Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:2565

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-02-2014
Datum publicatie
01-04-2014
Zaaknummer
21-002695-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem: volledige vergoeding reis- en wachttijd raadsman

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2014/133

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-002695-12

Avnr: 1361-13

Uitspraak: 3 februari 2014

Het hof heeft gezien het op 31 juli 2013 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift van:

[verzoeker],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

te dezer zake domicilie kiezende te [plaats], ten kantore van zijn raadsman,

hierna te noemen: verzoeker,

ingediend door [raadsman], advocaat te [plaats], strekkende tot toekenning van een vergoeding ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering in de kosten wegens tijdverzuim geleden door verzoeker door de behandelingen van de zaak ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep en in de kosten van de raadsman, vermeerderd met de kosten voor het indienen en behandelen van het verzoekschrift, dat tevens omvat een verzoek ex artikel 89 van het Wetboek van Strafvordering.

Het hof heeft gehoord in openbare raadkamer van 6 januari 2014 de advocaat-generaal en verzoeker, bijgestaan door [raadsman] voornoemd.

Het hof heeft kennisgenomen van de overige zich in het procesdossier bevindende stukken, waaronder de conclusie van de advocaat-generaal.

Overwegingen

1.

Bij in kracht van gewijsde gegaan arrest van het hof van 2 mei 2013 is verzoeker vrijgesproken van het hem onder 1 primair en subsidiair en onder 2 tenlastegelegde. De zaak is derhalve geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

2.

Het verzoekschrift is tijdig ingediend en is in zoverre ontvankelijk

3.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot afwijzing van de geclaimde kosten tijdverzuim en tot gedeeltelijke toewijzing van de gevraagde vergoeding in de kosten van de raadsman, met dien verstande dat de kosten rechtsbijstand worden gematigd. Met betrekking tot de hoogte van de toe te wijzen vergoeding refereert de advocaat-generaal zich aan het oordeel van het hof.

4.

De raadsman heeft gepersisteerd bij het verzoek en heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof met betrekking tot het door de advocaat-generaal gestelde ten aanzien van de matiging van de kosten rechtsbijstand.

5.

Ingevolge artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering kan, indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, aan de gewezen verdachte of zijn erfgenamen, op een verzoek ingediend binnen drie maanden na beëindiging van de zaak, uit ’s Rijks kas een vergoeding worden toegekend voor de schade welke hij ten gevolge van het tijdverzuim door de behandeling van de zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden, alsmede in de kosten van een raadsman.

Op grond van artikel 90, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering heeft de toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, grond van billijkheid aanwezig zijn.

6.

Bij de beoordeling van het verzoek tot vergoeding van de kosten wegens tijdsverzuim is het hof van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat verzoeker daadwerkelijk schade heeft geleden door het tijdverzuim. Het hof neemt hierbij in overweging dat verzoeker tijdig op de hoogte is gesteld van de behandelingen van de strafzaak en dat hij bij het maken van afspraken met patiënten daarbij rekening heeft kunnen houden. Tevens is het hof evenmin gebleken dat verzoeker een vervanger heeft ingezet bij zijn afwezigheid.

7.

Bij de beoordeling van het verzoek tot vergoeding van de kosten van de raadsman in de zin van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering stelt het hof voorop dat de declaratie van de raadsman niet meer is dan een uitgangspunt, dat door het hof wordt betrokken in zijn oordeel of er, alle omstandigheden in aanmerking genomen, grond van billijkheid aanwezig zijn aan verzoeker een vergoeding toe te kennen voor de kosten van de raadsman en zo ja tot welk bedrag. Het hof heeft ten aanzien van de gevraagde vergoeding ter zake van de kosten voor rechtsbijstand acht geslagen op de aard, de omvang en de complexiteit van de strafzaak.

Het hof heeft als beleid dat de gedeclareerde reistijd van de raadsman slechts voor de helft dan wel voor het halve uurtarief in aanmerking wordt genomen. Het hof is gebleken dat de andere hoven, in afwijking van dit hof, het volledige uurtarief aan gedeclareerde reistijd vergoeden. Gelet op de rechtseenheid zal het hof zich bij de werkwijze van de andere hoven aansluiten en derhalve de volledige gedeclareerde reistijd vergoeden.

Het hof zal op gronden van billijkheid als vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand toekennen een bedrag van € 31.615,95 (inclusief BTW).

8.

Gelet op de landelijke aanbeveling inzake verzoekschriften schadevergoeding kan in het onderhavige geval als vergoeding voor kosten verbonden aan de indiening en behandeling van dit verzoekschrift worden toegewezen een bedrag van € 550,-- (inclusief BTW).

9.

Met inachtneming van het bovenstaande kan aan verzoeker worden toegekend:

- aan kosten rechtsbijstand . . . . € 31.615.95

- kosten verzoekschrift . . . . € 550,- -

totaal € 32.165,95

BESLISSING

Het hof:

- kent aan verzoeker toe op grond als hiervoor omschreven een vergoeding uit ’s Rijks kas ten bedrage van € 32.165,95 (zegge: tweeëndertigduizend éénhonderd-vijfenzestig euro en vijfennegentig cent) en gelast de tenuitvoerlegging daarvan;

- wijst af hetgeen meer of anders is verzocht;

- beveelt de griffier om bovenstaand bedrag over te maken op rekeningnummer [rekeningnummer], ten name van [begunstigde].

Deze beschikking is gegeven te Arnhem door mr C. Caminada, voorzitter, in tegenwoordigheid van G. Heeres, griffier, ondertekend door de voorzitter en de griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 februari 2014.