Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:2654

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-04-2014
Datum publicatie
23-06-2014
Zaaknummer
200.134.216
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlening (vervangende) toestemming erkenning kind. DNA-onderzoek. Hoger beroep bijzonder curator. Tussenbeslissing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2014-0165

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.134.216

(zaaknummer rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, 137353)

beschikking van de familiekamer van 3 april 2014

inzake

Mr. F. Leemans,

kantoorhoudende te Apeldoorn,

in zijn hoedanigheid van bijzonder curator over de minderjarige

[minderjarige],

verzoeker in hoger beroep, verder te noemen: de bijzonder curator,

en

[verweerder],

wonende te [woonplaats],
verweerder in hoger beroep, verder te noemen: de man,

advocaat: mr. W. Bénard-van Deutekom te Apeldoorn.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

[belanghebbende],

wonende te [woonplaats], verder te noemen: de moeder.




1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, van 5 april 2013 en 7 augustus 2013, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift, ingekomen op 13 september 2013;

- een journaalbericht van mr. Leemans van 24 oktober 2013 met bijlagen, ingekomen op

25 oktober 2013;

- het verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek, ingekomen op 6 december 2013;

- een journaalbericht van mr. Bénard-van Deutekom van 30 december 2013, ingekomen op diezelfde datum;

- een journaalbericht van mr. Leemans van 10 maart 2014 met bijlagen, ingekomen op

11 maart 2014.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 21 maart 2014 plaatsgevonden. De bijzonder curator is in persoon verschenen. De man is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. Namens de Raad voor de Kinderbescherming is, met kennisgeving vooraf aan het hof, niemand verschenen. De moeder is niet verschenen.

3 De vaststaande feiten

3.1

De man en de moeder hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.

3.2

Uit de moeder is op [geboortedatum] 2011 [kind] geboren, over wie zij alleen het gezag uitoefent. De man heeft [kind] niet erkend.

3.3

[kind] is op grond van een rechterlijke uitspraak onder toezicht gesteld en voorts is een machtiging tot uithuisplaatsing verleend, beiden laatstelijk verlengd tot 17 januari 2014.

3.4

[kind] woont sinds zijn uithuisplaatsing bij de pleegouders, de heer en mevrouw [A] te [woonplaats]. De man ziet [kind] eenmaal per vier weken een uur bij de pleegouders, onder begeleiding van Pactum.

3.5

Bij verzoekschrift van 27 maart 2013 heeft de man, verkort weergegeven, verzocht:

- hem (vervangende) toestemming te verlenen tot erkenning van [kind] als zijn kind;

- aan de man en de moeder gezamenlijk het gezag over [kind] toe te kennen;

- te bepalen dat een zorgregeling wordt vastgesteld tussen de man en [kind];

- een bijzonder curator van [kind] te benoemen.

3.6

Bij tussenbeschikking van 5 april 2013 heeft de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, (onder meer) mr. Leemans benoemd tot bijzonder curator over [kind].

3.7

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover in deze procedure van belang, een DNA-onderzoek bevolen naar de vraag of de man de biologische vader is van [kind], bepaald dat daartoe het DNA-materiaal van de man, de moeder en [kind] wordt onderzocht, een deskundige benoemd en de behandeling van de zaak aangehouden in afwachting van de uitkomst van het DNA-onderzoek.

4 De motivering van de beslissing

4.1

Bij het onder rechtsoverweging 2.1 hiervoor genoemde journaalbericht van

30 december 2013 heeft mr. Bénard-van Deutekom het namens de man ingestelde incidenteel hoger beroep ingetrokken, zodat daarop niet meer behoeft te worden beslist.

4.2

De bijzonder curator is met twee grieven in hoger beroep gekomen tegen de tussenbeschikking van 7 augustus 2013. Hij verzoekt thans in hoger beroep de tussenbeschikking te vernietigen voor zover het betreft de beslissing dat het DNA-materiaal van [kind] wordt onderzocht en [kind] wordt bevolen zijn medewerking aan DNA-onderzoek dient te verlenen, kosten rechtens. De man heeft hiertegen verweer gevoerd.

4.3

Het hof heeft eerst ambtshalve de vraag te onderzoeken of de bestreden beschikking een eindbeslissing (of deelbeslissing) of een tussenbeslissing is. Ingevolge het bepaalde in artikel 358 lid 4 Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan van tussenbeschikkingen alleen hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met de eindbeschikking, tenzij de rechter anders heeft bepaald. Vaststaat dat in casu door de rechtbank geen tussentijds verlof is verleend op de voet van artikel 337 lid 2 Rv. Een einduitspraak is een uitspraak waarvan het dictum ten opzichte van de betrokken partijen (of één van hen) is aan te merken als een beslissing waarmee omtrent enig deel van het verzochte een einde aan het geschil wordt gemaakt.

4.4

De bijzonder curator heeft aangevoerd, en ter mondelinge behandeling toegelicht, dat hij ontvankelijk is in zijn hoger beroep omdat het uitgangspunt van het onderhavige geschil de persoonlijke staat van [kind] is. Nu het meewerken aan een DNA-onderzoek in civiele procedures als de onderhavige rechtens niet afdwingbaar is en een eenmaal gedaan DNA-onderzoek tot een onomkeerbare situatie leidt, heeft de rechtbank ten onrechte bevolen dat [kind] aan een dergelijk onderzoek zijn medewerking dient te verlenen. Volgens de bijzonder curator moet erkenning door de man bovendien niet in het belang van [kind] worden geacht.

4.5

Uit het onder rechtsoverweging 3.5 weergegeven verzoek van de man in eerste aanleg volgt dat de inzet van het onderhavige geding is zijn verzoek om hem op grond van artikel 1:204 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek vervangende toestemming te verlenen tot erkenning van [kind]. Dit onderwerp betreft dan ook naar het oordeel van het hof het materiële geschil tussen partijen. Met de vaststelling van het biologisch vaderschap van de man is de weg geëffend om vervolgens het verzoek tot vervangende toestemming, bij gebreke van toestemming van de moeder, te beoordelen, waarna, na verlening van de toestemming, erkenning door de man van [kind] kan volgen. Eerst dan kan zijn verzoek om gezamenlijk met de moeder te worden belast met het gezag over [kind] worden beoordeeld.

4.6

Anders dan de bijzonder curator stelt, heeft de rechtbank door het gelasten van het DNA-onderzoek naar het oordeel van het hof nog geen einde gemaakt aan enig deel van het (materiële) geschil tussen partijen; de rechtbank heeft immers de zaak aangehouden, in afwachting van de uitkomst van het DNA-onderzoek. Anders gezegd: deze beslissing van de rechtbank is slechts een tussenstap om tot een (eind)beslissing te kunnen komen betreffende het materiële geschil tussen partijen: de verlening van vervangende toestemming tot de erkenning van [kind] door de man.

5 De slotsom

5.1

Het hof is van oordeel dat het bevelen van een DNA-onderzoek door de rechtbank in het onderhavige geval geen einde maakt aan enig deel van het materiële geschil, het verzoek van de man om hem vervangende toestemming te verlenen tot erkenning van [kind]. Het DNA-onderzoek is een deskundigenonderzoek dat slechts dient als hulpmiddel voor de beslissing op dit verzoek. Naar het oordeel van het hof is sprake van een tussenbeschikking, zodat daarvan geen hoger beroep openstaat nu de bijzonder curator geen verlof tot het tussentijds instellen van hoger beroep aan de rechtbank heeft verzocht.

5.2

Het hof zal de bijzonder curator niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep.

5.3

Gelet op de wijze van procederen en naar aanleiding van hetgeen de bijzonder curator ter zitting naar voren heeft gebracht ziet het hof ambtshalve aanleiding om de bijzonder curator in de proceskosten van de man te veroordelen. Nu de man op basis van door de overheid gefinancierde rechtshulp procedeert, begroot het hof zijn kosten op de door hem te betalen eigen bijdrage ter hoogte van circa € 141,-, althans op een door de man te specificeren ander (hoger/lager) bedrag, en op het door hem te betalen griffierecht van

€ 229,-.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

verklaart de bijzonder curator niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep;

veroordeelt de bijzonder curator in de kosten van deze procedure, aan de zijde van de man begroot op de door hem te betalen eigen bijdrage in verband met de door hem ontvangen gefinancierde rechtshulp, alsmede begroot op het griffierecht van € 229,-.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Feunekes, E.H. Schulten en K.J. Haarhuis, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier, en is op 3 april 2014 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.