Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:2599

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-04-2014
Datum publicatie
04-04-2014
Zaaknummer
200.116.396
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nadere overeenkomst tot vrijwaring.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2014/269

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.116.396

(zaaknummer Hoge Raad der Nederlanden: 11/02377)

(zaaknummer gerechtshof Leeuwarden: 200.031.656)

(zaaknummer rechtbank Assen: 68028)

arrest van de eerste kamer van 1 april 2014

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[appellante] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats appellante],

appellante,

hierna: [appellante],

advocaat: mr. W.L.R. Schuurmans,

tegen:

de naamloze vennootschap

ABN AMRO Bank N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

hierna: ABN AMRO,

advocaat: mr. J.W. van Rijswijk.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 11 december 2012 hier over. In dit tussenarrest heeft het hof een comparitie van partijen gelast. Deze comparitie is gehouden op 6 maart 2013; het daarvan opgemaakte proces-verbaal maakt deel uit van de stukken.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

- de memorie na verwijzing van ABN AMRO;

- de (antwoord)memorie na verwijzing van [appellante].

1.3

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2 De vaststaande feiten

2.1

In 2001 heeft mevrouw [naam directeur] als directeur/grootaandeelhouder van [appellante] haar aandelen in [appellante] verkocht en geleverd aan de Stichting [naam stichting] (hierna: [naam stichting]), een te [plaats] gevestigd trustfonds. Mevrouw [naam directeur] was toen (mede)bestuurder van [naam stichting].

2.2

Vanuit het kantoor van ABN AMRO te [plaats] (hierna: ABN AMRO [plaats]) is aan [naam stichting] ten behoeve van de financiering van de koopsom van de aandelen een krediet ter grootte van € 186.050,-- verstrekt.

2.3

In een tussen ABN AMRO en ABN AMRO [plaats] uitgewisselde Risk Allocation Letter (RAL) van 23 mei 2001 is vastgelegd dat ABN AMRO tot een bedrag van € 186.050,- het risico zal dragen van het door ABN AMRO [plaats] aan [naam stichting] verstrekte krediet.

2.4

[naam directeur] heeft zich in een op 1 juni 2001 ondertekende Corporate Guarantee jegens ABN AMRO tot het bedrag van € 186.050,- garant gesteld voor de stipte nakoming van de aflossingsverplichtingen uit hoofde van het krediet door [naam stichting].

De Corporate Guarantee is in september 2003 op naam van [appellante] gesteld. Daarna is deze garantie in verband met het oplopen van het krediet verhoogd tot € 220.000,-.

2.5

De laatste door [appellante] ondertekende Corporate Guarantee dateert van 30 juni 2005. Deze had een geldingsduur tot 31 mei 2006. In deze Corporate Guarantee is onder meer vermeld: "Deze Corporate Guarantee (...) blijft geldig tot alle verplichtingen uit hoofde van de Faciliteit zijn nagekomen."

2.6

In de periode november/december 2001 tot en met december 2007 is maandelijks een bedrag van € 800,- van de rekening van [appellante] bij ABN AMRO afgeschreven, onder vermelding van "Stichting [naam stichting] rente lening" en het rekeningnummer van [naam stichting].

2.7

Per 1 januari 2006 zijn de activiteiten van ABN AMRO [plaats] onder bijzondere titel overgegaan naar de First Caribbean International Bank (hierna: FCB).

2.8

ABN AMRO heeft zich jegens FCB garant gesteld voor de nakoming door [naam stichting] van haar verplichtingen uit de door FCB overgenomen lening aan [naam stichting]. Zij heeft in verband met deze garantie [appellante] herhaaldelijk verzocht een akte tot vrijwaring van ABN AMRO te ondertekenen. Dit heeft [appellante] geweigerd.

2.9

Op 19 januari 2009 heeft ABN AMRO een bedrag van € 220.000,-- van de rekening van [appellante] afgeschreven, nadat zij even daarvoor door FCB onder de door haar gestelde garantie tot betaling van dat bedrag wegens "default" van [naam stichting] was aangesproken en zij dat bedrag aan FCB had voldaan.

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep na verwijzing

3.1

Bij inleidende dagvaarding heeft [appellante] gesteld dat de bedragen van € 800,- die ABN AMRO in de periode 2001-2007 maandelijks van haar rekening heeft geïncasseerd (in totaal € 46.400,-) onverschuldigd zijn betaald. De rechtbank Assen heeft, bij vonnis van 4 februari 2009, de daarop betrekking hebbende vorderingen van [appellante] afgewezen. In het tegen die beslissing gerichte hoger beroep heeft [appellante], onder vermeerdering van eis, tevens gevorderd ABN AMRO te veroordelen tot terugbetaling van het bedrag van € 220.000,- en tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Het hof Leeuwarden heeft in zijn arrest van 25 januari 2011 overwogen dat de grieven I tot en met V, die zich keren tegen de afwijzing van de oorspronkelijke vorderingen (met betrekking tot het bedrag van € 46.400,-), falen. Het hof heeft de vordering tot terugbetaling van het bedrag van € 220.000,- wel toewijsbaar geacht. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten heeft het hof afgewezen. Tegen dit arrest heeft ABN AMRO beroep in cassatie ingesteld. Bij arrest van 29 juni 2012 heeft de Hoge Raad het arrest van het hof Leeuwarden vernietigd.

3.2

De beslissingen van het hof Leeuwarden over de vorderingen met betrekking tot het bedrag van € 46.400,- en de buitengerechtelijke incassokosten zijn in cassatie niet bestreden. In het geding na verwijzing staan deze beslissingen dus vast. Alleen de vordering van [appellante] tot terugbetaling van het bedrag van € 220.000,- is in dit geding nog aan de orde.

3.3

Uit het arrest van de Hoge Raad volgt dat ABN AMRO tevergeefs is opgekomen tegen het oordeel van het hof Leeuwarden dat, na de overgang van de lening aan [naam stichting] van ABN AMRO naar FCB, de Corporate Guarantee in de verhouding tussen partijen was uitgewerkt. ABN AMRO heeft wel met succes geklaagd over het oordeel dat in haar stellingen met betrekking tot de gang van zaken rond de overgang van de lening naar FCB geen andere rechtsgrond kan worden gevonden tot gehoudenheid van [appellante] om ABN AMRO te vrijwaren voor aanspraken onder de door ABN AMRO aan FCB gegeven garantie. Volgens de Hoge Raad kunnen de door ABN AMRO aangevoerde omstandigheden, zo nodig onder toepassing van artikel 3:35 BW, een nadere overeenkomst meebrengen tot vrijwaring van ABN AMRO voor aanspraken van FCB en daarmee een rechtsgrond voor die vrijwaring. De omstandigheid dat [appellante] aan ABN AMRO kenbaar heeft gemaakt niet garant te willen staan jegens FCB sluit niet uit dat [appellante] zich wel in zodanige zin heeft willen verbinden jegens ABN AMRO. Evenzo laat de omstandigheid dat [appellante] geen nieuwe vrijwaringsverklaring ten gunste van ABN AMRO heeft willen ondertekenen de mogelijkheid onverlet dat partijen al eerder tot een (mondelinge) overeenkomst strekkende tot zodanige vrijwaring waren gekomen, althans dat ABN AMRO op de totstandkoming daarvan heeft mogen vertrouwen, aldus de Hoge Raad.

3.4

Gelet hierop dient thans nader te worden onderzocht of de door ABN AMRO gestelde omstandigheden inderdaad een nadere overeenkomst meebrengen tot vrijwaring van ABN AMRO voor aanspraken van FCB. De bedoelde omstandigheden zijn de volgende:

(i) [naam directeur] heeft, in reactie op een vraag daarover van ABN AMRO in verband met een voorgenomen overdracht van de faciliteit aan FCB, in december 2005 de wens geuit de door [appellante] verstrekte garantie "in beheer" te laten bij ABN AMRO;

(ii) ABN AMRO heeft vervolgens, na overleg met [naam directeur], de per 31 mei 2006 aflopende garantie verlengd en de RAL vervangen door een externe garantie ten gunste van FCB; [naam directeur] heeft namens [naam stichting] de faciliteit bij FCB bevestigd; [naam stichting] bleef tot eind 2007 "gevoed" vanuit [appellante] teneinde aan haar verplichting tot betaling van rente over de lening te kunnen voldoen.

Volgens ABN AMRO bevestigen deze omstandigheden dat partijen beoogden de bestaande financieringsstructuur in stand te houden.

3.5

De financieringsstructuur, zoals deze ten tijde van de overgang van de lening naar FCB bestond, had de volgende achtergrond. [naam directeur] had in 2001 haar aandelen in [appellante] verkocht aan [naam stichting], een door haar opgericht trustfonds waarvan zij zelf ook bestuurder was. De door [naam stichting] te betalen koopsom werd gefinancierd met een krediet van ABN AMRO [plaats]. Het krediet is later verhoogd tot € 220.000,-. In de RAL werd vastgelegd dat ABN AMRO (Nederland) ten opzichte van ABN AMRO [plaats] het risico voor het krediet droeg. Met de Corporate Guarantee stelde [naam directeur] zich op haar beurt jegens ABN AMRO garant voor de terugbetaling van het aan [naam stichting] verstrekte krediet. In 2003 heeft [appellante] de door [naam directeur] verstrekte garantie overgenomen. De looptijd van het krediet is meerdere malen verlengd. De garantie is ook telkens verlengd. De financieringsconstructie kwam er aldus op neer dat ABN AMRO (vestiging [plaats]) een kredietrelatie had met [naam stichting], dat in de interne verhoudingen binnen de bank ABN AMRO (Nederland) het risico voor het krediet droeg, en dat dit risico voor ABN AMRO was afgedekt met een garantstelling van [appellante]. Daarbij werd [naam stichting] vanuit [appellante] gevoed om aan haar betalingsverplichtingen jegens de bank te kunnen voldoen.

3.6

Vaststaat dat op 9 december 2005 een bespreking heeft plaatsgevonden op het kantoor van ABN AMRO te Assen, tussen een medewerkster van ABN AMRO en [naam directeur], over de voorgenomen overgang van de kredietfaciliteit van ABN AMRO [plaats] naar FCB (in verband met de algehele overname van de activiteiten van ABN AMRO op [plaats] door FCB). Vaststaat dat [naam directeur] bij die gelegenheid, in reactie op een vraag daarover van ABN AMRO, de wens heeft geuit dat de door [appellante] verstrekte garantie in beheer zou blijven bij ABN AMRO. Ook staat niet ter discussie dat ABN AMRO vervolgens de aan de kredietfaciliteit gekoppelde garantie heeft verlengd (en dit heeft bevestigd aan [naam directeur]) en dat namens [naam stichting] werd bevestigd dat de kredietfaciliteit werd voortgezet bij FCB. Verder staat vast dat tot eind 2007 maandelijks een bedrag van € 800,- van de rekening van [appellante] naar [naam stichting] werd overgemaakt, zodat [naam stichting] aan haar verplichting tot betaling van rente over de lening kon blijven voldoen. Uit dit alles volgt dat alle betrokkenen ervan uitgingen dat de kredietfaciliteit van [naam stichting] zou worden voortgezet, waarbij [appellante] (indirect) voor de nakoming van de daaruit voortvloeiende verplichtingen in zou blijven staan. In die zin kan dus ook worden gezegd dat beide partijen in deze zaak ervan uitgingen dat de bestaande financieringsstructuur in stand bleef. [appellante] bedong alleen dat ABN AMRO het beheer over de garantie zou blijven voeren. Aan die wens werd voldaan, doordat ABN AMRO een externe garantie verstrekte aan FCB (zoals zij die voorheen intern aan haar vestiging op [plaats] had verstrekt) en dus tussen de kredietverstrekkende bank op [plaats] en [appellante] als uiteindelijke garant in bleef staan. Daarbij is van belang dat [naam directeur] nog steeds zowel bestuurder van [appellante] als (mede)bestuurder en uiteindelijk belanghebbende in [naam stichting] was. Mede gelet op de bevestiging namens [naam stichting] van de voortzetting van de kredietfaciliteit bij FCB, mocht ABN AMRO ervan uitgaan dat [naam directeur] - en daarmee ook [appellante] - met voortzetting van de financiering op deze wijze (met de bijbehorende garanties) instemde. Dat [appellante], naar zij stelt, niet bekend was met de (namens [naam stichting] voor akkoord getekende) brief van FCB over dit onderwerp, doet daaraan niet af, nu gesteld noch gebleken is dat dit voor ABN AMRO kenbaar was. Naar het oordeel van het hof heeft ABN AMRO onder deze omstandigheden dan ook uit de verklaringen en gedragingen van [appellante] redelijkerwijs mogen begrijpen dat [appellante] de verplichting accepteerde om ABN AMRO te vrijwaren voor aanspraken van FCB op basis van de garantie die in het kader van de overgang van de lening aan FCB moest worden verstrekt.

3.7

Aan het betoog van [appellante] dat ABN AMRO in 2003 zonder uitdrukkelijke toestemming van [naam directeur] de Corporate Guarantee op naam van [appellante] heeft gezet (memorie van grieven sub 6 en 32), gaat het hof voorbij. ABN AMRO heeft, onder overlegging van diverse bescheiden, gemotiveerd gesteld dat deze wijziging wel degelijk op verzoek van [naam directeur] is geschied (memorie van antwoord sub 19, 34, 35 en productie 5, meer in het bijzonder de daarin opgenomen productie 6 uit de kort gedingprocedure). [appellante] heeft hierover slechts gesteld dat de door ABN AMRO overgelegde e‑mailcorrespondentie betrekking had op een wijziging van de tenaamstelling van bankrekeningnummers. Op het overgelegde opdrachtformulier d.d. 14 juli 2003 is zij niet ingegaan. Over de aan [appellante] gerichte brief d.d. 18 juli 2003 over voortzetting van de garantie heeft zij slechts opgemerkt dat in de aanhef wordt verwezen naar de bankgarantie voor rekening en risico van [naam directeur]. Hoe dan ook staat vast dat [naam directeur] - bestuurder van [appellante] - de Corporate Guarantee heeft ondertekend waarin (in de aanhef en aan het slot) duidelijk en uitdrukkelijk [appellante] als garant is vermeld. Ook bij de latere verlengingen van de garantie was dit het geval. Op grond daarvan heeft ABN AMRO in elk geval redelijkerwijs mogen begrijpen dat [appellante] de garantieverplichting op zich nam.

3.8

[appellante] heeft (in de memorie van grieven onder 8 en 35) verder nog aangevoerd dat [naam stichting] op 30 maart 2004 de aandelen in [appellante] heeft verkocht aan [bedrijf 1] s.a.r.l. [appellante] neemt aan dat [naam stichting] hierdoor in staat was om het geleende bedrag aan ABN AMRO [plaats] terug te betalen. [appellante] weet niet of dat ook daadwerkelijk is geschied. Zij vermeldt daarbij dat het trustkantoor Intertrust [plaats] (de medebestuurder van [naam stichting]) uitsluitend bevoegd was ten aanzien van de bankrekening en dat zij niet bekend is met de hoogte van het saldo op de bankrekening van [naam stichting]. Voor zover [appellante] in dit verband betoogt dat de garanties zijn vervallen omdat de aandelen niet meer in handen waren van [naam stichting] en de kredietfaciliteit daarmee was vervallen (memorie van grieven onder 142), kan zij daarin niet worden gevolgd. Het enkele feit dat [naam stichting] de aandelen heeft overgedragen, brengt immers nog niet mee dat de lening is afgelost. Voor zover [appellante] bedoelt dat de vordering van ABN AMRO op [naam stichting] destijds door betaling is tenietgegaan (en de garantieverplichtingen daarmee zijn vervallen), merkt het hof op dat het op de weg van [appellante] had gelegen om in concreto te stellen welke betaling er volgens haar dan is gedaan. Het opwerpen van de vraag of er mogelijk al is betaald volstaat niet, evenmin als de betwisting bij gebrek aan wetenschap dat [naam stichting] het kredietbedrag niet heeft voldaan (memorie van grieven onder 50). Het is immers [appellante] die zich erop beroept dat zij het bedrag van € 220.000,- onverschuldigd aan ABN AMRO heeft betaald. Het is dan ook aan haar om gemotiveerd te stellen dat een rechtsgrond voor die betaling ontbrak. Dat het trustfonds bij uitsluiting het beheer heeft van de bankrekening van [naam stichting] en [naam directeur] en [appellante] daarom niet direct informatie bij de bank kunnen opvragen (memorie van grieven onder 161), maakt dit niet anders. Het hof merkt daarbij overigens nog op dat niet zonder meer valt in te zien dat [appellante] ([naam directeur]) geen andere mogelijkheden heeft/had om deze informatie te achterhalen.

3.9

Het hof Leeuwarden heeft in rov. 9.1 van het arrest van 25 januari 2011 overwogen dat ABN AMRO wordt gevolgd in haar stelling dat de lening van [naam stichting] in 2006 onder bijzondere titel is overgegaan van ABN AMRO naar FCB; daarbij overwoog het hof dat [appellante] daar weliswaar kritische kanttekeningen bij heeft geplaatst, maar uiteindelijk zelf ook van die overgang uitgaat. In het geding na verwijzing staat die beslissing vast. Het betoog van [appellante] dat haar was meegedeeld dat op 1 januari 2006 alle activiteiten van ABN AMRO [plaats] zouden overgaan op FCB, tenzij [appellante] daar niet mee instemde, dat [appellante] niet heeft ingestemd en “de activiteiten” dus in beheer zouden blijven bij ABN AMRO, kan haar daarom niet baten. Daarmee resteert dat [naam directeur] in het kader van de overgang van de lening naar FCB heeft gestipuleerd dat ABN AMRO de garantie die in het kader van de kredietfaciliteit was afgegeven zou blijven beheren. Op de betekenis die ABN AMRO daaraan in de gegeven omstandigheden mocht geven, is hiervoor in rov. 3.6 ingegaan. De stelling van [appellante] dat zij aan ABN AMRO heeft kenbaar gemaakt niet garant te willen staan jegens FCB, doet aan het voorgaande ook niet af. Dit wil immers niet zeggen dat zij zich ook niet in deze zin wilde verbinden jegens ABN AMRO. Zoals hiervoor is overwogen, mocht ABN AMRO de verklaring van [naam directeur][appellante] zo begrijpen dat [appellante] tot dat laatste juist wel bereid was.

3.10

[appellante] heeft er ten slotte op gewezen dat zij heeft geweigerd de door ABN AMRO voorgelegde nieuwe vrijwaringsverklaring te ondertekenen. Naar het oordeel van het hof maakt dit echter niet dat [appellante] niet tot vrijwaring jegens ABN AMRO verplicht is geraakt.

Uit het verloop van de feiten blijkt dat de bedoelde weigeringen zijn gevolgd, nadat partijen de voorgenomen overgang van de lening naar FCB hadden besproken, [naam directeur] in dat kader duidelijk had gemaakt dat zij wilde dat ABN AMRO het beheer van de garantie zou blijven voeren, en op basis daarvan - naar ABN AMRO mocht aannemen: met instemming van [naam directeur] - diverse uitvoeringshandelingen waren verricht.

Op grond van het gerechtvaardigde vertrouwen dat daarmee bij ABN AMRO was gewekt, is tussen partijen een overeenkomst tot stand gekomen tot vrijwaring van ABN AMRO voor mogelijke aanspraken van FCB op basis van de te verstrekken garantie in verband met de overgenomen lening. Dat [appellante] daarna heeft geweigerd de vrijwaringsverklaringen te ondertekenen, waarin de desbetreffende verplichting van [appellante] jegens ABN AMRO werd vastgelegd, doet niet af aan de gebondenheid die toen al voor [appellante] was ontstaan.

3.11

Op grond van het voorgaande komt het hof tot de conclusie dat tussen partijen een nadere overeenkomst tot vrijwaring van ABN AMRO voor aanspraken van FCB is tot stand gekomen. Niet in geschil is dat FCB ABN AMRO heeft aangesproken op basis van de garantie, omdat [naam stichting] niet meer aan haar betalingsverplichtingen uit hoofde van de kredietovereenkomst voldeed, en ABN AMRO op grond daarvan het bedrag van € 220.000,- aan FCB heeft betaald. [appellante] was dus verplicht dit bedrag aan ABN AMRO te vergoeden.

Van onverschuldigde betaling is dan ook geen sprake geweest. De stelling van [appellante] dat ABN AMRO ongerechtvaardigd is verrijkt of onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld, door zonder rechtsgrond dit bedrag af te schrijven van de rekening van [appellante], is gelet op het voorgaande eveneens ongegrond.

3.12

Voor de stelling van [appellante] dat ABN AMRO wanprestatie heeft gepleegd, ziet het hof evenmin goede grond. [appellante] heeft daartoe aangevoerd dat ABN AMRO nimmer het bedrag ter hoogte van de kredietfaciliteit heeft geblokkeerd op de rekening van [appellante] en geen schriftelijk ‘statement of default’ heeft overgelegd voordat zij de contragarantie inriep (memorie van grieven onder 133-136). ABN AMRO heeft, onder verwijzing naar het door haar overgelegde overzicht van alle contracten (onderdeel van productie 9 uit de kort gedingprocedure), gemotiveerd gesteld dat in haar boeken wel degelijk een bedrag van € 220.000,- als obligo voor deze garantie was geadministreerd (memorie van antwoord onder 49 en pleitnotities onder 15). [appellante] heeft dit onvoldoende gemotiveerd weersproken. Bovendien valt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet in te zien dat [appellante] door het beweerdelijke verzuim schade heeft geleden ter hoogte van het geclaimde bedrag. Uit de gedingstukken blijkt verder dat ABN AMRO bij brief van 19 januari 2009 aan [appellante] heeft meegedeeld dat FCB het bedrag van € 220.000,- onder de kredietgarantie had geclaimd als gevolg van ‘default’ van [naam stichting]. De door [appellante] bedoelde schriftelijke mededeling is dus wel degelijk gedaan. De berichten van FCB, waarin werd verklaard dat de kredietfaciliteit wegens ‘non-performance’ was beëindigd, dat volgens haar administratie nog een bedrag van € 220.000,- verschuldigd was en dat dit bedrag werd geclaimd op basis van de garantie, zijn overigens ook overgelegd. Het beroep van [appellante] op het bewijsvoorschrift dat in de Corporate Guarantees was opgenomen, kan haar ook niet baten. Deze bepaling houdt slechts in dat een getekend uittreksel uit de boeken van ABN AMRO ([plaats]) zal strekken tot volledig bewijs van haar vordering uit hoofde van de faciliteit, behoudens tegenbewijs. Een voorwaarde dat de bank een dergelijk document moet overleggen om [appellante] op haar vrijwaringsverplichting te kunnen aanspreken, kan daarin niet worden gelezen.

3.13

Bij memorie na verwijzing heeft [appellante] nog opgemerkt dat, indien er al regres kan plaatsvinden, dit op grond van artikel 7:869 BW slechts kan voor de helft van het bedrag, mits de zekerheid door ABN AMRO aan FCB is verstrekt in de vorm van een borgtocht. [appellante] voert hiermee feitelijk een nieuwe grond voor haar vordering aan. In dit geding na verwijzing bestaat daarvoor echter geen ruimte meer. In beginsel dient het hof de zaak immers te behandelen in de stand waarin deze zich bevond toen de door de Hoge Raad vernietigde uitspraak werd gewezen. Redenen om van dit uitgangspunt af te wijken, heeft [appellante] niet aangevoerd en zijn het hof ook niet gebleken. Het hof kan dan ook in het midden laten of de genoemde wetsbepaling in dit geval van toepassing is.

3.14

Dit alles leidt tot de conclusie dat de vordering van [appellante] tot (terug)betaling van het bedrag van € 220.000,- alsnog moet worden afgewezen.

3.15

[appellante] heeft geen feiten gesteld die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden. Aan haar bewijsaanbod gaat het hof daarom voorbij.

4 Slotsom

4.1

De grieven falen, zodat het bestreden vonnis van 4 februari 2009 moet worden bekrachtigd. De vordering van [appellante] in hoger beroep zal worden afgewezen.

In het arrest van het hof Leeuwarden van 25 januari 2011 is al beslist dat [appellante] in het hoger beroep van het tussenvonnis van 1 oktober 2008 niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Deze beslissing staat in het geding na verwijzing vast en wordt dus overgenomen.

4.2

Het hof zal [appellante] als de in het ongelijk te stellen partij veroordelen in de kosten van het hoger beroep, inclusief het geding na verwijzing. Deze kosten zullen aan de zijde van ABN AMRO worden vastgesteld op:

- explootkosten € 63,26 (oproepingsexploot na verwijzing)

- griffierecht € 6.174,- (griffierecht procedure hof Leeuwarden)

subtotaal verschotten € 6.237,26

- salaris advocaat € 16.315,- (5 punten x tarief VI, € 3.263,- per punt)

Totaal € 22.552,26

4.3

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep na verwijzing:

verklaart [appellante] niet-ontvankelijk in het hoger beroep van het tussenvonnis van de rechtbank Assen van 1 oktober 2008;

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Assen van 4 februari 2009;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van ABN AMRO vastgesteld op € 6.237,26 voor verschotten en op € 16.315,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

veroordeelt [appellante] in de nakosten, begroot op € 131,-, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 68,- in geval [appellante] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

verklaart dit arrest (voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft) uitvoerbaar bij voorraad.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.J. de Kerpel-van de Poel, H. Wammes en H.L. Wattel en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 1 april 2014.