Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:2658

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-04-2014
Datum publicatie
13-06-2014
Zaaknummer
200.132.253
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof heeft de beschikking van de rechtbank, waarbij het verzoek van de man om te bepalen dat de vrouw aan hem een bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud zal betalen is afgewezen, bekrachtigd. De man heeft naar het oordeel van het hof bewust de vrouw rechtstreeks of via gedragingen met betrekking tot de kinderen aangetast in haar privacy en bovendien het inkomen van de vrouw in gevaar gebracht. Bij dergelijk grensoverschrijdend gedrag vorderen van financiële steun levert een zo kwetsende bejegening van de vrouw op, dat van haar betaling van een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de man moreel niet kan worden gevergd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2014-0148

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.132.253

(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, 134647)

beschikking van de familiekamer van 3 april 2014

inzake

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],
verzoeker in hoger beroep, verder te noemen: de man,

advocaat: mr. M.V. Scheffer te Utrecht,

en

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep, verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. L.C. Bruggink-de Bruyn Kops te Ermelo.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 22 mei 2013, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift, ingekomen op 20 augustus 2013;

- het verweerschrift, ingekomen op 3 oktober 2013;

- een journaalbericht van mr. Scheffer van 15 januari 2014 met bijlagen, ingekomen op 16 januari 2014;

- een journaalbericht van mr. Bruggink-de Bruyn Kops van 17 januari 2014 met bijlagen, ingekomen op 20 januari 2014.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 30 januari 2014 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3 De vaststaande feiten

3.1

Partijen zijn op 12 februari 2001 met elkaar gehuwd. Het huwelijk van partijen is op 21 augustus 2012 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Zutphen van 18 april 2012 in de registers van de burgerlijke stand.

3.2

Partijen zijn de ouders van:

- [kind 1], geboren op [geboortedag] 2002;

- [kind 2], geboren op [geboortedag] 2003;

-[kind 3], geboren op [geboortedag] 2004 en

- [kind 4], geboren op [geboortedag] 2006.

De vrouw is sedert de uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 19 april 2013, alleen belast met het gezag over de kinderen. Op het hoger beroep van de man heeft het hof bij beschikking van heden de beschikking van de rechtbank bekrachtigd.

3.3

De vrouw, geboren op[geboortedag] 1969, is alleenstaand en vormt met de kinderen van partijen een gezin.

De vrouw is psychodiagnosticus bij [X]. Haar inkomen bedroeg tot 1 februari 2013 € 3.447,06 bruto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag en een eindejaarsuitkering van 6,750%. In 2012 heeft zij in verband met haar privésituatie minder uren gewerkt, is zij ziek geweest en heeft zij ouderschapsverlof genoten. Van 1 november 2012 tot 1 juli 2013 was zij redactiesecretaris van het tijdschrift [Y]. Zij is vanaf 1 februari 2013, na een vermindering van haar dienstverband, gedurende nog 18 uur per week werkzaam bij [X], waarvan 14 uur als psychodiagnosticus en 4 uur als ondernemingsraadslid. Haar inkomen bedraagt vanaf 1 februari 2013 € 2.386,50 bruto per maand. Voor haar werkzaamheden als redactiesecretaris ontving zij € 22,- per uur, inclusief BTW.

3.4

De lasten van de vrouw bedragen per maand:

- € 1.066,58 aan hypotheekrente;

- € 56,21 aan premie levensverzekering gekoppeld aan de hypotheek;

- € 95,- aan overige eigenaarslasten;

- € 83,90 aan ziektekosten in 2012:

- € 98,90 premie basisverzekering ZVW,

- € 20,- premie aanvullende verzekering,

verminderd met het in de bijstandsnorm begrepen nominale deel premie ZVW

van € 35,-;

- € 1.140,57 aan de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen.

Het eigenwoningforfait van de woning bedraagt € 1.152,- per jaar.

3.5

De man, geboren op [geboortedag] 1968, is alleenstaand. Hij ontvangt een WWB-uitkering.

4 De omvang van het geschil

4.1

In geschil is de bijdrage van de vrouw in de kosten van levensonderhoud van de man. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking het verzoek van de man om te bepalen dat de vrouw aan hem met ingang van 19 juni 2012, althans de datum van indiening van het verzoekschrift, een bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud zal betalen van € 1.508,- bruto per maand, althans een bedrag en met ingang van een datum die de rechtbank juist acht, afgewezen. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het bij het door de rechtbank omschreven gedrag van de man verzoeken van financiële steun een zo kwetsende bejegening van de vrouw oplevert dat van de vrouw betaling aan de man van een bijdrage in de kosten van diens levensonderhoud moreel niet kan worden gevergd.

4.2

De man is met vier grieven in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van 22 mei 2013. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. De man verzoekt het hof de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 22 mei 2013 te vernietigen, en opnieuw beschikkende, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad te bepalen dat de vrouw aan hem met ingang van 19 juni 2012, althans de datum van indiening van (het hof begrijpt:) het inleidende verzoekschrift, als bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud zal betalen € 1.508,- bruto per maand, althans een bedrag en met ingang van een datum die het hof juist acht, kosten rechtens.

4.3

De vrouw voert verweer. Zij verzoekt het hof het verzoek van de man in hoger beroep af te wijzen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

De man heeft gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de lotsverbondenheid tussen partijen is komen te vervallen. Hij voert daartoe aan dat hij te allen tijde het recht heeft om de voor hem openstaande juridische wegen te bewandelen. De man ontkent dat sprake is van door hem jegens de vrouw en haar omgeving begaan stalkingsgedrag, waardoor de vrouw in een sociaal isolement is geraakt. Volgens de man is voorts geen sprake van gedrag van hem als gevolg waarvan de benodigde hulpverlening aan de vrouw en de kinderen in toenemende mate is bemoeilijkt. Zijn gedrag levert niet een zodanig kwetsende bejegening van de vrouw op, dat van haar betaling van een bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud moreel niet kan worden gevergd, aldus de man.

5.2

De vrouw heeft gesteld dat de man haar met zijn gedrag zodanig kwetsend heeft bejegend, dat van haar betaling van een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de man niet kan worden gevergd. De man heeft de afgelopen jaren vele procedures gestart, waarbij niet kan worden gesproken over gewone echtscheidingsperikelen. Er is sprake van stalkingsgedrag van de man, hetgeen blijkt uit het vonnis van de politierechter van 17 september 2013. Diverse hulpverleningstrajecten zijn niet op gang gekomen als gevolg van de voorwaarden die de man daaraan wenste te stellen. De kinderen en zij worden zelfs door (hulpverlenings)instanties geweerd, uit vrees voor het gedrag van de man, aldus de vrouw.

5.3

Het hof stelt voorop dat bij de beantwoording van de vraag of aan de man ten laste van de vrouw een uitkering voor zijn levensonderhoud moet worden toegekend en zo ja, tot welk bedrag, rekening moet worden gehouden met alle omstandigheden van het geval. Hieronder zijn ook te verstaan niet-financiële factoren, zoals gedragingen van de man. Daarbij geldt als criterium of er voldoende feiten en omstandigheden zijn, die maken dat van de vrouw in redelijkheid niet of niet ten volle kan worden gevergd in het levensonderhoud van de man te voorzien. De lotsverbondenheid die is ontstaan door het huwelijk en daarna nog doorwerkt is een van de voornaamste gronden voor de alimentatieplicht. Niet het wangedrag op zichzelf, maar het bij dergelijk gedrag vorderen van steun kan in dat geval een zo kwetsende bejegening van de aangesprokene opleveren, dat van deze laatste betaling van onderhoud moreel niet of niet ten volle kan worden gevergd.

5.4

Het hof oordeelt als volgt.

5.4.1

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat door de man de afgelopen jaren maar liefst ongeveer vijftien gerechtelijke procedures (in eerste aanleg of in hoger beroep) zijn geëntameerd, waarbij de vrouw als partij dan wel als belanghebbende is betrokken. Daarbij betrof het, onder andere, de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap tussen partijen, de partneralimentatie, maar ook de hoofdverblijfplaats, het ouderlijk gezag, de omgangsregeling en de uithuisplaatsing betreffende de kinderen van partijen. Door al deze procedures te entameren heeft de man een disproportioneel hoge investering, zowel financieel als in tijd, van de vrouw gevraagd. Naar de vrouw – die geen aanspraak kan maken op gefinancierde rechtsbijstand – onweersproken heeft gesteld (ter adstructie waarvan de vrouw productie 14 in eerste aanleg heeft overgelegd) heeft zij door toedoen van de man een zeer hoog bedrag aan advocatenkosten gemaakt. Bovendien hebben de procedures een grote psychische impact op de vrouw, maar ook op de kinderen van partijen, gehad.

5.4.2

De man heeft vele goederen van de vrouw, op het moment dat hij die goederen nog onder zich had, beklad dan wel op andere wijze beschadigd.

5.4.3

Gebleken is voorts dat de man als gezaghebbende ouder de start, dan wel de voortgang van diverse hulpverlening voor de kinderen van partijen heeft gefrustreerd, door zijn onvoorwaardelijke toestemming voor die hulpverlening te onthouden of door de hulpverleners ongevraagd te benaderen. Daarmee heeft de man zijn kinderen, maar ook de vrouw onder druk gezet.

5.4.4

De kinderen van partijen werd bij de start van het schooljaar 2013/2014 de toegang tot hun school ontzegd, omdat het schoolpersoneel zich onveilig voelde door de gedragingen van de man jegens dat personeel. Ook deze situatie heeft een enorme impact gehad op de kinderen, en daarmee tevens op de vrouw, die zich genoodzaakt zag een kort geding te starten tegen de man. Tijdens de zitting in het kader van dat kort geding heeft de man toegezegd zich in het schooljaar 2013/2014 niet op school te zullen vertonen.

5.4.5

Voorts heeft de politierechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, bij vonnis van 17 september 2013, waartegen de man hoger beroep heeft ingesteld, de man veroordeeld wegens stalking. De politierechter achtte wettig en overtuigend bewezen dat de man het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat hij in de periode van 1 augustus 2011 tot en met 16 april 2013 in de gemeente [woonplaats] wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de vrouw, met het oogmerk haar te dwingen, te dulden en/of vrees aan te jagen. De politierechter heeft de man ter zake van belaging veroordeeld tot een gevangenisstraf van 102 dagen waarvan 90 dagen voorwaardelijk (onder het stellen van vijf voorwaarden waaronder een contact- en straatverbod) met een proeftijd van drie jaren en een werkstraf van 120 uren. Het hof is, ook los van het nog niet onherroepelijke strafvonnis van 17 september 2013, evenals de rechtbank van oordeel dat in de onderhavige alimentatieprocedure uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting genoegzaam is gebleken dat de man de vrouw in een sociaal isolement heeft gebracht met het stalkingsgedrag dat hij jegens haar en haar omgeving heeft begaan.

5.4.6

Bij het verweerschrift van de vrouw in hoger beroep bevindt zich als productie 29 een anonieme brief van 12 juni 2013, gericht aan de werkgever van de vrouw, inhoudende een klacht over het functioneren van de vrouw. Deze brief bevat gedetailleerde informatie over de privésituatie en het werk van de vrouw. De vrouw heeft in haar verweer tegen grief III aangevoerd dat deze brief gelet op de kennis waarover de schrijver beschikte en de manier waarop de brief is opgesteld alleen van de man afkomstig kan zijn. Nu de man dit niet (voldoende gemotiveerd) heeft betwist, neemt het hof als vaststaand aan dat het de man is geweest die deze brief aan de werkgever van de vrouw heeft gestuurd. De man heeft met laatstgenoemde gedraging welbewust het risico genomen dat het inkomen van de vrouw in gevaar zou komen. Hij wenst echter wel een bijdrage in zijn levensonderhoud te ontvangen uit het inkomen van de vrouw, dat reeds is gedaald doordat de vrouw, zoals zij onbestreden heeft gesteld, onlangs haar werkzaamheden als redactiesecretaris bij het tijdschrift [Y] als gevolg van de gedragingen van de man heeft moeten staken.

5.5

Onder alle bovengenoemde omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd, waarbij de man bewust de vrouw rechtstreeks of via gedragingen met betrekking tot de kinderen heeft aangetast in haar privacy en hij het inkomen van de vrouw in gevaar heeft gebracht, levert naar het oordeel van het hof het bij dergelijk grensoverschrijdend gedrag vorderen van financiële steun een zo kwetsende bejegening van de vrouw op, dat van haar betaling van een bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud moreel niet kan worden gevergd. Reeds op die grond zal het verzoek van de man tot het bepalen van een bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud, nog daargelaten of de vrouw draagkracht heeft om enige bijdrage in die kosten te betalen, worden afgewezen.

6 De slotsom

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, falen alle grieven. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen.

6.2

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 22 mei 2013;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H.L. van der Beek, P.M.M. Mostermans en

B.F. Keulen, bijgestaan door G.E.M. Bours als griffier, en is op 3 april 2014 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.