Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:2709

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-04-2014
Datum publicatie
04-04-2014
Zaaknummer
200.138.722-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Samenwerkingsovereenkomst. Geschil omtrent de financiële afwikkeling na beëindiging van de overeenkomst.

Geen onrechtmatigheid van het gelegde beslag. Geen grond voor vergoeding van de administratiekosten. De grieven tegen de afwijzing van de gevorderde provisiebedragen berusten op een verkeerde lezing van het bestreden vonnis van de rechtbank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.138.722/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 102717 / HA ZA 08-483)

arrest van de tweede kamer van 1 april 2014

in de zaak van

1 [appellant],

2. [appellante],

beiden wonende te [woonplaats],

appellanten,

in eerste aanleg: gedaagden in conventie en eisers in reconventie,

hierna gezamenlijk in enkelvoud aan te duiden als: [appellanten],

advocaat: mr. M.J. Blokzijl, kantoorhoudend te Groningen,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiser in conventie en verweerder in reconventie,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. E.T. van Dalen, kantoorhoudend te Groningen.

Het hof neemt de inhoud van het arrest in het incident van 21 februari 2011 hier over.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- de memorie van antwoord van [geïntimeerde].

1.2

Vervolgens zijn de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest en heeft het hof arrest bepaald.

2 De beoordeling in de hoofdzaak

2.1

De rechtbank heeft in rechtsoverweging 2 (2.1 tot en met 2.5) van het vonnis d.d. 10 februari 2010 een aantal feiten vastgesteld. Aangezien partijen hiertegen geen bezwaar hebben gemaakt, zal het hof ook van deze feiten uitgaan.

2.2

Tussen partijen staat, voor zover in deze procedure van belang, het volgende vast.

2.2.1

Partijen hebben op basis van een mondelinge samenwerkingsovereenkomst tot het verrichten van financiële dienstverlening in gezamenlijk voordeel vanaf 2001 tot februari 2007 samengewerkt, ieder als zelfstandig ondernemer. [geïntimeerde] werkte met klanten van [appellanten] onder de naam [appellanten] en had aanspraak op 40% van zijn omzet.

2.2.2

De aanspraak van [geïntimeerde] wegens provisie bedroeg per 1 april 2006

€ 104.181,00, ter zake van welk bedrag op 21 april 2006 een overeenkomst van geldlening tussen partijen is opgemaakt.

2.2.3

Op 15 november 2006 hebben partijen een verklaring opgesteld, welke volgens

artikel 3 van die verklaring geldt voor de wederzijds afgesproken en gebruikelijke

werkzaamheden gedurende de periode dagtekening van de verklaring tot 1 maart 2012.

2.2.4

[geïntimeerde] heeft beslag gelegd op onroerende zaken van [appellanten], onder meer op een aan hem toebehorende onroerende zaak op Schiermonnikoog.

2.2.5

Bij kortgedingvonnis van 27 juni 2008 (zaaknummer: 102825) heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen het beslag op de onroerende zaak op Schiermonnikoog op de voet van artikel 705 lid 1 Rv opgeheven op de grond dat summierlijk is gebleken van het onnodige van het beslag. De proceskosten zijn gecompenseerd in die zin dat ieder der partijen zijn eigen kosten dient te dragen.

2.2.6

[geïntimeerde] heeft vervolgens een procedure aanhangig gemaakt bij de rechtbank Groningen, waarin hij in conventie op grond van voornoemde overeenkomst van geldlening betaling van de hoofdsom en de verschuldigde rente in één keer heeft gevorderd wegens het in gebreke blijven met de rentebetalingen door [appellanten]. In reconventie heeft [appellanten] een aantal vorderingen ingesteld, die het onderwerp vormen van de onderhavige procedure in hoger beroep.

2.2.7

Op 10 februari 2010 heeft de rechtbank in conventie een eindvonnis gewezen, hersteld bij vonnis van 14 februari 2010, waarbij [appellanten] is veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van een bedrag van € 109.330,25, te vermeerderen met de contractuele rente vanaf 1 oktober 2008 tot de dag der algehele voldoening. In reconventie heeft de rechtbank op 10 februari 2010 een tussenvonnis gewezen.

2.2.8

Tegen het eindvonnis in conventie heeft [appellanten] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof Leeuwarden (zaak nummer 200.063.601/01). Bij arrest van 3 januari 2012 heeft dit hof genoemd vonnis van de rechtbank bekrachtigd.

3 Het geschil en de beoordeling in eerste aanleg (in reconventie)

3.1

[appellanten] heeft in eerste aanleg in reconventie gevorderd afrekening van door [geïntimeerde] te veel ontvangen provisie (€ 6.668,-), alsmede administratiekosten (€ 1.250,-) en schade wegens onrechtmatig gelegd beslag op de aan hem toebehorende onroerende zaak op Schiermonnikoog (€ 6.800,29).

3.2

De rechtbank heeft deze vorderingen bij - in reconventie gewezen - vonnis van 15 december 2010 afgewezen.

4 Met betrekking tot de grieven

4.1

Grief I houdt in dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat geen sprake was van onrechtmatigheid van het door [geïntimeerde] gelegde beslag op de onroerende zaak op Schiermonnikoog, nu uit de uitspraak van de voorzieningenrechter (zie onder 2.2.5) blijkt dat het beslag is opgeheven op de grond dat het onnodig is gelegd.

4.2

Het hof overweegt als volgt.

Op de beslaglegger rust een risicoaansprakelijkheid voor de gevolgen van het door hem gelegde beslag indien de vordering waarvoor beslag is gelegd geheel ongegrond is. Indien de vordering ter verzekering waarvan het beslag is gelegd slechts gedeeltelijk wordt toegewezen, heeft dit niet tot gevolg dat het beslag ten onrechte is gelegd. De vraag of een beslaglegger aansprakelijk is voor de gevolgen van een beslag omdat het beslag is gelegd voor een te hoog bedrag, lichtvaardig is gelegd of onnodig is gehandhaafd, moet worden beantwoord aan de hand van criteria die gelden voor misbruik van recht. Uitgaande van de concrete omstandigheden van het geval kan aldus aan de orde komen of een beslag als vexatoir en daarom onrechtmatig moet worden aangemerkt (HR 11 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF2841).

4.3

Artikel 3:13 BW bepaalt, voor thans van belang, het volgende:

1. Degene aan wie een bevoegdheid toekomt, kan haar niet inroepen, voor zover hij haar misbruikt.

2. Een bevoegdheid kan onder meer worden misbruikt door haar uit te oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel waarvoor zij is verleend of in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen.
3. (…)

4.4

De voorzieningenrechter heeft het beslag opgeheven op de grond dat de andere onroerende zaken waarop [geïntimeerde] beslag heeft gelegd op dat moment voldoende verhaal boden voor diens vordering, zodat zijn belang bij handhaving bij het beslag niet opwoog tegen het belang van [appellanten] bij opheffing van het beslag teneinde de - inmiddels aan een derde verkochte - onroerende zaak te kunnen overdragen. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat daarmee de onrechtmatigheid van het beslag nog niet gegeven is. Het had op de weg van [appellanten] gelegen om nadere feiten en omstandigheden te stellen die, indien bewezen, tot het oordeel zouden leiden dat sprake is van misbruik van recht door [geïntimeerde]. Nu [appellanten] dit - ook in hoger beroep - heeft nagelaten, is er geen grond voor toewijzing van de door hem gevorderde schade.

4.5

Grief I faalt derhalve.

4.6

Grief II houdt in dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de grondslag voor het toewijzen van de vordering tot vergoeding van de administratiekosten ontbreekt. [appellanten] voert in dit verband aan dat hij als gevolg van de ontijdige beëindiging van de samenwerking door [geïntimeerde] kosten heeft moeten maken met betrekking tot de afwikkeling van de samenwerking. Subsidiair vordert hij vergoeding van de helft van deze kosten, althans een bedrag zoals het hof in goede justitie zal vermenen te behoren.

4.7

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat een grondslag voor deze vordering ontbreekt. De enkele stelling dat [geïntimeerde] de samenwerking "ontijdig" heeft beëindigd, hetgeen overigens door [geïntimeerde] wordt betwist, levert zonder nadere toelichting, die ook hier ontbreekt, geen tekortkoming en/of onrechtmatige daad aan de zijde van [geïntimeerde] op. Ook overigens zijn er geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit een grondslag voor vergoeding van deze kosten volgt.

4.8

Grief II faalt derhalve.

4.9

Grief III heeft geen zelfstandige betekenis, zodat het hof daaraan voorbijgaat.

4.10

Grief IV houdt in dat de rechtbank in het bestreden eindvonnis ten onrechte heeft overwogen dat [appellanten] met zijn akte d.d. 1 september 2010 de verzochte onderbouwing van de in het overzicht door hem geschatte bedragen ([A], [B]/[C], [D], [E]/[F], [G] en [H]) niet heeft gegeven. Grief V houdt in dat de rechtbank ten onrechte deze posten vervolgens buiten beschouwing heeft gelaten. In de toelichting op deze grieven voert [appellanten] aan dat deze overwegingen onbegrijpelijk zijn in het licht van het eerdere vonnis d.d. 7 juli 2010, waarin de rechtbank overweegt dat zij zal uitgaan van de juistheid van de betreffende bedragen in het overzicht van [appellanten].

4.11

De grieven IV en V berusten op een verkeerde lezing van het tussenvonnis van de rechtbank d.d. 7 juli 2010. In rechtsoverweging 2.4 van dat vonnis maakt de rechtbank onderscheid tussen de in het overzicht geschatte en de niet geschatte bedragen. De rechtbank heeft slechts de niet geschatte bedragen voor juist gehouden bij gebreke aan voldoende gemotiveerde betwisting door [geïntimeerde]. Ter toelichting diende het volgende.

4.12

Tussen partijen staat vast dat er nog dient te worden afgerekend over de periode van (voortgezette) samenwerking vanaf 1 april 2006 tot februari 2007. In eerste aanleg heeft [appellanten] daartoe een door hemzelf dan wel zijn accountant, [accountant], opgesteld overzicht overgelegd (productie 8 bij de conclusie van eis in reconventie). In dit overzicht zijn zowel de nog door [appellanten] aan [geïntimeerde] te betalen provisiebedragen als de door [geïntimeerde] aan [appellanten] af te dragen respectievelijk terug te betalen provisiebedragen verwerkt. Dit laatste betreft het volgens [appellanten] door [geïntimeerde] af te dragen provisiedeel (60%) over meegenomen klanten en het door [geïntimeerde] terug te betalen provisiedeel (40%) ter zake van bij [appellanten] teruggeboekte provisie van klanten die hun financiële product hebben overgesloten na het vertrek van [geïntimeerde]. Per saldo heeft [appellanten] volgens dit overzicht recht op betaling door [geïntimeerde] van een bedrag van € 6.668,-. Bij gebreke aan inzage in de boekhouding van [geïntimeerde] heeft [appellanten] de bedragen die [geïntimeerde] aan provisies heeft geïnd over de meegenomen klanten [A], [B]/[C], [D], [E]/[F], [G] en [H] geschat.

4.13

Ten aanzien van deze door [appellanten] geschatte bedragen heeft de rechtbank [appellanten] bij tussenvonnis van 7 juli 2010 in de gelegenheid gesteld om bij akte een nadere onderbouwing te geven. In het bestreden eindvonnis heeft de rechtbank overwogen dat [appellanten] met zijn akte de verzochte onderbouwing niet heeft gegeven, zodat de betreffende posten buiten beschouwing moeten worden gelaten. Uitgaande van de overige, door de rechtbank voor juist aangenomen posten in het overzicht van [appellanten] komt de rechtbank vervolgens uit op een voor [appellanten] negatief saldo van € 569,-, hetgeen heeft geresulteerd in een afwijzing van de onderhavige vordering.

4.14

Nu de grieven IV en V enkel klagen over een - niet bestaande - inconsistentie tussen de overwegingen van de rechtbank in het tussenvonnis d.d. 7 juli 2010 en het eindvonnis in reconventie d.d. 15 december 2010, terwijl geen andere inhoudelijke bezwaren worden aangevoerd tegen de afwijzing van de onderhavige vordering door de rechtbank, dient het vonnis van de rechtbank op dit punt bekrachtigd te worden.

4.15

Deze grieven treffen derhalve geen doel.

4.16

Grief VI richt zich tegen de veroordeling van [appellanten] in de proceskosten in eerste aanleg in reconventie.

4.17

Uit het voorgaande volgt dat ook deze grief faalt.

4.18

Het hof passeert het bewijsaanbod van [appellanten] als niet ter zake dienend.


Slotsom

4.19

De grieven falen, zodat de bestreden, in reconventie gewezen vonnissen moeten worden bekrachtigd.

Het hof zal [appellanten] als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het hoger beroep veroordelen.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde], waaronder de kosten van het incident, zullen worden vastgesteld op € 649,- aan verschotten en € 1.788,- voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief (2 punten in tarief II).

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt de vonnissen van de rechtbank Groningen van 10 februari 2010, voor zover in reconventie gewezen, en van 15 december 2010 (in reconventie);

veroordeelt [appellanten] in de kosten van het hoger beroep, waaronder de kosten van het incident, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 1.788,- voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief en op € 649,- voor verschotten;


verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. M.W. Zandbergen, mr. M.M.A. Wind en mr. I. Tubben en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 1 april 2014.