Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:2837

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
08-04-2014
Datum publicatie
11-06-2014
Zaaknummer
200.084.178
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige daad Stichting Bureau jeugdzorg jegens minderjarige over wie de stichting de voogdij uitoefent?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.084.178

(zaaknummer rechtbank Almelo 109117)

arrest van de vierde kamer van 8 april 2014

in de zaak van

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna: [appellante],

advocaat: mr. A.J.R. Oude Middendorp,

tegen:

Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant,

gevestigd te Eindhoven,

geïntimeerde,

hierna: de stichting,

advocaat: mr. A.M.W.A. Lhoëst-van de Ven.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis dat de rechtbank Almelo op 8 december 2010 tussen [appellante] als eiseres en de stichting als gedaagde heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 3 maart 2011,

- de memorie van grieven,

- de memorie van antwoord,

- de pleidooien overeenkomstig de pleitnotities.

2.2

Na afloop van de pleidooien heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 1.1 tot en met 1.3 van het bestreden vonnis.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1

[appellante], geboren op [geboortedatum] 1985, is de dochter van [de moeder] en [de vader]. Zij heeft twee oudere zussen, te weten [zus A] (geboren in 1969) en [zus B] (geboren in 1977) en twee oudere broers, te weten [broer C] (geboren in 1975) en [broer D] (geboren in 1982). Haar ouders zijn gehuwd geweest en in 1979 gescheiden, maar hebben tot kort na de geboorte van [appellante] samengewoond. Na het feitelijk uiteengaan van de ouders zijn de kinderen bij hun moeder in [plaatsnaam] blijven wonen.

4.2

Op 15 juni 1998 is de moeder van [appellante], die op dat moment alleen belast was met het ouderlijk gezag over [broer D] en [appellante], overleden. [appellante] is op 15 juni 1998 bij haar oudere zus [zus B] in [plaatsnaam] gaan wonen. [zus B] was op dat moment 21 jaar oud en vormde een gezin met haar vriend en haar destijds tweejarig dochtertje [E.]. De Raad voor de Kinderbescherming (verder: de raad) heeft de kantonrechter te Helmond bij brief van

25 november 1998 geadviseerd de stichting tot voogd van [appellante] te benoemen en schrijft in zijn advies (productie 3 bij memorie van grieven): "Aandachtspunten zijn of [appellante] bij [zus B] voldoende mogelijkheden heeft om zich goed te ontwikkelen en het verwerken van het overlijden van moeder." In zijn brief van 16 december 1998 aan de stichting (productie 4 memorie van grieven) schrijft de raad: "[appellante] komt uit een hele complexe gezinssituatie. Momenteel gaat het met [appellante] niet goed m.b.t. het verwerkingsproces van het overlijden van haar moeder. Daarbij komt dat er binnen de familie getouwtrek is ontstaan over [appellante]. Er is deze week sprake van een crisis-achtige situatie. Vanuit de Raad hebben we deze week veel contacten gehad met het gezinssysteem om wat rust in de situatie van [appellante] te brengen." De kantonrechter te Helmond heeft bij beschikking van 17 december 1998 de stichting benoemd tot voogd van [appellante]. Namens de stichting is de voogdij uitgevoerd door mevrouw [F.] van 18 december 1998 tot 16 september 1999, de heer [G.] van 17 september 1999 tot juli 2001 en door mevrouw [H.] van juli 2001 tot 21 februari 2003.

4.3

De stichting heeft op 23 februari 1999 een hulpverleningsplan opgesteld ten behoeve van de uitoefening van de voogdij over [appellante] (productie 3 bij de dagvaarding in eerste aanleg). Op 10 mei 1999 is een pleegzorgplan opgesteld (productie 6 memorie van grieven) dat verwijst naar het hulpverleningsplan van 23 februari 1999 en onder meer als begeleidingsdoel op korte termijn vermeldt dat [appellante] gaat wonen in een leefgroep. De stichting meldt [appellante] bij brief van 7 juni 1999 (productie 9 memorie van grieven) aan voor een kleinschalige leefgroep bij de Stichting Troje in Eindhoven. Omdat op korte termijn geen zicht bestaat op een plaats in een dergelijke leefgroep en de plaatsing bij [zus B] niet is te handhaven, plaatst de stichting [appellante] op 6 juli 1999 op een opvanggroep van de stichting Troje in Eindhoven (productie 12 memorie van grieven).

4.4

Op 16 augustus 1999 beëindigt de stichting de plaatsing in de opvanggroep en plaatst [appellante] bij haar zus [zus A] die met haar vriend en haar twee jonge kinderen in [plaatsnaam] woont. Deze plaatsing geschiedt naar aanleiding van een verzoek van [zus A] om [appellante] te mogen opvoeden en onder voorbehoud, in afwachting van de resultaten van onderzoeken naar de geschiktheid van [zus A] en haar gezin als netwerkpleeggezinplaatsing. [F.] schrijft namens de stichting in haar brief van 1 september 1999 (productie 13 memorie van grieven) aan de Ambelt Jeugdhulpvoorziening in Nijverdal dat zij een bezoek heeft gebracht aan [zus A] en haar gezin, dat zij geen aanwijsbare redenen heeft aangetroffen de plaatsing geen doorgang te laten vinden en dat de stichting vooralsnog akkoord gaat met de plaatsing. Zij merkt vervolgens op dat er een raadsonderzoek loopt naar het gezin van [zus A] en dat in overleg met de raad is besloten de plaatsing doorgang te laten vinden in afwachting van de resultaten van het raadsonderzoek. Op 3 maart 2000 geeft de Ambelt de screeningsverklaring voor het gezin van [zus A] af die op 8 september 1999 is aangevraagd (productie 5 memorie van grieven).

4.5

Op 28 december 2000 verlaat [appellante] haar zus [zus A] en verblijft tot begin januari 2001 bij de ouders van een vriend in [plaatsnaam]. Vanaf de tweede week januari 2001 tot

14 augustus verblijft [appellante] bij de familie [I.] in [plaatsnaam]. Ten slotte verblijft zij van

15 augustus 2002 tot aan haar meerderjarigheid op [geboortedatum] 2003 bij de heer [J.] in [plaatsnaam]. Dit tijdsverloop is in de memorie van grieven (pagina’s 5 en 6) geschetst en door de stichting in de memorie van antwoord bevestigd. De stichting stelt op 10 oktober 2001 een 'vervolg voogdijplan' (productie 8 memorie van grieven) op en concludeert dat de familie [I.] een goede plek voor haar is en dat er een start is gemaakt deze plaatsing om te zetten in een pleegzorgplaatsing. In dit plan staat vermeld dat een verzoek zal worden ingediend het gezag over te dragen aan een voogdijinstelling in Overijssel, omdat [appellante] langdurig in [plaatsnaam] verblijft. De kantonrechter te Eindhoven geeft op 21 februari 2003 een beschikking op het verzoek van de stichting van 11 september 2002 en ontslaat de stichting als voogd en benoemt de Stichting Bureau Jeugdzorg Overijssel tot opvolgend voogd van [appellante]. De voogdij is op [geboortedatum] 2003, toen [appellante] meerderjarig werd, geëindigd.

4.6

De stichting is aldus van 17 december 1998 tot 21 februari 2003 belast geweest met de voogdij over [appellante]. [appellante] vordert in deze procedure:

(1) een verklaring voor recht dat de stichting jegens haar een onrechtmatige daad dan wel wanprestatie heeft gepleegd doordat de stichting grovelijk nalatig is geweest bij de uitvoering van haar voogdijtaken;

(2) een verklaring voor recht dat de stichting aansprakelijk is voor de door [appellante] geleden materiële en immateriële schade, nader te begroten;

met veroordeling van de stichting in de kosten van de procedure.

De rechtbank heeft de vorderingen van [appellante] afgewezen en haar veroordeeld in de kosten van de procedure. [appellante] komt met vijf grieven in hoger beroep op tegen deze beslissing en vordert - kort weergegeven - dat haar vorderingen in eerste aanleg alsnog worden toegewezen met veroordeling van de stichting tot betaling van door haar geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade, nader op te maken bij staat en met veroordeling van de stichting in de buitengerechtelijke incassokosten en in de kosten van beide instanties, uitvoerbaar bij voorraad. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang voor te leggen.

4.7

Ter gelegenheid van het pleidooi heeft [appellante] haar eis vermeerderd en gevorderd dat het hof, indien geoordeeld wordt dat de stichting onrechtmatig heeft gehandeld, een psychiater zal benoemen die een onafhankelijk onderzoek zal doen naar haar psychische gesteldheid en zal vaststellen of er persoonlijkheidsstoornissen zijn die gerelateerd zijn aan hetgeen [appellante] is overkomen in de periode van het voogdijschap. Tegen deze vermeerdering van eis heeft de stichting geen bezwaar gemaakt; de stichting is ter gelegenheid van het pleidooi wel ingegaan op deze vermeerdering van eis en heeft daartegen verweer gevoerd. Het hof ziet ook ambtshalve geen aanleiding deze buiten beschouwing te laten en zal op deze eisvermeerdering acht slaan.

4.8

Grief 1 betreft in de kern de vraag of de stichting onrechtmatig handelen jegens [appellante] kan worden verweten (artikel 6:162 en 170 van het Burgerlijk Wetboek (BW)). Het hof stelt bij de beoordeling van grief 1 het volgende voorop. De rechter heeft op grond van artikel 1:302 lid 1 BW zoals dat gold ten tijde van zijn beslissing de voogdij opgedragen aan de stichting. Voor zover de wet niet anders bepaalt heeft de stichting als voogd dezelfde bevoegdheden en verplichtingen als andere voogden (artikel 1:303 lid 1 BW, zoals dat gold ten tijde van de voogdij van de stichting over [appellante] en zoals dat ook nu nog geldt). De stichting is als voogd weliswaar volledig verantwoordelijk voor de verzorging en opvoeding van [appellante], maar voert deze niet zelf uit. De stichting was daarnaast, anders dan andere voogden, ook gebonden aan de regels die destijds waren neergelegd in de Wet op de Jeugdhulpverlening en de daarbij horende besluiten. Deze regels hielden in elk geval in dat de stichting een hulpverleningsplan diende op te stellen.

4.9

Het hof zal hierna de door [appellante] aan de stichting verweten gedragingen (handelen en nalaten) bespreken en beoordelen of deze jegens [appellante] onrechtmatig zijn. [appellante] heeft deze gedragingen grotendeels opgesomd in haar memorie van grieven (onder A. I. tot en met VIII; pagina 5 tot en met 16). Zij rondt haar opsomming af met haar conclusie op pagina 15 en 16 van haar memorie van grieven. Het hof zal de verweten gedragingen per onderdeel (I tot en met VIII alsmede de conclusie) bespreken.

I., II. en III.

4.10

De onderdelen I (relevant tijdsoverzicht), II (voogden gedurende voogdijperiode stichting) en III (brief en verslag raad) bevatten geen gedragingen die [appellante] aan de stichting als onrechtmatig verwijt.

IV. screening

4.11

[appellante] verwijt de stichting dat nimmer een screening heeft plaatsgehad bij het pleegadres van haar zus [zus B] en dat de stichting geen enkel beeld had in welke omgeving [appellante] zich daar bevond. De stichting weerspreekt dit en wijst erop dat de raad ter gelegenheid van het onderzoek naar de voogdij over [appellante] een screening heeft aangevraagd bij het Centrum voor Pleegzorg. De stichting verwijst in dit verband naar het Hulpverleningsplan van 23 februari 1999 (productie 3 bij inleidende dagvaarding) waarin staat vermeld:

"De raad heeft een screening voor netwerkpleeggezinplaatsing aangevraagd, welke inmiddels is afgerond en goedgekeurd, zodat [zus B] in de vorm van een pleegzorgwerker ondersteuning zal krijgen in de opvoedingssituatie."

Gelet hierop is het hof van oordeel dat niet is komen vast te staan dat nimmer een screening heeft plaatsgehad, zodat het hof niet toekomt aan de vraag naar de onrechtmatigheid van de verweten gedraging.

4.12

[appellante] stelt dat pas acht maanden nadat zij bij haar zus [zus A] was gaan wonen een screeningverklaring is afgekomen en dat de stichting zich geen goed beeld kon vormen van de situatie waarin zij daar terecht was gekomen. De stichting erkent dat de screening en de afgifte van de screeningverklaring lang op zich hebben laten wachten, maar betwist dat zij geen goed beeld had van de situatie waarin [appellante] terecht was gekomen. Het hof is onder verwijzing naar hetgeen onder 4.4 hiervoor al is overwogen omtrent de gang van zaken rond deze plaatsing van oordeel dat de stichting zich, anders dan [appellante] stelt, wel een goed beeld kon vormen van de situatie in het pleeggezin van [zus A] en gaat aan deze stelling van [appellante] voorbij.

V. pleegzorgplan, evaluatie pleegzorgplan en vervolg voogdijplan

4.13

De stichting heeft op 23 februari 1999 een hulpverleningsplan opgesteld, dat door [appellante] als productie 3 bij de inleidende dagvaarding is overgelegd. In dit plan is zowel de visie van [zus B] als die van [appellante] opgenomen en is aan het slot vermeld dat zowel [appellante] als [zus B] akkoord gaan met de inhoud van dit plan. Het hof is van oordeel dat dit plan voldoet aan de eisen die daaraan op grond van het destijds toepasselijke artikel 8 van het Besluit kwaliteitsregels en taken voogdij- en gezinsvoogdij-instellingen werden gesteld, zij het dat het plan niet binnen zes weken, zoals artikel 8 lid 1 van het voormelde besluit verlangt, maar ruim 9 weken na de benoeming van de stichting tot voogd is opgesteld. Het hof is evenwel van oordeel dat de overschrijding van deze termijn niet voldoende is om rechtens te kunnen spreken van een onrechtmatige gedraging van de stichting.

4.14

Het Centrum voor pleegzorg Zuidoost-Brabant heeft een pleegzorgplan opgesteld dat is gedateerd op 10 mei 1999 (productie 6 bij de memorie van grieven). Ook als juist is wat [appellante] stelt en zij dit plan niet heeft ingezien en dit plan niet met haar is besproken, valt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet in te zien dat dit aan de stichting zou kunnen worden verweten. Het gaat hier immers om een verplichting van het Centrum voor pleegzorg Zuidoost-Brabant. Dit geldt evenzo voor de evaluatie van het pleegzorgplan met datum

8 september 1999 (productie 7 bij de memorie van grieven).

4.15

De stichting betwist niet dat het 'vervolg voogdijplan' van 10 oktober 2001 niet met [appellante] is besproken. Het hof constateert dat de stichting zich blijkens het slot van het plan rekenschap geeft van het ontbreken van overleg met [appellante] en als grond daarvoor opgeeft de tijdsdruk om de overdracht naar een andere voogdij-instelling te bespoedigen. Het hof is van oordeel dat in dit verband geen sprake is van een rechtens relevante onrechtmatige gedraging van de stichting jegens [appellante].

VI. pleegadressen

4.16

[appellante] verwijt de stichting, dat zij haar niet heeft geholpen toen er problemen ontstonden tijdens haar verblijf bij [zus B], ook niet toen [appellante] de stichting signalen gaf dat het niet goed ging. Het hof volgt [appellante] niet in deze stelling en verwijst hier naar hetgeen hiervoor over het optreden van de stichting is overwogen in 4.3. De stichting licht in de memorie van antwoord (randnummers 16 en 17) toe dat zij voorzorgsmaatregelen heeft getroffen toen er problemen ontstonden binnen het gezin van [zus B]. De stichting heeft in overleg met [appellante] plaatsing van haar in een leefgroep voorbereid en haar, toen de problemen escaleerden, onmiddellijk geplaatst in een opnamegroep bij de stichting Troje. [appellante] weerspreekt dit niet.

4.17

Dat de stichting van het verblijf van [appellante] in deze opnamegroep geen rapport heeft opgesteld of doen opstellen is naar het oordeel van het hof niet rechtens onrechtmatig. Het betrof immers een crisisplaatsing die van korte duur is geweest, omdat kort na deze plaatsing het perspectief kwam te liggen op plaatsing bij [zus A]. Het hof verwijst naar hetgeen hierover is overwogen in 4.3 en 4.4.

4.18

Dat de stichting spreekt over kamerhuur voor [appellante] op het moment dat zij 15 jaar oud is en bij [zus A] verblijft is naar het oordeel van het hof evenmin rechtens onrechtmatig. De stichting had hiermee kennelijk geen wijziging in het verblijf op het oog, maar slechts een financieel gunstiger kwalificatie van het verblijf van [appellante] bij [zus A].

4.19

[appellante] stelt dat de stichting ervan op de hoogte was dat de situatie bij [zus A] chaotisch was en absoluut niet veilig, maar niets met die informatie heeft gedaan.

Het hof overweegt als volgt. Uit het 'vervolg voogdijplan' (productie 8 bij memorie van grieven) en 'overzicht contactjournaals' (productie 18 bij de memorie van grieven) blijkt dat de maatschappelijk werkster die binnen het gezin van [zus A] actief is aan [G.] laat weten dat er zorgelijke signalen waren met betrekking tot de thuissituatie bij [zus A]. Op pagina 3 van het 'vervolg voogdijplan' is vermeld:

[zus A] heeft haar vriend eruit gezet in verband met overmatig coke gebruik en de maatschappelijk werkster ziet dat de kinderen in het gezin en het huishouden verwaarloosd worden."

De stichting was op de hoogte van de problemen binnen het gezin van [zus A], maar betwist dat zij niets met deze informatie heeft gedaan. De stichting voert daartoe het volgende aan. De raad zag destijds geen aanleiding voor een beschermingsmaatregel en achtte vrijwillige hulpverlening binnen het gezin voldoende, zodat er toezicht was. Na afronding van de screening hield ook de pleegzorgwerker toezicht op het gezin van [zus A]. De signalen die de pleegzorgwerker afgaf noopten de stichting niet tot ingrijpen. Indien de situatie voor [appellante] bij [zus A] onhoudbaar zou zijn geweest, dan zouden de raad en de pleegzorgwerker dat wel hebben gemeld. Gelet op dit verweer van de stichting is naar het oordeel van het hof niet komen vast te staan dat de stichting niets met deze informatie heeft gedaan, zodat het hof aan de vraag naar de onrechtmatigheid daarvan niet toekomt.

4.20

Tegenover de gemotiveerde betwisting door de stichting (randnummer 21 van de memorie van antwoord) is de stelling van [appellante], dat de stichting niet op de hoogte was van haar verblijfplaats, ervan uitging dat zij zwervende was en geen actie heeft ondernomen, niet komen vast te staan, zodat het hof ook aan de vraag naar de onrechtmatigheid daarvan niet toekomt.

VII. contact met voogden

4.21

[appellante] verwijt degenen die namens de stichting de voogdij hebben uitgevoerd ([F.] van 18 december 1998 tot 16 september 1999, [G.] van 17 september 1999 tot juli 2001 en [H.] van juli 2001 tot 21 februari 2003) zich niet te hebben gedragen als goede voogden.

4.22

[appellante] verwijt [F.] dat het contact met haar zeer summier was, dat het [F.] duidelijk was dat het niet goed met haar ging en dat uit geen enkel stuk blijkt dat [F.] daarmee iets heeft gedaan. Het hof oordeelt dat dit gelet op de gemotiveerde betwisting door de stichting niet is komen vast te staan. Het hof slaat daarbij acht op hetgeen hiervoor onder 4.3 en 4.4 is vermeld over de activiteiten van de stichting en [F.].

4.23

[appellante] maakt [G.] hetzelfde verwijt als [F.] en voegt daaraan toe dat hij zich niet voldoende op de hoogte heeft gesteld van de situatie van [appellante]. Zij herhaalt hier in feite haar onder 4.19 al besproken en beoordeeld verwijt aan [G.]. Het hof verwijst hier naar die overweging.

4.24

[appellante] verwijt [H.] dat zij op geen enkele wijze de neergang van [appellante] een halt heeft toegeroepen en enkel achter de feiten aanliep. Het hof is van oordeel dat [appellante] deze stelling onvoldoende concreet heeft onderbouwd. Een enkele verwijzing naar het pleegadres-overzicht is daarvoor ontoereikend. Uit de contactjournaals (productie 18 bij de memorie van grieven) volgt dat [appellante], anders dan zij stelt, in juli 2001 ervan op de hoogte is gesteld dat [H.] namens de stichting met de voogdij zou worden belast.

VIII. gesprek met de stichting

4.25

[appellante] en de stichting hebben op 12 oktober 2004 met elkaar gesproken over de uitvoering van de voogdij. De stichting heeft aan [appellante] verslag gedaan van dit gesprek in haar brief van 25 november 2004 (productie 20 bij memorie van grieven). Anders dan [appellante] lijkt te doen, leest het hof in hetgeen door de stichting blijkens dit verslag aan haar is meegedeeld geen erkenning van onrechtmatige gedragingen van de stichting jegens [appellante]. Voor zover de stichting laat weten dat de voogdij wellicht op een andere manier had kunnen worden uitgevoerd, betekent dat nog niet dat daarmee is komen vast te staan dat de wijze waarop de stichting daaraan in de praktijk feitelijk uitvoering heeft gegeven onrechtmatig is. Dat de overdracht van de voogdij aan de Stichting Bureau Jeugdzorg Overijssel lang op zich heeft laten wachten door toedoen van de stichting, is naar het oordeel niet aan te merken als een rechtens relevante onrechtmatige gedraging van de stichting. Met [appellante] is het hof van oordeel dat de stichting, zolang zij de voogdij heeft, gehouden is daaraan uitvoering te geven. De verwijten die [appellante] aan de stichting ter zake van die uitvoering zijn gemaakt zijn hiervoor besproken en beoordeeld.

Conclusie grief 1 [appellante]

4.26

In haar conclusie somt [appellante] onder 1 tot en met 9 op welke onrechtmatige gedragingen (handelen en nalaten) van de stichting zij aan de stichting verwijt. Dat zijn:

  1. Er is nagenoeg geen toezicht geweest door de opeenvolgende voogden.

  2. Er is onvoldoende contact geweest tussen de opeenvolgende voogden.

  3. Van de schaarse gesprekken tussen [appellante] en de opeenvolgende voogden zijn geen verslagen gemaakt, althans [appellante] heeft die nooit ontvangen.

  4. Er is aan [appellante] niet kenbaar gemaakt dat haar mening in de verslagen over haar als pupil is meegewogen, er is zelfs nimmer naar de mening van [appellante] gevraagd.

  5. Er is onvoldoende begeleiding geweest bij de persoonsontwikkeling van [appellante].

  6. Er is gedurende meerdere en lange perioden onduidelijk geweest wie nu eigenlijk de voogd (in persoon) van [appellante] was.

  7. De voogd heeft toegestaan, althans toegelaten, althans zich niet ertegen verzet dat [appellante] in haar jeugdjaren in onstabiele omgevingen heeft gewoond en geleefd, waardoor [appellante] langdurig therapeutische en psychologische behandelingen heeft moeten ondergaan.

  8. In het door de stichting aangelegde dossier over [appellante] is geen melding gemaakt van deze behandelingen.

  9. De voogd heeft [appellante] niet dan wel onvoldoende begeleid naar zelfstandigheid.

4.27

Het hof is op grond van het vorenstaande van oordeel dat deze gedragingen, voor zover deze al zijn komen vast te staan, noch voor enig onderdeel op zichzelf noch in onderlinge samenhang bezien als rechtens onrechtmatig kunnen worden aangemerkt. Grief 1 van [appellante] faalt. Nu de overige grieven voortbouwen op het slagen van grief 1, behoeven deze geen beoordeling meer.

5 Slotsom

5.1

De grieven falen, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd.

5.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellante] in de kosten van het hoger beroep veroordelen.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van de stichting zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 649,-

- salaris advocaat € 2.682,- (3 punten x tarief 2)

Totaal € 3.331,-

5.3

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals hierna vermeld.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Almelo van 8 december 2010;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de stichting vastgesteld op € 649,- voor verschotten en op € 2.682,- voor salaris van de advocaat overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en -voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt- te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Lieber, A. Smeeïng-van Hees en

R. Prakke - Nieuwenhuizen en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 8 april 2014.