Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:2661

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-04-2014
Datum publicatie
23-06-2014
Zaaknummer
200.135.245
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Curatele. Verkwisting als bedoeld in artikel 1:378 lid aanhef en sub b (oud) BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2014-0166
Prg. 2014/217

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.135.245

(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, 513272)

beschikking van de familiekamer van 3 april 2014

inzake

[verzoeker] ,

geboren op [geboortedatum]1927, wonende te [woonplaats], verder te noemen: de vader,
verzoeker in hoger beroep,

advocaat: mr. Y.W.A.M. van der Koelen te Tegelen, gemeente Venlo,

en

1 [verweerder 1],

geboren op [geboortedatum] 1961, wonende te [woonplaats], verder te noemen: zoon [A],

en

2 [verweerder 2],

geboren op [geboortedatum] 1965, wonende te [woonplaats], verder te noemen: zoon [B],

verweerders in hoger beroep,

advocaat: mr. G.S. Ebbeng-Horstman te Nijmegen.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

[Belanghebbende 1],

geboren op [geboortedatum] 1956, wonende te [woonplaats], USA, verder te noemen: dochter [C],

en

[Belanghebbende 2],

geboren op [geboortedatum] 1959, wonende te [woonplaats], verder te noemen: dochter [D],

en

[Belanghebbende 3],

geboren op [geboortedatum] 1963, wonende te [woonplaats], verder te noemen: zoon [E],

en

[Belanghebbende 4],

geboren op [geboortedatum] 1968, wonende te [woonplaats], verder te noemen: dochter [F].

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 4 juli 2013, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift, ingekomen op 2 oktober 2013;

- het verweerschrift, ingekomen op 4 december 2013.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 27 februari 2014 plaatsgevonden. De vader, zoon [A] en zoon [B] zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Ook zijn verschenen dochter [C], dochter [D], zoon [E] en dochter [F].

3 De vaststaande feiten

3.1

Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, op 26 februari 2013, hebben zoon [A] en zoon [B] verzocht de vader onder curatele te stellen met benoeming van zoon [A] tot curator.

3.2

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de vader wegens verkwisting onder curatele gesteld en zoon [A] tot curator benoemd.

4 De omvang van het geschil

4.1

In geschil is de curatele.

4.2

De vader is met twee grieven in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van 4 juli 2013. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. De vader verzoekt het hof bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende het verzoek tot ondercuratelestelling af te wijzen, subsidiair een onderbewindstelling, eventueel met een mentorschap, uit te spreken met benoeming van een door het hof aan te wijzen bewindvoerder, eventueel mentor, meer subsidiair de curatele te handhaven met benoeming van een door het hof aan te wijzen onafhankelijke curator, kosten rechtens.

4.3

Zoon [A] en zoon [B] verzoeken het hof het verzoek van de vader in hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen, zo nodig met verbetering van de gronden, kosten rechtens.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Ingevolge artikel 1:378 lid 1 aanhef en sub b Burgerlijk Wetboek (BW), zoals deze bepaling gold tot 1 januari 2014, kan een meerderjarige door de kantonrechter onder curatele worden gesteld wegens verkwisting.

Ingevolge artikel 1:378 lid 1 BW, zoals deze bepaling geldt sinds 1 januari 2014, kan een meerderjarige door de kantonrechter onder curatele worden gesteld, wanneer hij tijdelijk of duurzaam zijn belangen niet behoorlijk waarneemt of zijn veiligheid of die van anderen in gevaar brengt, als gevolg van

a. zijn lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel

b. gewoonte van drank- of drugsmisbruik,

en een voldoende behartiging van die belangen niet met een meer passende en minder verstrekkende voorziening kan worden bewerkstelligd.

5.2

Mr. Van der Koelen heeft bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep namens de vader de tweede grief, betreffende zijn bezwaar tegen de persoon van de curator, ingetrokken, zodat die grief geen bespreking meer behoeft.

5.3

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is het volgende gebleken. De vader heeft enkele jaren geleden mevrouw [G] (verder te noemen: [G]) leren kennen. Zoon [A] en zoon [B] hebben gesteld dat [G] de vader geld afhandig heeft gemaakt. De vader heeft desgevraagd verklaard dat hij € 40.000,- aan [G] heeft gegeven in de verwachting dat zij dat geld, conform haar advies en toezegging, bij een bank, waar hij een hoge rente zou ontvangen, zou onderbrengen. Hij heeft haar verhaal niet gecheckt. [G] heeft hem daarna medegedeeld dat het geld ergens op een bankrekening staat, maar de vader weet niet waar. [G] is onder meer hiervoor strafrechtelijk veroordeeld. Zoon [A] en zoon [B] hebben verklaard dat ook daarna nog meer grote bedragen van de vader door toedoen van [G] zijn verdwenen. Bovendien heeft [G] doordat zij toegang had tot het huis en financiële gegevens van de vader ook toegang gehad tot een bankrekening van een van de kinderen van de vader. De vader heeft bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep verklaard dat hij het wel prettig vindt dat zijn financiële zaken voor hem worden geregeld, maar dat daarvoor een curatele niet nodig is. Een minder verstrekkende voorziening, zoals onderbewindstelling eventueel met mentorschap, zou volgens hem ook volstaan. Hij kan er inmiddels mee instemmen dat zoon [A] de persoon is die zijn financiële zaken behartigt. Hij wenst wel iedere maand een overzicht van zijn financiën te krijgen, hetgeen nu niet gebeurt. Zoon [A] en zoon [B] stellen dat curatele noodzakelijk is omdat alleen in geval van curatele de curator in staat is om door de curandus verrichte rechtshandelingen ongedaan te maken. Zij stellen dat, indien geen sprake is van verkwisting, er bij de vader in ieder geval sprake is van een geestelijke stoornis die aanleiding geeft voor curatele, aangezien de vader de consequenties van zijn handelen niet kan overzien, omdat hij diverse keren heeft gehandeld onder de invloed van [G] als gevolg waarvan hij geld verliest, zonder dat hij weet waar dat geld is gebleven.

5.4

Het hof is van oordeel dat een curatele in het belang van de vader is, aangezien sprake is van verkwisting door de vader als bedoeld in artikel 1:378 lid aanhef en sub b (oud) BW. Voldoende gebleken is dat de vader mogelijk diverse keren, maar in ieder geval één keer, onder invloed van [G] een groot bedrag (€ 40.000,-) aan haar heeft gegeven, van welk bedrag hij niet weet wat zij ermee heeft gedaan, en dat hij ondanks de voormelde strafrechtelijke veroordeling van [G] nog steeds gevoelig is voor haar aandacht, en haar geld geeft wanneer daartoe de mogelijkheid is. De vader heeft ter mondelinge behandeling verklaard dat hij geld dat hij aan [G] heeft gegeven, niet heeft teruggekregen en dat hij ook niet weet waar dat geld nu is. Voorts onderhoudt de vader ook nu nog contact met [G] en is hij niet van plan dat contact te beëindigen. Het hof acht voldoende aannemelijk geworden dat de vader de consequenties van zijn handelen niet (volledig) meer kan overzien en niet opgewassen is tegen de praktijken van mensen zoals [G]. Anders dan bij onderbewindstelling en/of mentorschap geeft de curatele de curator de mogelijkheid dergelijke door de curandus verrichte rechtshandelingen ongedaan te maken. Het hof zal de beschikking van de kantonrechter dan ook bekrachtigen. Het hof verwacht van zoon [A] dat hij, conform zijn toezegging bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep, de vader regelmatig een overzicht van diens financiën zal verstrekken. Ten aanzien van het vervallen van de grond “verkwisting” in artikel 1:378 lid 1 BW merkt het hof op, dat uit de wetsgeschiedenis en artikel IV van de Wet wijziging curatele, beschermingsbewind en mentorschap (Stb. 2013, 414) volgt dat het niet de bedoeling van de wetgever is geweest dat als gevolg van het enkele vervallen van de grond “verkwisting” reeds uitgesproken ondercuratelestellingen wegens verkwisting hun werking zouden verliezen. Daarom heeft de wetgever voorzien in de overgangsbepaling artikel IV waarin is bepaald dat de curator van een persoon die voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet onder curatele is gesteld binnen twee jaar na dat tijdstip verslag aan de kantonrechter dient te doen over de vraag of de maatregel dient voort te duren of door een andere voorziening kan worden vervangen. Nu het hof de beschikking zal bekrachtigen, duurt de curatele voort, ook na de inwerkingtreding op 1 januari 2014 van het nieuwe artikel 1:378 BW. De curator in de onderhavige zaak dient op grond van de bovengenoemde overgangsbepaling voor 1 januari 2016 de kantonrechter te berichten of de curatele gehandhaafd dient te blijven of door een andere minder verstrekkende maatregel (bewind) kan worden vervangen. Opmerking verdient dat, indien de curator van oordeel is dat de curatele gehandhaafd dient te blijven, het voor de hand ligt dat zulks wordt ondersteund door een recente medische verklaring over de geestestoestand van de vader.

5.5

Nu partijen in familierechtelijke rechtsbetrekking tot elkaar staan en het geschil hieruit voortvloeit, zullen de kosten van het hoger beroep worden gecompenseerd zoals hierna vermeld.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 4 juli 2013;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H.L. van der Beek, M.L. van der Bel en

E.H. Schulten, bijgestaan door G.E.M. Bours als griffier, en is op 3 april 2014 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.