Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:2607

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-04-2014
Datum publicatie
15-05-2014
Zaaknummer
200.122.328
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitleg pensioenreglement

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2014/125

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.122.328

(zaaknummer rechtbank Arnhem, sector kanton, locatie Arnhem 816663)

arrest van de zesde kamer van 1 april 2014

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. H.M.J. van den Hurk,

tegen:

de naamloze vennootschap

N.V. KEMA,

gevestigd te Arnhem,

geïntimeerde,

hierna: Kema,

advocaat: mr. F.A.M. Knüppe.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van

25 juni 2012 en 15 oktober 2012 die de kantonrechter (rechtbank Arnhem, sector kanton, locatie Arnhem) tussen [appellant] als eiser en Kema als gedaagde heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 27 december 2012,

- de memorie van grieven, met producties,

- de memorie van antwoord, met producties.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

3.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de (niet betwiste) feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.3 van het (bestreden) vonnis van 15 oktober 2012.

Met zijn eerste grief wenst [appellant] die feiten aangevuld te zien met het – door Kema als zodanig niet bestreden – feit dat [appellant] aan het einde van zijn dienstverband zonder daarom te hebben verzocht 1,5 maandsalaris heeft ontvangen. Aldus staan, met inachtneming van deze grief, in deze zaak de volgende feiten vast.

3.2

[appellant], geboren op [geboortedatum], is vanaf september 1978 tot 1 maart 2010 bij Kema, dan wel haar rechtsvoorganger, in dienst geweest.

3.3

Op de arbeidsovereenkomst was de Kema CAO (hierna: de CAO) van toepassing.

Artikel 20 van de CAO luidt (onder meer):

“met alle werknemers die geboren zijn vóór 1 januari 1950 zijn afspraken gemaakt om gebruik te maken van de Seniorenregeling, en aansluitend de FPU. De afspraken die met betrokkenen zijn gemaakt in het kader van deze regeling worden ook zo uitgevoerd (…)”

In bijlage 5 van de CAO met als titel ‘Seniorenregeling à la carte’ staat onder meer:

“2. Uitgangspunt van de regeling is dat de werknemer gemiddeld 2 jaar eerder dan het bereiken van de spilleeftijd FPU voor 70% van de FPU-grondslag vervroegd kan uittreden. Bedoelde spilleeftijd FPU is 62 jaar. Voor werknemers die op 1 april 1997 50 jaar of ouder waren is deze spilleeftijd 61 jaar. Deze beschikbare 2x 70% (140%) kan tussen het bereiken van de leeftijd van 56 jaar en de spilleeftijd in tijd worden opgenomen – met inachtneming van het navolgende:

(…)

c. bij een keuze voor een beschikbaar percentage van 50% of meer is er sprake van vervroegd uittreden met de FPU-regeling. Het beschikbare percentage wordt dan gezien als een aanvulling op de FPU-regeling.

(…)

3. (…) Als er sprake is van vervroegd uittreden vindt over de periode die door de seniorenregeling à la carte wordt gefinancierd (maximaal 2 jaar) pensioenopbouw plaats. Deze opbouw geschiedt door inkoop van pensioenrechten aan het einde van het dienstverband. Als de werknemer te kennen geeft van het bepaalde in dit lid geen gebruik te willen maken, wordt in dat geval een compensatie van 1,5 maandsalaris toegekend, uit te keren bij het beëindigen van het dienstverband. Voortgezette opbouw voor ouderdoms- en nabestaandenpensioen tijdens de FPU-periode is volgens het ABP-pensioenreglement alleen mogelijk voor de werknemers die op 1 april 1997 50 jaar of ouder waren.”

3.4

De FPU (‘Flexibel Pensioen en Uittreden)-regeling zoals bedoeld in de CAO is ondergebracht bij en wordt uitgevoerd door het ABP. In artikel 16 lid 3 van het toepasselijke pensioenreglement van het ABP is het volgende vermeld:

“Artikel 16.3 Vrijwillige aanvullende voortzetting van de deelneming.

1. De gewezen werknemer die:

a. a) recht heeft op een ABP ArbeidsongeschiktheidsPensioen;

b) een ontslaguitkering of werkloosheidsuitkering ontvangt;

kan de deelneming vrijwillig aanvullend voortzetten.

2. De gewezen werknemer moet dit schriftelijk aan ABP verzoeken binnen drie maanden na ingang van de in het eerste lid bedoelde situatie.

3. De premie is een doorsneepremie. ABP stelt een individuele premie vast wanneer deze betrekking heeft op een periode waarin de gewezen werknemer ouder is dan 62 jaar.

4. De premie komt volledig voor rekening van de gewezen werknemer. (…)”

3.5

In een door [appellant] en [persoon 1] (namens Kema) ondertekende brief van

23 april 2003 is het volgende vermeld:

“Hierbij bevestigen wij de afspraken die wij reeds mondeling met u hebben gemaakt. (…)

- Vanaf 1 mei 2003 gaat u vier dagen per week werken.

- Formeel blijft uw dienstverband met KEMA 100%. Op uw salaris passen wij een korting toe van 20%. De premiebetaling voor FPU/pensioen blijft voor zowel de werkgever als werknemer 100%. Daardoor is geen sprake van pensioen- of FPU-verlies.

- Bij het bereiken van de 60-jarige leeftijd ([jaartal]) zult u gebruik maken van de FPU-regeling (u ontvangt dan 70% van uw salaris). Hierin zijn ook uw rechten op de Seniorenregeling zoals beschreven in de KEMA-CAO (artikel 20) verdisconteerd.

- Het uitgangspunt van deze regeling blijft een inzet van minimaal 800 declarabele uren per jaar. Indien de inzet structureel daalt onder de 800 uur per jaar zal in goed overleg tussen KEMA en [appellant] naar een oplossing worden gezocht.

- Nu er een normale functie beschikbaar is wordt het outplacement traject stopgezet.

(…)”

3.6

In een brief van november 2005 (productie 1 bij conclusie van antwoord) van Kema aan [appellant] is onder meer het volgende vermeld:

“(…) De afgelopen maanden bent u door het ABP geinformeerd over de aanpassingen (versoberingen) van de FPU-regeling. De belangrijkste veranderingen nogmaals op een rij:

- Als u vóór 1950 bent geboren en op 1 april 1997 in dienst was van KEMA (…) kunt u gebruikmaken van een regeling die lijkt op de huidige FPU; dit is een overgangsregeling die ingaat per 1 januari 2006.

(…)

- Werknemers geboren na 1 april 1947 en vóór 1 januari 1950 krijgen met 62 jaar en

3 maanden dezelfde uitkering als voorheen met 62 jaar.

(…)

U heeft met uw manager afgesproken om twee jaar eerder uit te treden door gebruik te maken van de FPU. Wij hebben voor u een aantal mogelijkheden uitgewerkt voor nieuwe afspraken, die zo dicht mogelijk bij uw oorspronkelijke afspraken blijven, maar die rekening houden met de versobering van de FPU.

Voorstel:

(…)

D. U maakt gebruik van de FPU/seniorenregeling met 60 jaar en 3 maanden ([datum]). Vanaf deze leeftijd tot uw 65-jarige leeftijd ontvangt u van het ABP een FPU-uitkering van 70% van uw pensioengrondslag.

(…)”

3.7

[appellant] heeft op de in deze brief bedoelde plaats ingevuld dat hij voor optie D kiest en hij heeft de brief, evenals zijn manager, ondertekend.

3.8

[appellant] is op [datum], op de leeftijd van 60 jaar en drie maanden, uit dienst getreden bij Kema. Hij heeft toen, zonder dit te hebben verzocht, van Kema 1,5 maandsalaris ontvangen.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1

[appellant] vordert in deze procedure dat voor recht wordt verklaard dat Kema ten onrechte niet conform (artikel 3 van bijlage 5bij) de CAO voor [appellant] pensioen heeft ingekocht evenals de veroordeling van Kema dat zij de bepalingen over de inkoop van de pensioenrechten alsnog zal nakomen, met nevenvorderingen.

[appellant] legt aan deze vorderingen ten grondslag dat deze verplichting van Kema tot inkoop van pensioenrechten aan het einde van het dienstverband is neergelegd in (de tweede en derde volzin van) artikel 3 van bijlage 5 bij de CAO. Volgens [appellant] ziet de in de laatste volzin van die bepaling neergelegde beperking voor voortgezette pensioenopbouw voor werknemers die op 1 april 1997 50 jaar of ouder waren, alleen op de FPU-periode na het bereiken van de spilleeftijd voor de FPU en niet op de daaraan voorafgaande, door de seniorenregeling bestreken periode van twee jaar. Daarnaast heeft [appellant] zich erop beroepen dat de voortgezette pensioenopbouw ook in individuele afspraken tussen [appellant] en Kema is vastgelegd.

Kema heeft verweer gevoerd en daarbij gesteld dat de genoemde beperking tot werknemers die op 1 april 1997 50 jaar of ouder waren ook betrekking heeft op de periode tussen de uitdiensttreding en het bereiken van de spilleeftijd FPU van (voor [appellant]) 62 jaar.

Voorts heeft Kema de door [appellant] gestelde individuele afspraken betwist.

4.2

De kantonrechter heeft de door Kema voorgestane uitleg gevolgd en de vorderingen van [appellant] afgewezen. Daartegen richten zich de grieven, die zich voor gezamenlijke behandeling lenen.

4.3

Het hof overweegt als volgt. Het geschil van partijen spitst zich toe op de uitleg van de onder 3.3 weergegeven bepalingen uit bijlage 5 bij de CAO. Naar tussen partijen ook niet in geschil is, zijn voor de uitleg van de onderhavige CAO-bepalingen in beginsel de bewoordingen, gelezen in het licht van de gehele tekst van belang, waarbij het aankomt op de betekenis die naar objectieve maatstaven uit die bewoordingen volgt. Daarbij kan acht worden geslagen op de elders in de CAO gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden.

4.4

Beoordeeld naar deze maatstaven, moet de door [appellant] bepleite uitleg worden verworpen. Blijkens de tekst van artikel 2 sub c bijlage 5 CAO, wordt de situatie waarin

– zoals ook door [appellant] is gedaan – wordt gekozen voor een percentage van 50% of meer aangemerkt als “vervroegd uittreden met de FPU-regeling” en wordt het “beschikbare percentage dan gezien als een aanvulling op de FPU-regeling.” De seniorenregeling definieert in de aangehaalde bepalingen de hier bedoelde vervroegde uittreding derhalve zelf als een toepassing van de FPU-regeling. Tegen die achtergrond ligt een uitleg waarbij het woord “FPU-periode” in artikel 3 van bijlage 5 zich eveneens uitstrekt over de periode voor de spilleeftijd FPU waarin werknemers met gebruikmaking van de seniorenregeling vervroegd uittreden, meer voor de hand dan de door [appellant] bepleite uitleg.

Aldus hebben de regels voor voortgezette pensioenopbouw ook betrekking op de voortgezette pensioenopbouw tijdens de periode na vervroegde uittreding op grond van de seniorenregeling. Bij het onderhavige gebruik van de seniorenregeling wordt in de regeling zelf dus geen onderscheid (meer) gemaakt tussen de twee perioden (seniorenregeling – FPU-regeling vanaf de spilleeftijd). De aan de FPU ontleende, in de laatste volzin van artikel 3 van bijlage 5 bij de CAO neergelegde beperking met betrekking tot de voortzetting van de pensioenopbouw tot personen die op 1 april 1997 50 jaar of ouder waren, geldt daarmee dan ook tevens voor de daaraan voorafgaande periode waarin op de hier bedoelde wijze van de seniorenregeling gebruik wordt gemaakt.

Nu de seniorenregeling zelf de onderhavige situatie van vervroegde uittreding aanmerkt als vervroegd uittreden met de FPU-regeling, doet aan de voorgaande uitleg niet af dat, zoals [appellant] aanvoert, het om onderscheiden elkaar opvolgende regelingen gaat, zoals dat laatste onder meer tot uitdrukking is gebracht in artikel 20 van de CAO. Het beroep van [appellant] op die bepaling kan de door hem bepleite uitleg, de maatstaf van rechtsoverweging 4.3 in aanmerking genomen, dan ook niet dragen. Overige (objectieve) maatstaven die tot de door [appellant] gestelde uitleg leiden zijn gesteld noch gebleken.

4.5

Voor zover [appellant] daarnaast heeft gesteld dat hij in ieder geval krachtens de met hem individueel gevoerde onderhandelingen en gemaakte afspraken (memorie van grieven, onder 35 e.v.) erop mocht vertrouwen dat tussen de periode van uitdiensttreding met 60 jaar en drie maanden en de spilleeftijd FPU sprake zou zijn van voortgezette pensioenopbouw, heeft hij dit onvoldoende concreet uitgewerkt en onderbouwd. Uit de brief van 23 april 2003 kan een dergelijke specifieke toezegging niet worden afgeleid. Evenmin is dit het geval met de brief van 25 november 2005, in welke brief de beide regelingen (Senioren- en FPU-regeling) veeleer als één samenhangend geheel worden gepresenteerd. De overige in het geding gebrachte correspondentie biedt niet méér steun voor de stellingen van [appellant] dan voor het standpunt van Kema.

4.6

Aan [appellant] kan worden toegegeven dat de toekenning van 1,5 maandsalaris aan het einde van het dienstverband van [appellant], zoals door Kema is geschied, niet strookt met de door Kema bepleite uitleg. Deze feitelijke handeling van Kema – die volgens Kema berust op door haar gevoerd beleid – legt bij de uitleg van de onderhavige bepalingen evenwel onvoldoende gewicht in de schaal om tot een ander dan het hiervoor onder 4.4 gegeven oordeel te komen. Evenmin biedt die betaling door Kema voldoende steun voor de door [appellant] gestelde individuele afspraken omtrent de voortgezette pensioenopbouw.

4.7

Het hof gaat, mede gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door Kema, aan het door [appellant] terloops gedane en in het geheel niet uitgewerkte beroep op het discriminatieverbod voorbij.

4.8

Nu [appellant] geen (voldoende concrete) feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel leiden heeft gesteld en – voldoende gespecificeerd – te bewijzen heeft aangeboden, is bewijslevering niet aan de orde.

5 Slotsom

5.1

De grieven falen, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd.

5.2

Als de (overwegend) in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellant] in de kosten van het hoger beroep veroordelen.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van Kema zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 666,-

- salaris advocaat € 894,- (1 punten x tarief II)

Totaal € 1.560,-

5.3

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten evenals de nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter te Arnhem van 15 oktober 2012;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Kema vastgesteld op € 666,- voor verschotten en op € 894,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en -voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt- te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

veroordeelt [appellant] in de nakosten, begroot op € 131,-, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 68,- in geval [appellant] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

verklaart dit arrest (voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft) uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.B. Knottnerus, G.P.M. van den Dungen en B.J. Lenselink, bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door mr. Lenselink en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 1 april 2014.