomst plaatsgevonden, waarin Intertaste het belang van het naar waarheid invullen van de gegevens (nogmaals) onder de aandacht heeft gebracht. [geïntimeerde] was bij die bijeenkomst aanwezig. Desondanks heeft [geïntimeerde] op 16 augustus 2013 in strijd met de voorschriften geen controle uitgevoerd en tevens in het systeem ingevoerd dat hij die controle wel had uitgevoerd.

4.9

Naar Intertaste genoegzaam heeft toegelicht, heeft zij gelet op de voedselveiligheid, haar in dat verband kwetsbare reputatie en daarmee haar bedrijfsbelangen evenals de daaraan verbonden belangen van haar (overige) werknemers, voldoende zwaarwegende redenen om haar bedrijfsbeleid ten aanzien van de (betrouwbaarheid van de) voorgeschreven controles strikt te handhaven. [geïntimeerde] was van dat bedrijfsbeleid blijkens de eerder gegeven waarschuwing, het ontslag van zijn collega en de informatiebijeenkomst op de hoogte.

Uit de eerder gegeven waarschuwing wist [geïntimeerde] voorts dat Intertaste bij het niet-naleven van de controlevoorschriften met ontslag dreigde en hij wist tevens uit het aan zijn collega op 5 augustus 2013 gegeven ontslag dat het bedrijfsbeleid door Intertaste daadwerkelijk werd gehandhaafd. [geïntimeerde] heeft door desondanks in strijd met die voorschriften te handelen, door zijn eigen handelwijze aanleiding gegeven tot een vertrouwensbreuk met Intertaste.

Dat de [geïntimeerde] verweten gedraging het gevolg is van onderbezetting en daarmee een hoge werkdruk is – mede gelet op de ter gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep van beide zijden gegeven toelichting omtrent de wijze waarop de voorgeschreven controles zijn ingepast in het werkschema – in dit kort geding niet aannemelijk geworden. Daarbij komt dat ervan moet worden uitgegaan dat [geïntimeerde] onmiddellijk na een pauze heeft verzuimd de controle uit te voeren en heeft verzuimd dit naar waarheid in te vullen. Dat werknemers een druk voelden die hen verhinderden de voorschriften na te leven is onvoldoende aangetoond. Zo is gesteld noch gebleken dat [geïntimeerde] aan productienormen moest voldoen die het uitvoeren van tussentijdse controles onmogelijk maakten en evenmin dat het voor hem niet mogelijk was zijn werkgever te melden dat naleving van de controlevoorschriften in het algemeen of in een voorkomend geval, redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd. Voor bewijslevering ten aanzien van de desbetreffende (overigens ook onvoldoende uitgewerkte) stellingen van [geïntimeerde] is in dit kort geding gelet op de aard van de procedure overigens geen plaats.

4.10

Met het verweer dat de ingevulde gegevens achteraf gezien (toevallig) juist bleken te zijn, ziet [geïntimeerde] eraan voorbij dat Intertaste een groot belang erbij heeft dat zij ervan kan uitgaan dat daadwerkelijk controles zijn uitgevoerd, zodat waarheidsgetrouwe registratie zowel van het feit dat een controle (al dan niet) is uitgevoerd als van het feit dat ingevulde gegevens op een daadwerkelijk plaatsgevonden controle berusten voor haar essentieel is.

Het is in het bijzonder deze misleiding door het invullen van niet op een daadwerkelijke controle berustende gegevens, op grond waarvan het van Intertaste in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

4.11

De gevolgen die dit ontslag voor [geïntimeerde] in verband met zijn persoonlijke omstandigheden heeft, waaronder zijn leeftijd (54 jaar) en de mede daaraan verbonden moeilijkheden voor het vinden van een nieuwe betrekking, kunnen in dit geval niet afdoen aan de gerechtvaardigdheid daarvan, gelet op de ernst van de [geïntimeerde] verweten gedraging, de daaruit voortgevloeide vertrouwensbreuk met Intertaste en het belang van Intertaste bij de handhaving van haar met de voedselveiligheid verbonden bedrijfsbeleid.

4.12

Anders dan [geïntimeerde] heeft aangevoerd, is het hof voorshands van oordeel dat het ontslag onverwijld is gegeven. Na de schorsing van [geïntimeerde] heeft Intertaste direct nader onderzoek verricht na afronding waarvan Intertaste [geïntimeerde] telefonisch heeft getracht te bereiken. Dat [geïntimeerde] door persoonlijke omstandigheden onbereikbaar was gedurende zijn schorsing, kan Intertaste in dit geval bezwaarlijk worden tegengeworpen. Evenmin treft Intertaste een verwijt dat zij, nadat zij [geïntimeerde] op 16 augustus 2013 had gehoord, dit na het door Intertaste verrichte nadere onderzoek alsnog had moeten doen. Dat Intertaste, zo zij dit wel zou hebben gedaan, tot een ander besluit zou zijn gekomen of had moeten komen, is overigens ook niet aannemelijk geworden. Zoals hiervoor is overwogen, zijn de feiten waarvan in dit kort geding moet worden uitgegaan, en waarover [geïntimeerde] zich in deze procedure heeft kunnen uitlaten, immers voldoende om het gegeven ontslag wegens dringende reden te rechtvaardigen. Bij deze stand van zaken behoefde Intertaste ook niet de uitkomst van de ontbindingsprocedure af te wachten.

4.13

Tenslotte zijn de voorgaande, toereikende, gronden voor het gegeven ontslag voldoende (zelfstandig) tot uitdrukking gekomen in de ontslagbrief van 20 augustus 2013. Aldus kan in het midden blijven of de waarschuwingen van 13 augustus 2012 en 19 juli 2013 terecht zijn gegeven en mede het gegeven ontslag kunnen dragen.

4.14

De grieven 1 tot en met 5, gericht tegen het andersluidende oordeel van de voorzieningenrechter, slagen derhalve en behoeven voor het overige geen verdere bespreking.

In het incident tot het stellen van zekerheid ex artikel 235 Rv

4.15

Nu in de hoofdzaak het vonnis zal worden vernietigd, heeft Intertaste geen belang meer bij haar incidentele vordering tot het stellen van zekerheid in verband met de op grond van dat vonnis verrichte betaling. Het hof begroot die kosten (aan beide zijden) ten opzichte het debat in de hoofdzaak op nihil, zodat het hof geen (afzonderlijke) proceskostenveroordeling in dit incident zal uitspreken. Voorts zijn in de proceskostenveroordeling in de hoofdzaak, gelet op het onder 4.3 overwogene, de kosten in het door [geïntimeerde] opgeworpen (door het hof verworpen) ‘incident’ begrepen.

5 Slotsom

5.1

De grieven slagen, zodat het bestreden vonnis moet worden vernietigd.

5.2

Als de (overwegend) in het ongelijk te stellen partij zal het hof [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties veroordelen.

De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van Intertaste zullen worden vastgesteld op:

- salaris advocaat € 400,- (2 punten x tarief kort geding)

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van Intertaste zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten € 76,71

- griffierecht € 683,-

subtotaal verschotten € 759,71

- salaris advocaat € 2.682,- (3 punten x tarief II)

Totaal € 3.441,71

5.3

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals hierna vermeld.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

in de hoofdzaak:

vernietigt het vonnis van de kantonrechter (rechtbank Gelderland, team kanton en handelsrecht, zittingsplaats Arnhem) van 30 oktober 2013 en doet opnieuw recht:

wijst het gevorderde alsnog af;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van Intertaste wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op € 400,- salaris overeenkomstig de staffel salarissen in rolzaken sector kanton en tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep vastgesteld op € 759,71 voor verschotten en op € 2.682,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en -voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt- te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

verklaart dit arrest (voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft) uitvoerbaar bij voorraad;

in het incident ex artikel 235 Rv:

wijst het gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. B.J. Lenselink, A.A. van Rossum en L.F. Wiggers-Rust en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 8 april 2014. Bij afwezigheid van de voorzitter is dit arrest getekend door mr. A.A. van Rossum.