Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:2791

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-04-2014
Datum publicatie
08-04-2014
Zaaknummer
21-004739-13
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2013:BZ8342, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ongeval op Aruba. Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, waardoor twee mariniers worden gedood en waardoor een ander zodanig lichamelijk letsel wordt toegebracht dat daaruit tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstaat, terwijl het feit mede is veroorzaakt doordat de schuldige gevaarlijk heeft ingehaald.

In casu was er geen sprake van een onderzoek als bedoeld in artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994.

De gebruikte onderzoekstechniek Event Data Recording (EDR), waarbij is gebruik gemaakt van Crash Data Retrieval (CDR) diagnose apparatuur

is naar het oordeel van het hof bruikbaar voor de berekening van snelheden in geval van ongevallen.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994 6, geldigheid: 2014-04-08
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2014/33 met annotatie van mr. W.H. Regterschot

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-004739-13

Uitspraak d.d.: 3 april 2014

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de militaire kamer

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de militaire kamer van de rechtbank Gelderland van 22 april 2013 met parketnummer 05-800262-12 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats],

eertijds marinier der eerste klasse, registratienummer [registratienummer],

1

[onderdeel] te [plaats].

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 20 maart 2014 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Tevens vordert de advocaat-generaal ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 60 maanden en toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen conform de uitspraak in eerste aanleg. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr M.P.K. Ruperti, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat de rechtbank op basis van de verkeerde tenlastelegging heeft beslist.

De zaak was op basis van artikel 17 van de Wet militaire strafrechtspraak, dat wil zeggen in de stand waarin het onderzoek zich op dat moment bevond, door het Gerecht van Eerste Aanleg van Aruba overgedragen aan de rechtbank Arnhem. Het onderzoek had daarom op basis van de bestaande – Arubaanse – tenlastelegging moeten worden voortgezet. In plaats van te volstaan met oproeping van verdachte heeft de officier van justitie echter een dagvaarding uitgebracht, met een afwijkende inhoud. In eerste aanleg is geen wijziging van de tenlastelegging gevorderd, zodat de rechtbank ten onrechte op basis van de tweede, afwijkende, tenlastelegging heeft beslist.

De tenlastelegging

In hoger beroep is de aanvankelijke – Arubaanse – telastelegging gewijzigd, zodat deze is komen te luiden overeenkomstig de tweede – Nederlandse – tenlastelegging.

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1

primair:
hij op of omstreeks 9 maart 2012, op/te Aruba, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee komende uit de richting van Savaneta en gaande in de richting van Oranjestad,

roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend,

onder invloed van alcoholhoudende drank, althans na het gebruik van een niet onaanzienlijke hoeveelheid alcoholhoudende drank, en/of

terwijl hij, verdachte, niet in het bezit was van een geldig rijbewijs,

heeft gereden over de weg Noord Cura Cabai en/of

gekomen ter hoogte van de kruising en/of splitsing van genoemde weg en/of de weg(en) Santa Martha en/of Parkietenbos (plaatselijk bekend als kruising Mahuma) en/of

terwijl ter plaatse voor hem, verdachte, een inhaalverbod -dat middels een kort voor die kruising/splitsing in zijn, verdachtes, rijrichting gekeerd verkeersbord werd aangegeven- gold,

met een snelheid van ongeveer 125 kilometer per uur, althans met een grotere snelheid dan de aldaar maximum toegestane snelheid van 80 kilometer per uur, heeft gereden en/of geheel of gedeeltelijk met dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig (personenauto) via -gezien zijn, verdachtes, rijrichting- het voor het links afslaande verkeer op die weg bestemde voorsorteervak en/of het voor het links afslaande hem, verdachte, tegemoetkomende verkeer op die weg bestemde voorsorteervak,

één of meer voor hem, verdachte, uit over die weg rijdend/e ander/e motorrijtuig/en(auto/s), ter linker zijde is gaan inhalen en/of heeft ingehaald, terwijl één of meer op die weg rijdend/e ander/e hem tegemoetkomend/e motorrijtuig/en (auto/s) hem, verdachte, dicht genaderd was/waren en/of

de snelheid van dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig (personenauto), bij het zien van dat/die hem tegemoetkomende andere motorrijtuig/en (auto's) heeft verhoogd en/of vervolgens abrupt naar rechts heeft gestuurd en/of daarbij heeft geremd waarna dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig (personenauto) tussen die rechts naast hem, verdachte, zich bevindende andere motorrijtuigen (auto's) (zijnde de motorrijtuigen die hij bezig was in te halen en/of reeds ingehaald had) is doorgereden, in de richting van de

-gezien zijn , verdachtes, rijrichting- rechterberm van die weg en/of geheel of gedeeltelijk met dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig (personenauto) in die rechterberm is terecht gekomen en/of in een slip is geraakt en/of met de rechter voor- en/of achterzijde van dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig (personenauto) tegen een zich in die berm bevindende lantaarnpaal is gebotst en/of tegen (een hekwerk van) een zich aldaar bevindende brug is gebotst,

door welke gedraging(en) een aan zijn, verdachtes, schuld te wijten verkeersongeval heeft plaats gevonden,

waardoor/waarbij anderen of een ander, te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] werd(en) gedood en/of waardoor een ander, te weten [slachtoffer 3], zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, en/althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan en/of

welk feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij, verdachte, gevaarlijk heeft ingehaald.

1

subsidiair:
hij als militair op of omstreeks 9 maart 2012, op/te Aruba, op een voor het openbaar en/of voor het militair verkeer openstaande weg Noord Cura Cabai, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto),

daarmee gekomen ter hoogte van de kruising en/of splitsing van genoemde weg en/of de weg(en) Santa Martha en/of Parkietenbos (plaatselijk bekend als Mahuma) en/of

terwijl ter plaatse voor hem, verdachte, een inhaalverbod -dat middels een kort voor die kruising/splitsing in zijn, verdachtes, rijrichting gekeerd verkeersbord werd aangegeven- gold,

met een snelheid van ongeveer 125 kilometer per uur, althans met een grotere snelheid dan de aldaar maximum toegestane snelheid van 80 kilometer per uur, heeft gereden en/of geheel of gedeeltelijk met dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig (personenauto) via -gezien zijn, verdachtes, rijrichting- het voor het links afslaande verkeer op die weg bestemde voorsorteervak en/of het voor het links afslaande hem, verdachte, tegemoetkomende verkeer op die weg bestemde voorsorteervak,

één of meer voor hem, verdachte, uit over die weg rijdend/e ander/e motorrijtuig/en (auto/s), ter linker zijde is gaan inhalen en/of heeft ingehaald, terwijl één of meer op die weg weg rijdend/e ander/e hem tegemoetkomend/e motorrijtuig/en (auto/s) hem, verdachte, dicht genaderd was/waren en/of

de snelheid van dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig (personenauto), bij het zien van dat/die hem tegemoetkomende andere motorrijtuig/en (auto's) heeft verhoogd en/of vervolgens abrupt naar rechts heeft gestuurd en/of daarbij heeft geremd waarna dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig (personenauto) tussen die rechts naast hem, verdachte, zich bevindende andere motorrijtuigen (auto's) (zijnde de motorrijtuigen die hij bezig was in te halen en/of reeds ingehaald had) is doorgereden, in de richting van de

-gezien zijn , verdachtes, rijrichting- rechterberm van die weg en/of geheel of gedeeltelijk met dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig (personenauto) in die rechterberm is terecht gekomen en/of in een slip is geraakt en/of met de rechter voor- en/of achterzijde van dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig (personenauto) tegen een zich in die berm bevindende lantaarnpaal is gebotst en/of tegen (een hekwerk van) een zich aldaar bevindende brug is gebotst,

door welke gedraging van verdachte, de veiligheid op die weg in gevaar werd gebracht, althans naar redelijkerwijze is aan te nemen, de veiligheid op die weg in gevaar kon worden gebracht;

2

primair:
hij op of omstreeks 9 maart 2012, op/te Aruba, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 1,1 milligram, in elk geval hoger dan 0,2 milligram alcohol per milliliter bloed bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en verdachte dit motorrijtuig heeft bestuurd zonder rijbewijs;

2

subsidiair:
hij op of omstreeks 9 maart 2012, op/te Aruba, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee over een voor het openbaar en/of militair verkeer openstaande weg, Noord Cura Cabai, heeft gereden, onder zodanige invloed van het gebruik van alcoholhoudende drank, dat hij, verdachte, niet in staat moest worden geacht het motorrijtuig (personenauto) naar behoren te kunnen besturen.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak feit 2

Verdachte heeft verklaard dat hij op 9 maart 2012 ’s middags bier heeft gedronken op het strand. Verdachte is daarna met zijn auto naar de kazerne gereden en heeft daar tijdens een feest achter de bar geholpen. Of hij toen ook nog heeft gedronken kan verdachte zich niet herinneren.

Verdachte heeft vervolgens als bestuurder van een personenauto gereden op de weg Noord Cura Cabai.

Na het ongeval met de auto van verdachte is bij verdachte bloed afgenomen. Uit het bloedonderzoek bleek een alcoholgehalte van 1,1 milligram per milliliter bloed.

Uit de stukken blijkt dat door de verdediging is verzocht om een contra-expertise. Een contra-expertise heeft evenwel niet plaatsgevonden. Met de militaire kamer van de rechtbank is het hof van oordeel dat daarom niet gesproken kan worden van een onderzoek als bedoeld in artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994. Verdachte dient derhalve van feit 2 primair te worden vrijgesproken. Anders dan door de officier van justitie in haar appelschriftuur wordt gesteld blijkt uit het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg niet dat de raadsman daar gezegd zou hebben dat de verdediging de kosten van de contra-expertise niet zou willen dragen en die ook niet meer nodig vond.

Ten aanzien van feit 2 subsidiair is het hof van oordeel dat weliswaar gebleken is dat verdachte die dag bier had gedronken, maar dat er onvoldoende wettig bewijs is dat verdachte onder zodanige invloed van alcoholhoudende drank was, dat hij niet in staat moest worden geacht om ’s avonds zijn auto naar behoren te besturen. Het hof spreekt verdachte ook ten aanzien van dit feit vrij.

Bewezenverklaring

Op 9 maart 2012, na het feest op de kazerne werd verdachte door een aantal collega’s gevraagd of hij hen weg kon brengen naar de stad. Verdachte stemde daarmee in en hij is daarop met drie passagiers in zijn auto gaan rijden. Verdachte wilde, rijdende op een naar beneden lopende weg, voor een kruising waar een inhaalverbod gold, een aantal auto’s inhalen. Toen hij een tegenligger zag, heeft verdachte aanvankelijk zijn snelheid verhoogd en heeft hij daarna geremd en zijn auto naar rechts gestuurd tussen de naast hem rijdende auto’s door, waarbij hij in de berm terecht is gekomen en vervolgens tegen een lantaarnpaal en een hekwerk van een brug is gebotst. Als gevolg van dit ongeval zijn [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] om het leven gekomen en is [slachtoffer 3] gewond geraakt. Ook verdachte zelf was gewond.

Verdachte had niet veel rij-ervaring. Hij had zijn rijexamen gehaald maar was nog niet in het bezit van een rijbewijs.

Uit het proces-verbaal Verkeers Ongevallen Analyse van 23 april 2012 blijkt dat verdachte op 25 meter voor de kruising heeft gereden met een snelheid van 127 kilometer per uur. De berekening van deze snelheid is gebaseerd op de nieuwe onderzoekstechniek Event Data Recording (EDR), waarbij is gebruik gemaakt van Crash Data Retrieval (CDR) diagnose apparatuur. Anders dan de militaire kamer van de rechtbank is het hof van oordeel dat de EDR bruikbaar is voor de berekening van snelheden in geval van ongevallen . Het hof komt tot dat oordeel op grond van de verklaring van ongevallenanalist [naam] bij de rechter-commissaris en het daarbij overgelegde document “Vehicle Event Data Recorder Validation: A Case Study”. Ten aanzien van de vraag of en zo ja, welke invloed een versleten, vervuild of vochtig wegdek invloed heeft op de EDR-methode merkt het hof op dat uit het zojuist genoemde document blijkt dat die omstandigheden mogelijk invloed hebben op de uitkomsten van die methode, doch slecht in die zin, dat de gemeten snelheid dan lager is dan de werkelijke snelheid. Dat betekent dat de geschetste wegtoestand de uitkomst van de methode niet in een voor verdachte nadelige zin beïnvloedt.

Ten aanzien van de vraag in welke mate het ongeval verdachte te verwijten valt, volgt het hof de militaire kamer van de rechtbank, met dien verstande dat - zoals hiervoor overwegen - wel wordt uitgegaan van een snelheid van ongeveer 125 kilometer per uur. Dit leidt evenwel niet tot een ander oordeel omtrent de categorisering van het verwijtbare handelen van verdachte. Ook het hof is van oordeel dat de gedragingen van verdachte dienen te worden aangemerkt als zeer onvoorzichtig. De door de Hoge Raad voor het kunnen aannemen van de kwalificatie “roekeloos” gestelde eisen zijn dusdanig hoog opgeschroefd, dat het hof in deze zaak niet tot bewezenverklaring komt - evenmin trouwens als de advocaat-generaal in haar requisitoir -.

Hoewel, als hiervoor overwogen, naar het oordeel van het hof geen wettig bewijs aanwezig is dat verdachte onder zodanige invloed van alcoholhoudende drank verkeerde dat hij niet in staat moest worden geacht een motorvoertuig te besturen, is het hof op grond van de verklaringen van verdachte omtrent diens alcoholgebruik die dag, van oordeel dat voldoende vaststaat dat hij ten tijde van het ongeval onder invloed van alcoholhoudende drank verkeerde.

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 9 maart 2012, op/te Aruba, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee komende uit de richting van Savaneta en gaande in de richting van Oranjestad,

roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend,

onder invloed van alcoholhoudende drank, althans na het gebruik van een niet onaanzienlijke hoeveelheid alcoholhoudende drank, en/of

terwijl hij, verdachte, niet in het bezit was van een geldig rijbewijs,

heeft gereden over de weg Noord Cura Cabai en/of

gekomen ter hoogte van de kruising en/of splitsing van genoemde weg en/of de weg(en) Santa Martha en/of Parkietenbos (plaatselijk bekend als kruising Mahuma) en/of

terwijl ter plaatse voor hem, verdachte, een inhaalverbod -dat middels een kort voor die kruising/splitsing in zijn, verdachtes, rijrichting gekeerd verkeersbord werd aangegeven- gold,

met een snelheid van ongeveer 125 kilometer per uur, althans met een grotere snelheid dan de aldaar maximum toegestane snelheid van 80 kilometer per uur, heeft gereden en/of geheel of gedeeltelijk met dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig (personenauto) via -gezien zijn, verdachtes, rijrichting- het voor het links afslaande verkeer op die weg bestemde voorsorteervak en/of het voor het links afslaande hem, verdachte, tegemoetkomende verkeer op die weg bestemde voorsorteervak,

één of meer voor hem, verdachte, uit over die weg rijdend/e ander/e motorrijtuig/en(auto/s), ter linker zijde is gaan inhalen en/of heeft ingehaald, terwijl één of meer op die weg rijdend/e ander/e hem tegemoetkomend/e motorrijtuig/en (auto/s) hem, verdachte, dicht genaderd was/waren en/of

de snelheid van dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig (personenauto), bij het zien van dat/die hem tegemoetkomende andere motorrijtuig/en (auto's) heeft verhoogd en/of vervolgens abrupt naar rechts heeft gestuurd en/of daarbij heeft geremd waarna dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig (personenauto) tussen die rechts naast hem, verdachte, zich bevindende andere motorrijtuigen (auto's) (zijnde de motorrijtuigen die hij bezig was in te halen en/of reeds ingehaald had) is doorgereden, in de richting van de

-gezien zijn, verdachtes, rijrichting- rechterberm van die weg en/of geheel of gedeeltelijk met dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig (personenauto) in die rechterberm is terecht gekomen en/of in een slip is geraakt en/of met de rechter voor- en/of achterzijde van dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig (personenauto) tegen een zich in die berm bevindende lantaarnpaal is gebotst en/of tegen (een hekwerk van) een zich aldaar bevindende brug is gebotst,

door welke gedraging(en) een aan zijn, verdachtes, schuld te wijten verkeersongeval heeft plaats gevonden,

waardoor/waarbij anderen of een ander, te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] werd(en) gedood en/of waardoor een ander, te weten [slachtoffer 3], zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, en/althans zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan en/of

welk feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij, verdachte, gevaarlijk heeft ingehaald.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, waardoor een ander wordt gedood en waardoor een ander zodanig lichamelijk letsel wordt toegebracht dat daaruit tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstaat, terwijl het feit mede is veroorzaakt doordat de schuldige gevaarlijk heeft ingehaald.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij zijn straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen – en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden, dat verdachte als beginnend bestuurder, onder invloed van alcohol, met een veel te hoge snelheid een inhaalmanoeuvre heeft uitgevoerd. Het hof is van oordeel dat verdachte daarmee zeer onvoorzichtig heeft gehandeld. Door zo te handelen heeft verdachte een ernstig ongeval veroorzaakt met noodlottige gevolgen voor [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. [slachtoffer 3] en verdachte zelf raakten bij het ongeval gewond.

Het bewezenverklaarde feit heeft een onherstelbaar verlies voor de nabestaanden van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] veroorzaakt. Dit is nog eens tot uitdrukking gebracht in de slachtofferverklaringen zoals voorgelezen ter terechtzitting van het hof.

Vordering van de benadeelde partij, de heer [benadeelde partij 1] en mevrouw

[benadeelde partij 2].

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 21.566,86. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 16.048,83 en met toewijzing van een bedrag van € 904 aan kosten voor rechtsbijstand. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij, de heer [benadeelde partij 3] en mevrouw [benadeelde partij 4].

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 10.147,72. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c en 36f van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder 2 primair en subsidiair is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 3 (drie) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Vordering van de benadeelde partij, de heer [benadeelde partij 1] en mevrouw

[benadeelde partij 2].

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij de heer en mevrouw [benadeelde partij 1] ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van

€ 16.048,83 (zestienduizend achtenveertig euro en drieëntachtig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op

904,00 (negenhonderdvier euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd de heer en mevrouw [benadeelde partij 1], een bedrag te betalen van € 16.048,83 (zestienduizend achtenveertig euro en drieëntachtig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 115 (honderdvijftien) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij, de heer [benadeelde partij 3] en mevrouw [benadeelde partij 4].

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij de heer [benadeelde partij 3] en mevrouw [benadeelde partij 4] ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 10.147,72 (tienduizend honderdzevenenveertig euro en tweeënzeventig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd de heer [benadeelde partij 3] en mevrouw [benadeelde partij 4], een bedrag te betalen van

€ 10.147,72 (tienduizend honderdzevenenveertig euro en tweeënzeventig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 85 (vijfentachtig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr R. van den Heuvel, voorzitter,

mr M. van Seventer, lid, en commandeur (A) (tit.) mr R.R.H. Laurens, militair lid,

in tegenwoordigheid van J.R.M. Roetgerink, griffier,

en op 3 april 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr M. van Seventer en mr R.R.H. Laurens zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.