Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:2612

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-04-2014
Datum publicatie
08-05-2014
Zaaknummer
200.138.547
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:763, Bekrachtiging/bevestiging
Einduitspraak: ECLI:NL:GHARL:2014:10302
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Werking van een non-concurrentiebeding/relatiebeding in een koopovereenkomst en in een arbeidsovereenkomst. Kort geding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2015/112
AR-Updates.nl 2014-0446
AR 2014/294
RAR 2014/111

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.138.547

(zaaknummer rechtbank Gelderland, team kanton en handelsrecht, zittingsplaats Arnhem, C/05/248339)

arrest in kort geding van de derde kamer van 1 april 2014

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Berkhof & Partners B.V.,

gevestigd te Hoenderloo, gemeente Apeldoorn,

appellante,

hierna: Berkhof,

advocaat: mr. R.H. van Dijke,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats], gemeente Lochem,

geïntimeerde,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. M.H.M. Deppenbroek.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van

1 oktober 2013 dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Gelderland (team kanton en handelsrecht, zittingsplaats Arnhem) tussen Berkhof als gedaagde in conventie/eiseres in reconventie en [geïntimeerde] als eiser in conventie/verweerder in kort geding heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 24 oktober 2013,

- de memorie van grieven met producties,

- de memorie van antwoord.

2.2

Ter zitting van 21 februari 2014 hebben partijen de zaak doen bepleiten, Berkhof door mr. R.H. van Dijke, advocaat te Amersfoort en [geïntimeerde] door mr. M.H.M. Deppenbroek, advocaat te Doetinchem. Beiden hebben daarbij pleitnotities in het geding gebracht.

2.3

Na afloop van de pleidooien heeft het hof op één dossier arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

3.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.8 van het bestreden vonnis.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1

Het gaat in deze zaak om het volgende. Op 23 april 2008 is tussen de vennootschap onder firma “[naam VOF]”, waarvan de middellijk door [geïntimeerde] bestuurde besloten vennootschap [naam B.V.] één van de vennoten was, en Berkhof een overeenkomst tot stand gekomen (hierna: de koopovereenkomst) waarbij de assurantieportefeuille door “[naam VOF]” aan Berkhof is verkocht voor een bedrag van € 1.300.000,-.

4.2

Artikel 1 van bovengenoemde koopovereenkomst luidt voor zover thans relevant als volgt:

Koop en verkoop;levering

Artikel 1

1. De verkoper verkoopt per 1 januari 2008 de assurantieportefeuille van het assurantiebemiddelingsbedrijf, die is geëxploiteerd onder de naam “[naam VOF]”, aan de Koper, die deze per gelijke datum van de Verkoper koopt. De assurantieonderneming (…) omvat:

a. de portefeuillerechten, bestaande uit het recht op provisie en het recht op beheer (…), verbonden aan de verzekeringen die de Verkoper in beheer heeft (…). Tot het recht op beheer horen alle cliënt- en contractgegevens behorende bij de kring van relaties, die door bemiddeling van de Verkoper overeenkomsten van verzekering en/of financiering bij verzekeringsmaatschappijen en of banken hebben gesloten en die tot het tijdstip van de koop en verkoop zijn gecontinueerd en ten aanzien van wie geen verzoek tot intermediairwijziging is ontvangen.

2. (…)

3. Indien de heer [Z] en/of de heer [geïntimeerde] weer actief wensen te zijn op het gebied van financiële dienstverlening, zullen zij hun diensten eerst aanbieden aan de Koper (…).

4.3

Artikel 5 van bovengenoemde koopovereenkomst bevat een “non-concurrentie; relatiebeding” (hierna: het relatiebeding), dat als volgt luidt:

Non-concurrentie; relatiebeding

Artikel 5

1. Het is de Verkoper, alsmede de heren [Z] en [geïntimeerde], voornoemd, verboden om vanaf datum levering, noch op eigen initiatief noch of initiatief van een relatie, voor eigen rekening of voor rekening van anderen of voor gezamenlijke rekening met anderen, althans anders dan voor rekening van de Koper, te bemiddelen in assurantiën en financiële diensten bij relaties, die op de datum van levering behoren tot de kring van relaties van de Verkoper. Van het hiervoor genoemde verbod zijn uitgezonderd de werkzaamheden die de heer van [Z] of de heer [geïntimeerde], voornoemd, verrichten op grond van een eventuele samenwerkingsovereenkomst met de Koper. Na het einde van de genoemde eventuele samenwerking geldt het in dit lid genoemde verbod tevens ten aanzien van de relaties van Berkhof & Partners. Indien de heer [Z] of de heer [geïntimeerde], voornoemd, weer actief is op het gebied van financiële dienstverlening anders dan voor rekening van de Koper (…) zullen zij, in het geval dat zij merken dat een prospect een relatie is van Berkhof & Partners, bij deze relatie niet adviseren of bemiddelen in financiële diensten en de relatie doorverwijzen naar Berkhof & Partners.

2. Voor elke overtreding van het bepaalde in lid 1 verbeurt de Verkoper, c.q. verbeurt de heer [Z] dan wel de heer [geïntimeerde], ten behoeve van de Koper op eerste aanmaning zonder dat ingebrekestelling is vereist verschuldigde, een niet voor verrekening vatbare boete groot € 10.000,-- (…) per overtreding, alsmede € 500,-- (…) voor iedere dag dat de overtreding duurt, onverminderd het recht van de Koper op volledige vergoeding van schade, kosten en rente. (…)”

4.4

Op 1 juni 2008 is de assurantieportefeuille aan Berkhof geleverd.

4.5

Op 31 juli 2008 is tussen Berkhof en [geïntimeerde] een arbeidsovereenkomst gesloten voor de duur van 6 maanden (hierna: de arbeidsovereenkomst) waarbij [geïntimeerde] in de functie van adviseur bij Berkhof in dienst is getreden. In artikel 18 van deze arbeidsovereenkomst is een “non-concurrentiebeding” opgenomen waarin wordt verwezen naar voormeld artikel 5 van de koopovereenkomst. Artikel 18 luidt als volgt:

Non- concurrentiebeding

Wat het non concurrentiebeding betreft wordt hier verwezen naar de afspraken en bepalingen welke zijn vastgelegd in de koopovereenkomst van de portefeuille van [naam VOF] waarbij o.a. is vastgelegd dat [geïntimeerde] geen zaken mag doen met relaties van [naam VOF] en Berkhof en partners, zoals die aanwezig zijn op het moment van het eventuele einde van de arbeidsovereenkomst.”

4.6

Op 31 december 2008 is de arbeidsovereenkomst van [geïntimeerde] met Berkhof geëindigd.

4.7

Berkhof heeft zich jegens [geïntimeerde] op het standpunt gesteld dat hij het relatiebeding uit de koopovereenkomst en het non-concurrentiebeding uit de arbeidsovereenkomst heeft overtreden. [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg in conventie, kort samengevat, primair gevorderd dat deze bedingen worden geschorst totdat in een bodemprocedure is vastgesteld dat deze bedingen nog werking hebben, subsidiair deze bedingen te schorsen totdat Berkhof aan [geïntimeerde] een lijst heeft verstrekt van (onder meer) volgens Berkhof onder de werking van deze bedingen vallende relaties die op 1 juni 2008 behoorden tot de kring van relaties van de vennootschap onder firma “[naam VOF]” en meer subsidiair Berkhof te veroordelen tot het verschaffen aan hem van deze lijst.

Berkhof heeft de vorderingen van [geïntimeerde] in conventie betwist en op haar beurt in reconventie gevorderd dat [geïntimeerde] zal worden veroordeeld om zich, kort gezegd, te onthouden van zakelijke contacten met relaties die toebehoorden aan de vennootschap onder firma “[naam VOF]”.

4.8

De voorzieningenrechter heeft in conventie zowel het relatiebeding uit de koopovereenkomst als het non-concurrentiebeding uit de arbeidsovereenkomst geschorst totdat in een bodemprocedure is vastgesteld dat deze bedingen ten tijde van het uitspreken van het kortgeding vonnis nog werking hadden en heeft in reconventie de vorderingen van Berkhof afgewezen en Berkhof zowel in conventie als in reconventie in de proceskosten veroordeeld. Daarbij heeft de voorzieningenrechter de vraag of sprake is van onrechtmatige concurrentie door [geïntimeerde] jegens Berkhof beoordeeld aan de hand van de criteria die gelden voor een arbeidsrelatie, omdat de positie van [geïntimeerde] ten opzichte van Berkhof door de koopovereenkomst weliswaar anders is dan die van een “gewone” werknemer, maar feitelijk geen andere is.

4.9

Onder aanvoering van elf grieven, die zich voor gezamenlijke behandeling lenen, komt Berkhof op tegen voornoemd oordeel van de voorzieningenrechter. Het zwaartepunt van het betoog van Berkhof is erin gelegen dat de relatiebedingen beoordeeld moeten worden aan de hand van de jurisprudentie aangaande de verkoop van ondernemingen en assurantieportefeuilles en die jurisprudentie van geheel andere orde is dan de jurisprudentie over relatiebedingen/non-concurrentiebedingen in het arbeidsrecht. Deze twee bedingen mogen volgens Berkhof niet over één kam worden geschoren.

4.10

Kernvraag in deze procedure is of het relatiebeding zoals vervat in artikel 5 van de op 23 april 2008 tussen Berkhof en [geïntimeerde] gesloten koopovereenkomst en het non-concurrentiebeding zoals vervat in artikel 18 van de op 31 juli 2008 gesloten arbeidsovereenkomst moeten worden geschorst totdat in een bodemprocedure een beslissing is genomen over de werking van deze bedingen.

4.11

Het hof zal, anders dan de voorzieningenrechter heeft gedaan, de vraag naar de werking van het relatiebeding uit de koopovereenkomst, niet beantwoorden aan de hand van de criteria die gelden voor een arbeidsrelatie. Een relatie/concurrentiebeding in een overnameovereenkomst en een dergelijk beding in een arbeidsovereenkomst dienen immers niet dezelfde doelen, zodat de bedingen op hun eigen merites moeten worden beoordeeld. Ten aanzien van de vraag naar de werking van het non-concurrentiebeding uit de arbeidsovereenkomst zal het hof, zoals hierna zal blijken, voor de beantwoording wel aansluiten bij de criteria die gelden voor een arbeidsrelatie.

Als uitgangspunt bij de beoordeling van beide bedingen geldt dat het Berkhof te doen is om de door haar van “[naam VOF]” gekochte relaties. Ten aanzien van de andere relaties, te weten de relaties die Berkhof zelf al had, gelden volgens haar de relatiebedingen niet (zie onder meer randnummer 22 van de memorie van grieven).

werking relatiebeding uit de koopovereenkomst (artikel 5)

4.12

Volgens [geïntimeerde] is dit beding uit de koopovereenkomst nietig wegens strijd met artikel 6 lid 1 van de Mededingingswet, omdat dit beding de strekking heeft om de mededinging te beperken. Het beding verbiedt hem immers om zijn diensten als verzekeringsadviseur aan relaties van Berkhof te kunnen aanbieden en daarmee om ten aanzien van die relaties met Berkhof te kunnen concurreren. Vaststaat, aldus [geïntimeerde], dat het beding noch geografisch noch in tijdsduur is beperkt, zodat het beding nietig is, althans dat naar analogie met (randnummer 20 van) de Mededeling nevenrestricties (Pb EG 2005 C 56/24) aannemelijk is dat het nietig zal worden geoordeeld voor zover het voor langere duur dan 3 jaar is overeengekomen.

4.13

Het hof verwerpt dit betoog van [geïntimeerde]. In het kader van de gestelde strijd met artikel 6 van de Mededingingswet moet worden onderzocht of dit beding de mededinging verhindert, beperkt of vervalst in de zin van dat artikel. Daarbij neemt het hof, in navolging van HR 21 december 2012, NJ 2013, 155, ECLI:NL:HR:2012:BX0345 (ANVR/IATA), het volgende tot uitgangspunt. In het mededingingsrecht staan vraagstukken van (niet zelden complexe) economische aard centraal. Degene die zich op het standpunt stelt dat een ander in strijd met het mededingingsrecht handelt, dient dit te onderbouwen met de relevante (economische) feiten en omstandigheden, opdat een voldoende adequaat en gefundeerd (economisch) partijdebat en daaropvolgend rechterlijk oordeel mogelijk worden gemaakt. Een partij die zich op (een) mededingingsrechtelijke nietigheid beroept, zoals [geïntimeerde] in dit geding, kan derhalve in beginsel niet volstaan met een algemene aanduiding van het mededingingsrechtelijke verbod, gepaard gaande met de stelling dat dit verbod in het desbetreffende geval is geschonden. Gelet hierop heeft [geïntimeerde] naar het oordeel van het hof niet aan haar hiervoor aangeduide stelplicht voldaan, zodat haar beroep op nietigheid van artikel 5 van de koopovereenkomst reeds op die grond faalt.

4.14

Vervolgens komt de vraag aan de orde of het relatiebeding uit de koopovereenkomst moet worden geschorst totdat in de bodemprocedure een oordeel over de werkingsduur ervan is gegeven. Volgens Berkhof heeft de verkoop van de assurantieportefeuille een permanent karakter. Doel van de koopovereenkomst van 23 april 2008 was immers het overbrengen van vermogensbestanddelen in het vermogen van de koper (Berkhof), zodat de verkoper ([naam VOF]) alsmede de heren [Z] en [geïntimeerde] (vergelijk artikel 5 lid 1 van de koopovereenkomst) zelf niet meer het recht hadden om het beheer te gaan uitoefenen over één of meer verkochte relaties. Nu het in feite gaat om de verkoop van vrijwel de gehele onderneming van “[naam VOF]” dient het relatiebeding aldus uitgelegd te worden dat het voor onbepaalde tijd is aangegaan. In dit verband is de rechtspraak over de verkoop van ondernemingen/assurantieportefeuilles van belang en niet die over relatiebedingen/non-concurrentiebedingen in het arbeidsrecht, aldus nog steeds Berkhof.

[geïntimeerde] stelt zich daarentegen op het standpunt dat de bedingen er niet toe strekken om hem voor eeuwig van de markt te weren, maar om het bedrijfsdebiet van Berkhof te beschermen tegen het ge-/misbruik maken door onder meer [geïntimeerde] van eventuele persoonlijke banden tussen enerzijds [geïntimeerde] en door Berkhof gekochte relaties en anderzijds tussen [geïntimeerde] en andere relaties van Berkhof waarmee [geïntimeerde] tijdens het dienstverband contact zou krijgen. Vanuit deze beschermingsgedachte zal het belang van Berkhof haar waarde verliezen naarmate de tijd verstrijkt en Berkhof zelf in de gelegenheid is geweest om de relaties die tot haar bedrijfsdebiet behoren blijvend aan zich te binden. Nu er inmiddels ruim vijf jaren zijn verstreken, is er geen sprake meer van een situatie waarin hij ten aanzien van de verkochte relaties of de relaties waarmee hij in contact zou zijn gekomen tijdens zijn dienstverband bij Berkhof, een voordeel heeft ten opzichte van ieder ander die op de markt van het verzekeringswezen actief is. Ten slotte heeft [geïntimeerde] gemotiveerd aangevoerd waarom hij wordt gehinderd door de relatie/non-concurrentiebedingen en waarom zijn belang om niet langer aan de bedingen gebonden te zijn, zwaarder weegt dan het belang van Berkhof bij handhaving daarvan.

4.15

Het hof oordeelt als volgt. Bij de uitleg van het onderhavige relatiebeding, waarbij de verkoper zich ertoe verbindt om zich in de toekomst te onthouden van bepaalde gedragingen, zonder dat voor die verplichting een tijdslimiet wordt aangegeven, komt het voor de vraag, hoe lang de verkoper zich op grond van dat beding van bedoelde gedragingen zal hebben te onthouden, aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden in het kader van de gehele overeenkomst redelijkerwijs aan het beding mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien van elkaar mochten verwachten (zie onder meer HR 18 november 1983, NJ 1984, 272; ECLI:NL:HR:1983:AG4691).

In dit geval mocht Berkhof er, naar het voorlopig oordeel van het hof, redelijkerwijs vanuit gaan dat [geïntimeerde] na de verkoop van de assurantieportefeuille, waarvoor Berkhof

€ 1.3000.000,- heeft betaald, geen werkzaamheden voor de overdragen relaties meer zou gaan verrichten. Zo heeft Berkhof voldoende aannemelijk gemaakt dat zij ervan uit is gegaan dat [geïntimeerde] in de toekomst aan iets heel anders dacht dan werkzaam te blijven in de verzekeringsbranche. In de email van [geïntimeerde] van 23 juli 2008 (productie 7 bij memorie van grieven) aan Berkhof blijkt ook duidelijk dat [geïntimeerde] zich realiseerde dat hij door de verkoop van de assurantieportefeuille de daarin aanwezige relaties in de toekomst nooit meer mocht bedienen. Zo schrijft [geïntimeerde] (voor zover thans relevant) aan Berkhof:

Hierbij de AOVK retour. Ik heb een paar dingetjes aangepast.

  1. Het non-concurrentiebeding heb ik zwaarder gemaakt. Je weet dat een werknemer door de rechter vaak wordt toegestaan zijn brood te verdienen. In dit geval is er sprake van verkoop van relaties waar de verkoper geen 3 jaar of zo maar blijvend/altijd af moet blijven. Ik heb het dus zwaarder dan 3 jaar gemaakt, trouwens dat is ook al geregeld in de koopovk en er van gemaakt dat ik niet aan relaties van Z&V en Berkhof mag komen. nooit dus.

  2. (…)

  3. (…)

  4. (…) Ik help zaterdag een autobedrijf in de verkoop en ben zelf met

  5. wat internet winkeltjes bezig. Ga waarschijnlijk ook dagje op de vrachtwagen bij [D] transport.

Ik heb er dus van gemaakt dat in niets mag doen op verzek c.q.fin dienstverleningsgebied (…)”.

De artikelen 1 (zoals (deels) geciteerd in rechtsoverweging 4.2) en 5 van de koopovereenkomst kunnen naar het voorlopig oordeel van het hof, mede gelet op de hiervoor (deels) geciteerde email van 23 juli 2008, niet anders worden uitgelegd dan dat de verkoop van de assurantieportefeuille een permanent karakter heeft en het [geïntimeerde] niet meer was toegestaan zelf het recht van beheer over één of meer verkochte relaties te gaan uitoefenen en de verkochte relaties weer te gaan bedienen.

De uitleg die [geïntimeerde] aan het beding heeft gegeven, te weten dat het beding (enkel) tot doel had het beschermen van het bedrijfsdebiet van Berkhof, wordt niet door het hof gevolgd. Partijen hebben immers een koopovereenkomst gesloten - waarbij het hof opmerkt dat [geïntimeerde] zich blijkens artikel 5 lid 1 ook in privé aan deze overeenkomst heeft gecommitteerd - met betrekking tot een assurantieportefeuille (met daarin de bestaande relaties van verkoper), zodat een redelijke uitleg van het beding meebrengt dat [geïntimeerde] zelf deze relaties niet meer mag bedienen.

[geïntimeerde] heeft ook nog aangevoerd dat bovengenoemde email van 23 juli 2008 niet in de zin die Berkhof er aan heeft gegeven (te weten: [geïntimeerde] zal zich nooit meer met de door hem verkochte relaties bezighouden) mag worden gelezen, omdat deze email is geschreven in het kader van de onderhandelingen over de arbeidsovereenkomst, maanden na de totstandkoming van de koopovereenkomst. Zo stelt [geïntimeerde] dat hij er op was gebrand een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd te krijgen en heeft hij zich wat ongelukkig (lees: in meer dan bedoelde, gunstige zin voor Berkhof) over het beding in de koopovereenkomst uitgelaten.

Ook dit kan [geïntimeerde] niet baten, nu Berkhof voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij de mail mocht opvatten in de door haar voorgestane zin, te weten dat [geïntimeerde] zich in de toekomst met andere zaken (ter gelegenheid van het pleidooi heeft Berkhof het kopen van een fietsenhandel genoemd) zou bezighouden dan met verzekeringszaken. Dat Berkhof zich, aldus [geïntimeerde], had moeten realiseren dat [geïntimeerde] gelet op artikel 5 lid 3 van de koopovereenkomst, weer actief zou worden op dezelfde markt als Berkhof en, zo begrijpt het hof de stelling van [geïntimeerde], Berkhof had moeten begrijpen dat [geïntimeerde] in de toekomst weer werkzaamheden in de verzekeringsbranche zou ontplooien, volgt naar het oordeel van het hof niet uit deze bepaling. In deze bepaling (zoals deels geciteerd in rechtsoverweging 4.2) is enkel vermeld dat voor het geval [geïntimeerde] weer actief zou worden op het gebied van financiële dienstverlening en hij zou merken dat een nieuwe cliënt een relatie is van Berkhof, hij deze cliënt naar Berkhof moet doorverwijzen. Dat uit deze bepaling ook zou blijken, zoals [geïntimeerde] aanvoert, dat het bij de overname van de assurantieportefeuille zou gaan om bestaande relaties van Berkhof (en niet, zo begrijpt het hof, om verkochte relaties van “[naam VOF]”) volgt het hof niet, omdat het blijkens artikel 1 van de koopovereenkomst gaat om de verkoop van de gehele assurantieportefeuille van “[naam VOF]” en het relatiebeding van artikel 5 juist daarop ziet.

Ten slotte brengt, zoals [geïntimeerde] nog heeft betoogd, het feit dat in de tekst van artikel 5 niet expliciet is bepaald dat het relatiebeding voor onbepaalde tijd zou gelden, niet mee dat het beding niet voor altijd zou gelden. Wordt immers een in tijd-ongelimiteerd beding in een contract opgenomen, dan mag in het algemeen worden aangenomen dat partijen dit ook aldus hebben bedoeld.

4.16

Het bovenstaande leidt tot de voorlopige conclusie dat [geïntimeerde] gebonden is aan het relatiebeding zoals vervat in artikel 5 van de koopovereenkomst en dat dit beding dus niet zal worden geschorst totdat in een bodemprocedure over de werking ervan is geoordeeld.

Zoals eerder overwogen gaat het hier om de verkochte “[naam VOF]” relaties en niet om de “eigen” relaties van Berkhof.

verstrekken van de lijst

4.17

[geïntimeerde] heeft verder gevorderd dat het relatiebeding in elk geval moet worden geschorst totdat hij een lijst heeft gekregen met een opgave van de volgens Berkhof beschermde relaties, zodat hij weet waaraan hij zich heeft te houden. Het argument van Berkhof dat [geïntimeerde] wetenschap heeft van alle relaties en dus geen belang heeft bij verstrekking van zo’n lijst, is volgens [geïntimeerde] onjuist. Het gaat immers om 3000 relaties, terwijl ook nog vijf jaren zijn verstreken sinds de koopovereenkomst en [geïntimeerde] geen zakelijke contacten met deze relaties heeft onderhouden.

Berkhof heeft ter onderbouwing van haar weigering voornoemde lijst (zonder garanties) aan [geïntimeerde] af te staan aangevoerd bevreesd te zijn dat [geïntimeerde] er met de lijst “vandoor gaat” in de vorm van het verkopen van de relaties en het openbaar maken dan wel publiceren van deze lijst. Daarbij komt, aldus Berkhof, dat zij heeft vernomen dat [geïntimeerde] parttime op een assurantiekantoor werkzaam is.

4.18

Het hof komt, de belangen van [geïntimeerde] afwegend tegen de belangen van Berkhof bij verstrekken van de lijst van relaties van Berkhof, tot het voorlopige oordeel dat het belang van Berkhof, die voor de desbetreffende relaties een groot bedrag heeft betaald, op dit moment heeft te prevaleren boven dat van [geïntimeerde]. Bij dit oordeel betrekt het hof dat het hier om een kort geding procedure gaat waarin geen plaats is voor nader onderzoek naar de gegrondheid van de bezwaren die Berkhof tegen verstrekking van de lijst heeft opgeworpen.

werking non-concurrentiebeding uit de arbeidsovereenkomst (artikel 18)

4.19

Zoals reeds overwogen zal het hof ter beantwoording van de vraag of er gronden zijn dit non-concurrentiebeding te schorsen totdat in de bodemprocedure een oordeel over de werking ervan is gegeven, aansluiting zoeken bij de criteria die gelden bij een arbeidsrelatie.

In dit kader acht het hof van belang dat de arbeidsovereenkomst maar zes maanden heeft geduurd, dat sinds de beëindiging ervan (per 31 december 2008) ruim vijf jaren zijn verstreken en dat dergelijke bedingen in de regel niet voor een periode van meer dan drie jaren worden aangegaan, althans dat er in het algemeen aanleiding is een voor een langere periode dan drie jaren overeengekomen relatie-/ non-concurrentiebeding tot een periode van drie jaren te beperken. Gelet op deze omstandigheden acht het hof het voldoende aannemelijk dat de bodemrechter zal oordelen dat in verhouding tot het te beschermen belang van Berkhof, [geïntimeerde] door het non-concurrentiebeding onbillijk wordt benadeeld en Berkhof daardoor geen beroep meer toekomt op dit beding. Dit beding zal dan ook met onmiddellijke ingang worden geschorst.

5 Slotsom

5.1

Het hoger beroep slaagt, zodat het bestreden vonnis moet worden vernietigd. Als de overwegend in het ongelijk te stellen partij zal het hof [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties veroordelen.

5.2

De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van Berkhof zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 589,-

- salaris advocaat € 816,- (tarief kort geding)

Totaal € 1.405,-

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van Berkhof zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten € 76,71

- griffierecht € 299,-

subtotaal verschotten € 375,71

- salaris advocaat € 2.682,- (3 punten x tarief II)

Totaal € 3.057,71

6 De beslissing

Het hof, recht doende in kort geding in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Gelderland (team kanton en handelsrecht, zittingsplaats Arnhem) van 1 oktober 2013 en doet opnieuw recht;

schorst het non-concurrentiebeding zoals vervat in artikel 18 van de op 31 juli 2008 tussen [geïntimeerde] en Berkhof gesloten arbeidsovereenkomst totdat in een bodemprocedure bij een rechterlijke uitspraak die gezag van gewijsde heeft verkregen is vastgesteld dat het beding nog werking heeft;

wijst de vorderingen van [geïntimeerde] voor het overige alsnog af;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van Berkhof wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op € 589,- voor griffierecht en op

€ 816,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep vastgesteld op € 375,71 voor verschotten en op € 2.682,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.A. van Rossum, L.F. Wiggers-Rust en J.P. Fokker en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 1 april 2014.