Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:2679

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-04-2014
Datum publicatie
11-04-2014
Zaaknummer
13/00961
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2013:2142, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Loonbelasting. Autokostenfictieregeling voor directeur-grootaandeelhouder. Bewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-0885
V-N Vandaag 2014/719
V-N 2014/35.19.38

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem

nummer 13/00961

uitspraakdatum: 1 april 2014

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] BV te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 2 augustus 2013, nummer AWB 12/5969, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Almere (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

Aan belanghebbende is over het jaar 2006 een naheffingsaanslag loonheffingen opgelegd van € 10.353. Aan heffingsrente is daarbij een bedrag berekend van € 1.908. Bij beschikking is een verzuimboete opgelegd van € 517.

1.2

De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 18 oktober 2012 de naheffingsaanslag, de boetebeschikking en de beschikking heffingsrente gehandhaafd.

1.3

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen. De rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) heeft bij uitspraak van 2 augustus 2013 het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de naheffingsaanslag verminderd tot € 10.132, de verzuimboete tot € 506 en de beschikking heffingsrente tot € 1.867.

1.4

Belanghebbende heeft bij faxbericht van 13 september 2013 tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2014 te Arnhem. Daarbij is namens de Inspecteur verschenen [A]. Belanghebbende is – met kennisgeving aan het Hof – niet verschenen.

1.7

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende heeft in 2006 aan haar directeur/enig aandeelhouder [B] (hierna: [B]) een Mercedes Benz ML 320 CDI ter beschikking gesteld met kenteken [00-YY-YY] (hierna: de auto).

2.2

Over het jaar 2006 heeft belanghebbende loonheffingen ingehouden en op aangifte afgedragen. Daarbij is geen rekening gehouden met een voordeel voortvloeiend uit het privégebruik van de aan [B] ter beschikking gestelde auto.

2.3

Met de auto zijn in 2006 de volgende snelheidsovertredingen begaan:

Dag

Tijdstip

Locatie

Woensdag 18 januari 2006

13:09

[L]

Woensdag 19 april 2006

10:47

[M]

Woensdag 19 april 2006

13:11

[M]

Donderdag 8 juni 2006

09:48

[N]

Donderdag 14 september 2006

13:25

[O]

Woensdag 13 december 2006

23:23

[P]

Dinsdag 19 december 2006

10:58

[L]

2.4

Op 9 september 2009 heeft de Belastingdienst bij belanghebbende een boekenonderzoek ingesteld. Het onderzoek richtte zich in eerste instantie op de aanvaardbaarheid van de aangiften loonheffingen over de loontijdvakken februari, maart en april van het jaar 2009, maar is uitgebreid met onder meer een onderzoek naar de door belanghebbende ter beschikking gestelde auto’s in de loontijdvakken 1 januari 2006 tot en met 1 oktober 2010.

2.5

Van het boekenonderzoek is met dagtekening 31 oktober 2011 een rapport opgemaakt. Daarin is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:

“(…)

Privégebruik auto

Door de inhoudingsplichtige wordt een auto met de volgende kenteken aan de heer [B] ter beschikking gesteld:

Kenteken

Berijder

BSN/sofinr.

Periode

Fisc. waarde

Opmerkingen

[00-YY-YY]

[B]

(…)

01-01-2006 tot

€ 90.500

Geen bijtelling

25-09-2007

(…)

In het jaar 2009 is een kilometeradministratie bijgehouden. Voor de andere jaren is geen kilometeradministratie bijgehouden.

(…)

Ook is middels de brief van 18 oktober 2010 verzocht om de kilometeradministratie over de hiervoor genoemde perioden [Hof: loontijdvakken 2006 – 2008 en januari 2010 – september 2010] te verstrekken. Deze kilometeradministraties zijn tijdens het onderzoek niet ontvangen.

(…)

De conclusie die getrokken dient te worden is dat de inhoudingsplichtige aan de heer [B] een auto ter beschikking heeft gesteld over de loontijdvakken januari 2006 tot en met september 2010 en dat niet gebleken is dat minder dan 500 kilometer privé met deze auto gereden is.

(…)”

2.6

Naar aanleiding van de bevindingen, zoals vastgelegd in het controlerapport, heeft de Inspecteur met dagtekening 2 november 2011 de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd. Tevens heeft de Inspecteur op de voet van artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) in samenhang met paragraaf 24a, lid 3, onderdeel d, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst een verzuimboete opgelegd van 5% van het nageheven bedrag.

2.7

In de bezwaarfase heeft belanghebbende alsnog een kilometeradministratie overgelegd, alsmede een uitdraai van de digitale (zakelijke) agenda van [B]. Daarin is vermeld dat [B] in 2006 (afgerond) 27.924 kilometer heeft gereden, waarvan (afgerond) 426 kilometer voor privédoeleinden.

2.8

In de beroepsfase heeft de Inspecteur zich op het standpunt gesteld dat bij het opleggen van de naheffingsaanslag is uitgegaan van een te hoge cataloguswaarde. Om die reden heeft hij - bij verminderingsbeschikking van 11 februari 2013 - de naheffingsaanslag verminderd tot € 10.132, de verzuimboete tot € 506 en de beschikking heffingsrente tot € 1.867.

2.9

De Rechtbank heeft geoordeeld dat de naheffingsaanslag niet is opgelegd in strijd met enig beginsel van behoorlijk bestuur. Verder is de Rechtbank van oordeel dat belanghebbende met de overlegde kilometeradministratie en zakelijke agenda van [B] niet overtuigend heeft aangetoond dat de auto in het jaar 2006 voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden is gebruikt. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en de naheffingsaanslag, boetebeschikking en beschikking heffingsrente verminderd overeenkomstig de in 2.8 genoemde bedragen.

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

Tussen partijen is in geschil of de Inspecteur terecht een naheffingsaanslag heeft opgelegd ter zake van het voordeel voortvloeiend uit het privégebruik van de door belanghebbende aan [B] ter beschikking gestelde auto.

3.2

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat een deugdelijke kilometeradministratie is overgelegd aangezien de Inspecteur slechts geringe gebreken heeft geconstateerd. Ook is - aldus belanghebbende - ten onrechte een aantal zakelijke ritten als privérit aangemerkt. Verder verzoekt zij het Hof een principieel oordeel te geven over de kwalificatie van de kilometers gereden tussen het woonadres van de toenmalige vriendin (inmiddels echtgenote) van [B] en het bedrijfsadres van belanghebbende.

3.3

De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de door belanghebbende overlegde kilometeradministratie niet kan dienen als bewijs dat met de auto in 2006 voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden is gereden. Verder wijst hij erop dat de overige grieven van belanghebbende geen betrekking hebben op het jaar 2006.

3.4

Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan heeft de Inspecteur ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.5

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, van de uitspraak van de Inspecteur en tot vernietiging van de naheffingsaanslag, de boetebeschikking en de beschikking heffingsrente.

3.6

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

4.1

Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende aan [B] een auto ter beschikking heeft gesteld. Ingevolge artikel 13 bis, lid 1, van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB; tekst 2006) heeft in dat geval als hoofdregel te gelden dat de auto wordt geacht ook voor privédoeleinden ter beschikking te zijn gesteld. Het aan dit privégebruik toe te rekenen voordeel wordt op kalenderjaarbasis gesteld op ten minste 22% van de waarde van de auto. Slechts indien uit een rittenadministratie of anderszins blijkt dat de auto op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden wordt gebruikt, wordt van deze hoofdregel afgeweken en wordt het aan het privégebruik toe te rekenen voordeel op grond van artikel 13bis, lid 2, van de Wet LB gesteld op nihil.

4.2

Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende met de verwijzing naar de in bezwaar overgelegde kilometeradministratie en zakelijke agenda van [B] niet voldaan aan de op haar rustende bewijslast te doen blijken – dat wil zeggen overtuigend aan te tonen – dat [B] de aan hem ter beschikking gestelde auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden heeft gebruikt. Het Hof wijst er in dat verband op dat i) de kilometeradministratie achteraf is opgesteld aan de hand van de zakelijke agenda van [B], ii) in de agenda slechts locaties worden genoemd, iii) van geen enkel moment gedurende het jaar de feitelijke kilometerstand bekend is, iv) derhalve niet kan worden geverifieerd of de in de kilometeradministratie vermelde kilometerstanden overeenkomen met de feitelijke kilometerstanden, v) met de auto op 19 april 2006, 13 december 2006 en 19 december 2006 snelheidsovertredingen zijn begaan op plaatsen die niet stroken met de kilometeradministratie, vi) op 9 en 13 maart 2006 onjuiste afstanden en dientengevolge onjuiste kilometerstanden zijn vermeld, hetgeen doorwerkt in de resterende kilometeradministratie, en dat vii) de auto blijkens de kilometeradministratie voor 426 kilometer voor privédoeleinden is gebruikt, zodat een beperkt aantal extra privékilometers al tot een overschrijding van de grens van 500 kilometer leidt.

4.3

Ook de verklaringen die namens belanghebbende zijn afgelegd, zijn van onvoldoende gewicht om belanghebbende geslaagd te achten in de (verzwaarde) bewijslast dat de auto voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden is gebruikt. Dit brengt mee dat de Inspecteur terecht een voordeel in verband met het privégebruik van de auto in aanmerking heeft genomen.

4.4

Belanghebbende heeft het Hof nog verzocht een principieel oordeel te geven over de kwalificatie van de kilometers gereden tussen het woonadres van de toenmalige vriendin (inmiddels echtgenote) van [B] en het bedrijfsadres van belanghebbende. Het Hof zal aan dit verzoek voorbijgaan omdat gelet op het in 4.3 vermelde bewijsoordeel, een dergelijke kwalificatie niet relevant is voor de beoordeling van het geschil.

Boete

4.5

Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de verzuimboete (artikel 26b, lid 1, in samenhang met artikel 24a, lid 2, van de AWR). De Inspecteur heeft bij beschikking een verzuimboete van € 517 (na ambtshalve vermindering € 506) opgelegd wegens het niet afdragen van belasting welke op aangifte moet worden voldaan. Belanghebbende heeft voor het Hof geen gronden tegen de verzuimboete aangevoerd.

Heffingsrente

4.6

Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente aangevoerd. Nu de naheffingsaanslag niet wordt vernietigd of verder wordt verminderd, is er ook geen aanleiding voor een vermindering van de in rekening gebrachte heffingsrente.

Ambtshalve vernietiging van uitspraak Rechtbank

4.7

De Rechtbank heeft de naheffingsaanslag, de boetebeschikking en de beschikking heffingsrente verminderd overeenkomstig de verminderingsbeschikking van 11 februari 2013. Nu de Inspecteur de naheffingsaanslag en deze beschikkingen reeds had verminderd, had de Rechtbank, de aldus verminderde aanslag en beschikkingen juist oordelende, deze dienen te handhaven. De uitspraak van de Rechtbank kan mitsdien niet in stand blijven (vgl. HR 24 januari 2001, nr. 35.603, ECLI:NL:HR:2001:AA9621).

4.8

Ter voorlichting van belanghebbende merkt het Hof op dat de uitspraak van de Rechtbank om procedurele redenen wordt vernietigd, maar dat belanghebbende inhoudelijk geen gelijk krijgt. Wel moet de Inspecteur het griffierecht dat door belanghebbende in hoger beroep is betaald, vergoeden.

5 Proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof:

 vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht en de proceskosten;

 vernietigt de uitspraken op bezwaar;

 handhaaft de naheffingsaanslag, de boetebeschikking en de beschikking heffingsrente zoals deze door de Inspecteur ambtshalve zijn verminderd;

 gelast dat de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 478 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, mr. C.M. Ettema en mr. A.J.H. van Suilen, in tegenwoordigheid van drs. S. Darwinkel als griffier.

De beslissing is op 1 april 2014 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(S. Darwinkel)

(B.F.A. van Huijgevoort)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 1 april 2014

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.