Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:2734

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-04-2014
Datum publicatie
10-04-2014
Zaaknummer
200.133.791-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek omgangsregeling. Tussen biologische vader en minderjarige heeft geen family life bestaan als bedoeld in artikel 8 EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2014/68

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.133.791/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/125439/FA RK 13-334)

beschikking van de familiekamer van 1 april 2014

inzake

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. F. Hofstra, kantoorhoudend te Leeuwarden,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de biologische vader,

advocaat: mr. P.E. van der Werf, kantoorhoudend te Sneek.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

[de man],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de man.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 19 juni 2013, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 16 september 2013, is de moeder in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De moeder verzoekt het
hof die beschikking, naar het hof begrijpt voor zover deze ziet op de beslissing dat de biologische vader kan worden ontvangen in zijn inleidend verzoek, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, te vernietigen en opnieuw te beslissen dat de biologische vader niet-ontvankelijk is in zijn verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling nu er geen sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking tussen hem en het kind.

2.2

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 29 oktober 2013, heeft de biologische vader het verzoek in hoger beroep van de moeder bestreden.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 17 februari 2014 plaatsgevonden.
Verschenen zijn de moeder en de biologische vader, bijgestaan door hun advocaten, en de man. Namens de Raad voor de Kinderbescherming (verder te noemen: de raad) is in het kader van zijn adviserende taak de heer [namens de raad] verschenen.

3 De vaststaande feiten

3.1

Uit de - in september 2011 verbroken - affectieve relatie tussen partijen is [in 2012] [kind] (verder te noemen: [kind]) geboren.

3.2

[kind] is [in 2011] erkend door de man, de huidige echtgenoot van de vrouw. Zij oefenen samen het gezag over [kind] uit.

3.3

Bij inleidend verzoekschrift van 22 februari 2013 heeft de biologische vader de rechtbank verzocht een omgangsregeling vast te stellen tussen hem en [kind].

3.4

Bij de beschikking waarvan beroep heeft de rechtbank bepaald dat de biologische vader kan worden ontvangen in zijn verzoek. De rechtbank heeft vervolgens, voor zover
hier van belang, iedere verdere beslissing aangehouden en de stukken in handen van de
raad gesteld met het verzoek een onderzoek in te stellen naar de mogelijkheden om een omgangsregeling vast te stellen tussen de biologische vader en [kind] en de rechtbank dienaangaande te rapporteren en te adviseren.

4 De motivering van de beslissing

4. 1 Uit het verweerschrift van de biologische vader volgt dat hij zich, om redenen
nader uiteengezet in dat verweerschrift, primair op het standpunt stelt dat de moeder
niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het beroep. Ter zitting van het hof heeft
de biologische vader aangegeven dat hij dit standpunt niet handhaaft en dat hij thans

van mening is dat de moeder ontvankelijk is in het door haar ingestelde appel.
Het hof is met partijen van oordeel dat de moeder kan worden ontvangen in het door haar ingestelde appel.


4.2 Ingevolge artikel 1:377a BW kan, voor zover hier van belang, degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot een kind, de rechter verzoeken een omgangsregeling vast te stellen tussen hem en dat kind. Voordat wordt toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van dit verzoek, dient beoordeeld te worden of de verzoeker in het verzoek kan worden ontvangen.

4.3

De verzoeker kan alleen dan in zijn verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling worden ontvangen wanneer tussen hem en de minderjarige sprake is van 'family life' als bedoeld in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). De in artikel 1:377a BW opgenomen term 'nauwe persoonlijke betrekking' wordt namelijk, krachtens de jurisprudentie van de Hoge Raad en het Europese Hof voor de Rechten van de mens, ingevuld met het begrip 'family life' uit artikel 8 EVRM.

4.4

De rechtbank heeft de vraag naar het bestaan van 'family life' tussen de biologische vader en [kind] bevestigend beantwoord. In het onderhavige hoger beroep is de moeder opgekomen tegen de conclusie dat tussen de biologische vader en [kind] sprake is geweest van 'family life' als bedoeld in artikel 8 EVRM. Uitsluitend deze vraag dient dan ook in hoger beroep opnieuw beoordeeld te worden.

4.5

Het hof stelt voorop dat tussen partijen niet (langer) in geschil is dat de biologische vader de verwekker is van [kind]. Dit enkele biologische vaderschap is echter onvoldoende om de bescherming van artikel 8 EVRM te kunnen inroepen. Bijkomende omstandigheden, gelegen in de aard van de relatie van de biologische vader en de moeder voor de geboorte of na de geboorte van het kind welke een zo nauwe persoonlijke betrekking met zich brengen dat dit als 'family life' moet worden beschouwd, moeten bij de beoordeling worden meegewogen. Het betreft in de kern een waardering van de gestelde en, in geval van betwisting, aannemelijk geworden feiten en omstandigheden of een verwekker ontvankelijk zal zijn in zijn verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling.

4.6

Anders dan de rechtbank, is het hof van oordeel dat er, naast het vaststaande biologische vaderschap, onvoldoende feiten en omstandigheden zijn gebleken die tot de conclusie leiden dat tussen de biologische vader en [kind] 'family life' bestaat in de zin van artikel 8 EVRM. Het hof heeft hierbij vooropgesteld dat het aan de biologische vader is om de hiervoor bedoelde bijkomende omstandigheden te stellen en, in geval van betwisting
daarvan door de moeder, deze ook aannemelijk te maken. De biologische vader heeft daartoe gesteld dat hij en de moeder voornemens waren te gaan samenwonen, in verband met haar zwangerschap, en zich daartoe hadden ingeschreven bij een woningbouwvereniging.
Hij ontkent dat hij niets van het kind wilde weten en een abortus voorstond.

4.7

Uit de stukken en de verklaringen van partijen valt af te leiden dat partijen in maart 2011 een relatie hebben gekregen. Partijen woonden toen allebei nog bij hun ouders en hebben nadien ook nooit samengewoond. Binnen drie maanden na aanvang van de relatie kwamen partijen er achter dat de moeder ongepland zwanger was. Volgens de moeder bleek al snel na de ontdekking van de zwangerschap dat de biologische vader van haar verwachtte dat zij een abortus zou laten plegen. Weliswaar heeft de biologische vader naar voren gebracht dat er nooit over een abortus is gesproken, maar naar het oordeel van het hof heeft hij hiermee de stelling van de moeder niets van het kind wilde weten en dat hij een abortus wenste onvoldoende gemotiveerd betwist. Het hof heeft hierbij mede acht geslagen op de brief van de vader van de moeder, de heer [vader van verzoekster], van 24 september 2012.
In deze brief komt onder meer naar voren dat de biologische vader heeft aangegeven dat abortus een optie was, maar dat de moeder dat niet wilde. Het hof heeft geen redenen om te twijfelen aan de juistheid van de inhoud van voornoemde brief, omdat de heer [vader van verzoekster] de brief niet in het kader van de onderhavige procedure heeft geschreven, maar naar aanleiding van het verzoek van de biologische vader aan de moeder om haar medewerking aan een DNA-onderzoek te verlenen.

4.8

Wat betreft de door de biologische vader gestelde inschrijving bij woningcorporatie Accolade om als gezin verder te gaan, merkt het hof op dat hij deze stelling, tegenover de gemotiveerde betwisting door de moeder, geenszins aannemelijk heeft gemaakt.
De omstandigheid dat partijen in augustus 2011 twee keer een aanbod van Accolade voor een huurwoning hebben afgewezen, bevestigt in deze de verklaring van de moeder dat partijen zich niet hebben ingeschreven voor een huurwoning in verband met de zwangerschap of een voorgenomen gezinsleven.

4.9

De biologische vader heeft verder nog aangevoerd dat ook uit de overgelegde Facebookberichten, waarin partijen elkaar heit en mem noemen, blijkt dat er sprake was
van een voorgenomen gezinsleven. De moeder heeft aangevoerd dat de Facebook correspondentie duidelijk afkomstig is van twee jonge mensen die zich nog niet gerealiseerd hebben wat de zwangerschap voor gevolgen zou hebben. Het hof stelt voorop in het algemeen weinig, althans geen doorslaggevende waarde te hechten aan uitlatingen gedaan in de social media. De gedane uitlatingen zijn gedaan in de periode dat partijen er net achter waren gekomen dat de moeder ongepland zwanger was geraakt. Partijen moesten nog hun weg vinden in de onverwacht veranderde situatie. Het hof ziet de op Facebook geplaatste teksten in dit licht en leidt er geenszins uit af dat er sprake was van een voorgenomen gezinsleven. Het door de biologische vader aangevoerde is daartoe, mede gelet op de betwisting door de moeder, onvoldoende.

4.10

De biologische vader heeft ten slotte nog aangevoerd dat ook het feit dat hij met instemming van de moeder mee is geweest naar de verloskundige en aanwezig was bij het maken van een echo er op duidt dat partijen ten tijde van de zwangerschap met elkaar verder wilden en derhalve een gezin wilden vormen. De moeder heeft ter zitting van het hof erkend dat de biologische vader in juli 2011 / augustus 2011 twee keer mee is geweest naar het ziekenhuis en dat hij begin september 2011 een keer mee is geweest naar de verloskundige, maar zij stelt dat hij niet meeging uit belangstelling voor het toen nog ongeboren kind, doch veeleer ter bepaling van het moment van conceptie. Het hof is, met de moeder, van oordeel dat uit het gegeven dat de biologische vader een enkele maal mee is geweest naar de verloskundige en het ziekenhuis niet kan worden afgeleid dat er sprake was van een voorgenomen gezinsleven. Het door de biologische vader aangevoerde is daartoe,
mede gelet op de betwisting door de moeder, onvoldoende.


4.11 Het hof neemt bij zijn beslissing tevens in aanmerking dat de biologische vader [kind] niet heeft erkend. Hij heeft hiervoor ter zitting van het hof (onder meer) als reden aangevoerd dat hij dacht dat de mogelijkheid bestond dat hij niet de verwekker was van het toen nog ongeboren kind. Om deze reden heeft de biologische vader de moeder ook verzocht haar medewerking te verlenen aan een DNA-onderzoek. Dit verzoek heeft hij echter pas een jaar na het verbreken van de relatie in september 2011 en derhalve ruimschoots na de geboorte van [kind] gedaan. In de tussenliggende periode is er slechts zijdelings contact geweest tussen partijen doordat ze elkaar een enkele keer bij toeval tegenkwamen.

Van de zijde van de biologische vader was er in deze periode geen betrokkenheid en belangstelling voor de zwangerschap en de geboorte van [kind]. Ook nadat de biologische vader op de hoogte raakte van de geboorte van [kind] heeft hij voor haar geen belangstelling getoond.

4.12

Het hof neemt voorts in aanmerking dat de moeder in oktober 2011 (opnieuw) een relatie is aangegaan met de man, met wie zij eerder een jarenlange relatie had gehad.
Nog voordat zij op 21 september 2012 met hem in het huwelijk is getreden, heeft de man
het kind waarvan de moeder zwanger was, wetende dat hij niet de biologische vader was, erkend. Dit bevestigt de stelling van de moeder dat zij niet voornemens was om met de biologische vader en [kind] een gezin te vormen.

4.13

Alles in ogenschouw nemende komt het hof dan ook tot het oordeel dat tussen de biologische vader en [kind] geen sprake is van 'family life' als bedoeld in artikel 8 EVRM. De biologische vader kan derhalve niet worden ontvangen in zijn verzoek om een omgangs-regeling tussen hem en [kind] vast te stellen. Een en ander neemt niet weg dat het in het belang van [kind] is dat zij tijdig op de hoogte wordt gebracht van het bestaan van de biologische vader. Het hof is, evenals de raad, van oordeel dat het niet in het belang van [kind] is om hiermee te wachten totdat zij vier jaar oud is.

5 De slotsom

5.1

Het hof zal de beschikking waarvan beroep vernietigen en de biologische vader alsnog niet-ontvankelijk verklaren in zijn inleidend verzoek.

6 De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van
19 juni 2013, voor zover aan hoger beroep onderworpen;

en in zoverre opnieuw beslissende:

verklaart de biologische vader niet-ontvankelijk in zijn inleidend verzoek om een omgangsregeling vast te stellen tussen hem en de minderjarige [kind], geboren [in 2012].

Deze beschikking is gegeven door mr. J.G. Idsardi, voorzitter, mr. G.M. van der Meer en
mr. I.A. Vermeulen, bijgestaan door mr. S.C. Lok als griffier, uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 1 april 2014.