Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:2385

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25-03-2014
Datum publicatie
27-03-2014
Zaaknummer
200.124.648
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzekeringsrecht; verzwijging strafrechtelijk verleden; verjaring

Aansprakelijkheid assurantietussenpersoon

Wetsverwijzingen
Wetboek van Koophandel
Wetboek van Koophandel 251
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 87
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 150
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 843a
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 37
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 942
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2014/213
JA 2014/67
NTHR 2014, afl. 4, p. 193
NTHR 2014, afl. 3, p. 169
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.124.648

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht 279015)

arrest van de eerste kamer van 25 maart 2014

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] (Verenigde Staten van Amerika),

appellant,

advocaat: mr. K.F.J. Machielsen,

tegen

1. de naamloze vennootschap

N.V. Amersfoortse Algemene Verzekering Maatschappij,

gevestigd te Amersfoort,

advocaat: mr. B. Holthuis,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

V.V.A.A. Financieel-economisch Adviesbureau B.V.,

gevestigd te Utrecht,

advocaat: mr. B.M. Jonk-van Wijk,

geïntimeerden.

Partijen zullen hierna [appellant], De Amersfoortse en VVAA worden genoemd.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de tussen [appellant] als eiser in conventie tevens verweerder in reconventie, De Amersfoortse als gedaagde in conventie tevens eiseres in reconventie en VVAA als gedaagde in conventie gewezen vonnissen van de rechtbank Utrecht respectievelijk rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 28 april 2010, 8 december 2010, 7 september 2011, 16 november 2011, 29 augustus 2012 en 9 januari 2013.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaardingen in hoger beroep d.d. 22 maart 2013 en 25 maart 2013;

- de akte van depot van [appellant];

- de memorie van grieven tevens houdende vermeerdering van eis tegen VVAA;

- de memorie van antwoord van De Amersfoortse;

- de memorie van antwoord van VVAA;

- de akte houdende bewijsaanbod van [appellant];

- de antwoordakte van De Amersfoortse.

2.2

Partijen hebben de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd. Daarop heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

3.1

Voor de vaststaande feiten verwijst het hof naar de feiten zoals die door de rechtbank in het tussenvonnis van 7 september 2011 onder 2.1 tot en met 2.9 zijn vastgesteld. Ook het hof gaat van deze feiten uit.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1

Het gaat in deze zaak kort samengevat om het volgende. [appellant] was vanaf 1999 als tandarts werkzaam in Nederland. Per 12 september 2003 heeft [appellant], via zijn assurantietussenpersoon VVAA, bij (de rechtsvoorganger van) De Amersfoortse een arbeidsongeschiktheidsverzekering afgesloten. [appellant] is in maart 2005 arbeidsongeschikt geraakt. Bij brief van 21 juli 2005 heeft De Amersfoortse de verzekering vernietigd wegens verzwijging. In conventie heeft [appellant] tegen De Amersfoortse rechtsvorderingen ingesteld die ertoe strekken - zakelijk samengevat - dat hij alsnog een uitkering ontvangt op grond van de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Voor het geval de vorderingen tegen De Amersfoorste worden afgewezen heeft [appellant] gevorderd - zakelijk samengevat - dat VVAA op grond van een door haar begane beroepsfout wordt veroordeeld tot vergoeding van de schade die [appellant] als gevolg daarvan lijdt. Bij vermeerdering van eis heeft [appellant] nog een vordering ex artikel 843a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) ingesteld. De Amersfoortse heeft in reconventie - zakelijk samengevat - gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat de verzekeringsovereenkomst is vernietigd en dat [appellant] wordt veroordeeld in de (onderzoeks)kosten die De Amersfoortse heeft moeten maken en tot terugbetaling van de reeds aan hem gedane verzekeringsuitkeringen. De rechtbank heeft de vorderingen in conventie afgewezen en de vorderingen in reconventie deels toegewezen.

4.2

Voor zover [appellant] met zijn grieven (in het bijzonder de grieven 3 en 4) opkomt tegen de beslissing van de rechtbank om een tweede comparitie van partijen te gelasten en om terug te komen op een eerder genomen eindbeslissing, kunnen deze grieven [appellant] niet baten. Door de devolutieve werking van het hoger beroep is (de beoordeling van) de hele zaak afgewenteld op het hof en zal het hof binnen de omvang van het hoger beroep en het door de grieven ontsloten gebied, het geschil opnieuw dienen te beoordelen. Daarbij is het hof niet gebonden aan eventueel eerder genomen eindbeslissingen waarop de rechtbank al dan niet op goede gronden is terug gekomen en daaraan kan niet afdoen dat de rechtbank een tweede comparitie van partijen heeft gelast. Bovendien stond het de rechtbank op grond van het bepaalde in artikel 87 en 88 Rv vrij om in elke stand van het geding een (nieuwe) comparitie van partijen te bepalen. Anders dan [appellant] meent, is dit ten aanzien van een inlichtingencomparitie niet anders dan ten aanzien van een schikkingscomparitie. Artikel 88 Rv verwijst, ook ten aanzien van de mogelijkheid om een comparitie te gelasten, naar hetgeen daaromtrent in artikel 87 Rv is bepaald. Dat sprake zou zijn van strijd met de eisen van een goede procesorde heeft [appellant] onvoldoende toegelicht. Het hof gaat dan ook verder aan deze grieven voorbij.

4.3

Grief 1 is gegrond op het uitgangspunt dat De Amersfoortse na de brief van 21 juli 2005 geen nieuwe feiten mocht opvoeren voor het beroep op verzwijging en dat de rechtbank daarom niet de zogenoemde Israëlische kwestie in haar beoordeling mocht betrekken. Deze grief faalt. De Amersfoortse heeft bij brief van 21 juli 2005 de verzekeringsovereenkomst vernietigd wegens – kort gezegd – verzwijging. Daaraan heeft De Amersfoortse ten grondslag gelegd dat er ten tijde van de aanvraag van de verzekering door [appellant] in de Verenigde Staten een juridisch onderzoek tegen [appellant] aanhangig was wegens het plegen van een misdrijf en voorts dat is gebleken dat de licentie van [appellant] voor het uitoefenen van het beroep van tandarts in de staat New York was ingetrokken, terwijl [appellant] van een ander geen melding had gemaakt. Bij brieven van 6 en 21 december 2005 heeft De Amersfoortse daar nog aan toegevoegd dat uit een vonnis van het gerechtshof te Jeruzalem van 4 september 2002 gebleken was van een akte van beschuldiging tegen [appellant]. Er is geen rechtsregel die zich ertegen verzet dat, indien nadien andere feiten bekend worden waarvan [appellant] bij het aanvragen van de verzekering melding had moeten maken, deze eveneens aan het beroep op verzwijging en de daarop gebaseerde vernietiging van de verzekeringsovereenkomst ten grondslag worden gelegd. Het beroep van [appellant] op Hoge Raad 3 februari 1989, NJ 1990, 476 gaat in dit verband niet op. Dat arrest heeft betrekking op de vraag of een verzekeraar wanneer hij de afwijzing van dekking voor de verwezenlijking van een risico op een bepaalde grond heeft doen steunen, daarop kan terugkomen door die afwijzing nadien, wanneer die grond onjuist is gebleken, op een andere grond te baseren. Dat betreft dus een wezenlijk andere situatie dan wanneer sprake is van vernietiging van de verzekeringsovereenkomst wegens verzwijging terwijl nadien andere feiten blijken die (eveneens) een beroep op verzwijging zouden kunnen rechtvaardigen. Anders dan [appellant] stelt, is de beslissing zoals verwoord in de brief van 21 juli 2005 geen definitieve beslissing in die zin dat het De Amersfoortse niet vrij zou staan aan deze beslissing nog andere, nieuw gebleken feiten ten grondslag te leggen.

4.4

Met grief 2 komt [appellant] op tegen het oordeel zoals weergegeven in rechtsoverweging 4.23 van het tussenvonnis van 7 september 2011. Bij deze grief mist [appellant] belang. De in die rechtsoverweging weergegeven beslissing is immers uiteindelijk niet dragend gebleken voor het oordeel van de rechtbank dat De Amersfoortse een beroep op verzwijging toekomt. In rechtsoverweging 2.15 van het tussenvonnis van 29 augustus 2012 heeft de rechtbank geoordeeld dat [appellant] de vraag naar zijn strafrechtelijk verleden zo heeft moeten begrijpen dat hij had moeten melden dat hij in 1997 door de Israëlische autoriteiten (politie) is verhoord wegens verdenking van een misdrijf. Tegen die beslissing is geen grief gericht. Het hof heeft daarom daarvan uit te gaan. Overigens zou een grief tegen die beslissing [appellant] ook niet hebben kunnen baten. Op het aanvraagformulier stond de volgende vraag geformuleerd:

“Bent u, of een andere belanghebbende bij deze verzekering, in de laatste acht jaar in aanraking geweest met politie of justitie? Bijvoorbeeld omdat u, of een andere belanghebbende, werd verdacht van het plegen van een misdrijf? Zo ja, geef dan aan om welk misdrijf het ging, of het tot een rechtszaak is gekomen, wat het resultaat daarvan was en of eventuele (straf)maatregelen al zijn uitgevoerd.”

Daarmee heeft De Amersfoortse in niet voor misverstand vatbare termen en in voldoende exacte bewoordingen aangegeven welke feiten en omstandigheden omtrent het strafrechtelijk verleden voor haar relevant zijn, namelijk ook die feiten en omstandigheden waaruit kan worden opgemaakt dat de verzekeringnemer in de genoemde periode verdacht werd van het plegen van een misdrijf. Indien [appellant] in 1997 door de Israëlische politie als verdachte van een misdrijf is verhoord, is daarvan sprake en had [appellant] daarvan inderdaad melding moeten maken.

4.5

Met de grieven 5 tot en met 9 komt [appellant] in de kern genomen op tegen het oordeel van de rechtbank dat het document van 3 augustus 2011 (hierna: het document) in de beoordeling dient te worden betrokken en tegen de daaraan door de rechtbank verbonden conclusies. Het is op basis van de inhoud van het document en hetgeen [appellant] daarover heeft verklaard dat de rechtbank heeft geconcludeerd dat [appellant] in 1997 is verhoord wegens verdenking van een misdrijf.

4.6

Ten aanzien van het standpunt van [appellant] dat het document onrechtmatig, namelijk (onder meer) in strijd met de Gedragscode Persoonlijk Onderzoek (hierna: de gedragscode), is verkregen, stelt het hof het volgende voorop. Een enkele inbreuk op de privacy van [appellant] door het inbrengen van bewijsmateriaal, is niet voldoende om het document niet als bewijs in de procedure te gebruiken. Het belang van [appellant] bij bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer moet worden afgewogen tegen het belang van De Amersfoortse dat in de procedure de waarheid omtrent de strafrechtelijke verdenking jegens [appellant] komt vast te staan. Daarbij kan weliswaar een rol spelen dat het document is verkregen in strijd met de, ook door De Amersfoortse aanvaarde, gedragscode, maar doorslaggevend hoeft dat niet te zijn. Alle omstandigheden van het geval dienen te worden meegewogen.

4.7

[appellant] heeft in hoger beroep nagelaten te concretiseren welke bepaling uit de gedragscode door De Amersfoortse bij het verkrijgen van het document zou zijn geschonden. In eerste aanleg heeft [appellant] zijn stellingen op dit punt met name toegespitst op de uitgevoerde observaties. Zonder nadere motivering ziet het hof niet in op welke wijze de gedragscode door De Amersfoortse is geschonden bij het verkrijgen van het document. In het kader van zijn eerste grief heeft [appellant] in dit verband gesteld dat het De Amersfoortse niet vrij stond om nader (persoonlijk) onderzoek te laten uitvoeren omdat de brief van 21 juli 2005 een definitieve beslissing bevatte. Bij de bespreking van die grief is het standpunt dat sprake zou zijn van een definitieve beslissing waarop geen aanvulling op grond van nieuw gebleken feiten meer mogelijk zou zijn, reeds verworpen. Voor zover [appellant] heeft bedoeld te stellen dat De Amersfoortse hem niet of onvoldoende van het resultaat van het onderzoek op de hoogte heeft gesteld, is dat onvoldoende om het document op die grond niet in de procedure toe te laten. Het belang van de waarheidsvinding dient zwaarder te wegen dan het belang van [appellant] om (eerder dan in de procedure) op de hoogte te worden gesteld van de uitkomsten van het onderzoek naar hem. [appellant] heeft in de procedure voldoende gelegenheid gehad, en die gelegenheid ook benut, om zich over het document uit te laten en zich tegen de inhoud daarvan te verweren. Voor zover [appellant] voorts nog heeft gesteld dat De Amersfoortse informatie uit het persoonlijk onderzoek heeft achtergehouden, heeft hij zijn stelling - tegenover de uitdrukkelijke betwisting door De Amersfoortse dat er relevante informatie is achtergehouden - onvoldoende nader onderbouwd. Het had, tegenover die betwisting, op de weg van [appellant] gelegen om zijn stelling dat De Amersfoortse ook de beschikking heeft over ontlastend materiaal nader te onderbouwen, maar dat heeft hij niet, althans onvoldoende gedaan.

4.8

De omstandigheid dat het document niet is voorzien van een apostille, maakt - anders dan [appellant] stelt - niet dat het document geen enkele bewijskracht toekomt. Het betreft een geschrift, dat vrije bewijskracht heeft. Het gebruik daarvan is ook niet in strijd met de onschuldpresumptie. De vernietiging van de verzekeringsovereenkomst en het oordeel van de rechtbank is er immers niet op gebaseerd dat [appellant] schuldig is geweest aan het plegen van een misdrijf, maar slechts dat hij daarvan werd verdacht en daarom ten onrechte de vraag daarover in het aanvraagformulier ontkennend heeft beantwoord.

4.9

[appellant] heeft de inhoud van het geschrift, en de stelling van De Amersfoortse dat daaruit volgt dat [appellant] als verdachte van het plegen van een misdrijf door de politie is verhoord, onvoldoende betwist. Met de rechtbank, constateert het hof dat [appellant] heeft verklaard dat hij inderdaad in Eilat is verhoord, zij het volgens hem door de veiligheidsdienst. Dat verklaart evenwel niet waarom er een aanklacht tegen hem is ingediend (hetgeen [appellant] niet heeft betwist; hij stelt slechts dat hij daarvan niet op de hoogte was). In hoger beroep heeft [appellant] nog een verklaring in het geding gebracht waaruit volgt dat hij in Israël geen strafblad (“criminal record”) heeft, maar dat is op zichzelf onvoldoende om te kunnen concluderen dat hij niet verdacht werd van het plegen van een misdrijf. Met het document, in samenhang met de uit het vonnis van het gerechtshof te Jeruzalem blijkende akte van beschuldiging en de verklaring van [appellant] dat hij inderdaad door de Israëlische autoriteiten in Eilat is verhoord, is de stelling van De Amersfoortse dat [appellant] in april 1997 door de Israëlische politie wegens verdenking van het plegen van een misdrijf is verhoord, op overtuigende wijze onderbouwd. [appellant] heeft daartegenover de stelling van De Amersfoortse onvoldoende onderbouwd betwist. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de schriftelijke verklaring van [X] in dat verband onvoldoende is. Er bestond (en bestaat) dan ook geen aanleiding om [appellant] tot (tegen)bewijslevering toe te laten. Op grond van het voorgaande staat vast dat [appellant] verdacht werd van het plegen van een misdrijf en daarover door de Israëlische politie in april 1997 is ondervraagd. De grieven 5 tot en met 9 falen.

4.10

Grief 10, die het kennisvereiste aan de orde stelt, miskent dat het beroep op verzwijging door de rechtbank is aanvaard op de grond dat vast staat dat [appellant] in 1997 als verdachte van het plegen van een misdrijf door de Israëlische politie is verhoord. Het spreekt voor zich dat [appellant] daarvan kennis had. Dat de aanklacht op een later moment, toen [appellant] in Nederland woonde, werd ingediend, doet daaraan niet af.

4.11

Met de grieven 11 en 12 beroept [appellant] zich erop dat de verzwijging niets van doen heeft met de verzekerde arbeidsongeschiktheid. Het niet of onjuist meegedeelde feit heeft de kans op het intreden van het risico en/of het voortbestaan daarvan niet vergroot en de verzwegen feiten rechtvaardigen geen beroep op artikel 251 van het Wetboek van Koophandel (WvK), aldus [appellant]. Tussen partijen staat vast dat op de verhouding tussen partijen het (verzekerings)recht van toepassing is zoals dat gold tot 1 januari 2006. Naar vaste jurisprudentie staat onder het oude recht het ontbreken van causaal verband tussen de verzwegen feiten en de verwezenlijking van het verzekerde risico niet aan een beroep door de verzekeraar op artikel 251 WvK in de weg. Er bestaat geen grond om het causaliteitsbeginsel van het nieuwe recht toe te passen op situaties waarop nog het oude recht van toepassing is. Door de Hoge Raad is anticipatie van de hand gewezen. De omstandigheden dat onder het nieuwe verzekeringsrecht de verzekering ook bij schending van een mededelingsplicht zou voortduren, dat het causaal verband tussen de verzwijging en de arbeidsongeschiktheid ontbreekt, dat De Amersfoortse onder het nieuwe verzekeringsrecht wel zou hebben moeten uitkeren en dat de verzwijging het gevolg zou zijn van een beroepsfout van de tussenpersoon van [appellant], maken - wat overigens van die omstandigheden ook zij - een beroep op artikel 251 WvK door De Amersfoortse niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Andere (bijzondere) omstandigheden die deze conclusie zouden rechtvaardigen, zijn gesteld noch gebleken. Daar komt bij dat het hof het aannemelijk acht dat, indien De Amersfoortse van de verzwegen feiten kennis had gedragen, de overeenkomst met [appellant] niet, althans niet onder gelijke voorwaarden, had gesloten. Dat het moreel risico (de eventuele onbetrouwbaarheid van de verzekerde, waarvoor het strafrechtelijk verleden een aanwijzing kan zijn), een belangrijke afwegingsfactor is bij de beslissing van een verzekeraar om een verzekeringsovereenkomst te sluiten ligt zozeer voor de hand en is door De Amersfoortse zodanig gemotiveerd, dat hetgeen [appellant] daar tegenover heeft gesteld onvoldoende is om tot een andere conclusie te kunnen komen.

4.12

De grieven 13 en 14 missen zelfstandig belang en behoeven geen nadere bespreking. Dat geldt ook voor grief 15, voor zover [appellant] voor de onderbouwing van die grief verwijst naar - de hiervoor verworpen - grief 11.

4.13

Met grief 15 richt [appellant] zich ook tegen de (gedeeltelijke) toewijzing door de rechtbank van de onderzoekskosten. Deze grief faalt. De Amersfoortse kan aanspraak maken op vergoeding van de redelijke kosten die zij in redelijkheid heeft moeten maken om de verzwijging door [appellant] te kunnen vaststellen. De Amersfoortse heeft haar vordering terzake voldoende onderbouwd. Dat een deel van de werkzaamheden is verricht na 21 juli 2005 maakt, gelet op hetgeen is overwogen onder rechtsoverweging 4.3, niet dat De Amersfoortse die kosten niet op [appellant] zou kunnen verhalen. Het is ook juist op grond van nadien gebleken feiten dat De Amersfoortse zich op goede gronden op artikel 251 WvK heeft beroepen. Gelet op de aard en omvang van het onderzoek en het internationale karakter daarvan, acht het hof de hoogte van de gemaakte kosten zoals die door de rechtbank zijn toegewezen redelijk. De algemene betwisting daarvan door [appellant] is onvoldoende om tot een andere conclusie te kunnen komen. Dat er in het kader van het onderzoek besprekingen hebben plaatsgevonden (met opdrachtgever, intern en met expert/advocaat) en tactisch onderzoek heeft plaatsgevonden, is redelijk. Anders dan [appellant] stelt is geen nauwkeurige urenspecificatie vereist, maar kan, indien de aard van de te vergoeden kosten daartoe aanleiding geeft, worden volstaan met een schatting van de omvang van de kosten (HR 16 oktober 1998, NJ 1999, 196). Dat in dit verband door De Amersfoortse kosten zijn opgevoerd die onder de vergoeding zoals bedoeld in artikel 237 tot en met 240 Rv vallen, is niet gebleken.

4.14

De slotsom uit het vorenstaande is dat de grieven voor zover zij zich richten tegen de beslissingen van de rechtbank in de zaak tussen [appellant] en De Amersfoortse falen. De bestreden vonnissen dienen dan ook in zoverre te worden bekrachtigd. Ten overvloede zal het hof ook nog ingaan op het door De Amersfoortse gedane beroep op verjaring.

4.15

Het hof verenigt zich met de overwegingen van de rechtbank in het tussenvonnis van 7 september 2011 onder 4.2 en 4.3 (waartegen ook geen grieven zijn gericht). Indien na de brief van 30 november 2005 de verjaring niet is gestuit, is de vordering van [appellant] op De Amersfoortse per 1 december 2008 verjaard. [appellant] heeft zich op het standpunt gesteld in de tussenliggende periode de verjaring door middel van diverse correspondentie (e-mail, fax en brief) te hebben gestuit. Hij heeft afschriften van deze correspondentie in het geding gebracht. De Amersfoortse heeft gemotiveerd betwist in de periode tussen 30 november 2005 en 30 november 2008 enige van deze door [appellant] bedoelde berichten te hebben ontvangen. De Amersfoortse heeft daarbij ook gemotiveerd betwist dat uit de door [appellant] overgelegde verzendberichten kan worden afgeleid dat De Amersfoortse deze berichten heeft ontvangen. Gelet op artikel 3:37 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) dient niet alleen vast te staan dat [appellant] een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 7:942 lid 2 BW heeft verzonden maar ook dat deze mededeling, wil die werking hebben, De Amersfoortse heeft bereikt. Gelet op de hoofdregel van artikel 150 Rv rust de bewijslast daarvan op [appellant]. Dat is niet anders bij aangetekende verzending of bij verzending per fax of e-mail. Ook in die gevallen geldt als uitgangspunt dat [appellant], nu hij zich beroept op het rechtsgevolg van een door hem aan De Amersfoortse gerichte verklaring, dient te bewijzen dat deze verklaring De Amersfoortse heeft bereikt, of dat - zo dit niet zou komen vast te staan - het niet (tijdig) bereiken het gevolg was van een voor rekening van De Amersfoortse komende omstandigheid als in art. 3:37 lid 3 BW vermeld. Met betrekking tot aangetekende brieven geldt meer in het bijzonder dat de afzender daarvan, wanneer de geadresseerde stelt dat de brief hem niet (tijdig) heeft bereikt, dient te bewijzen dat hij de brief aangetekend en naar het juiste adres heeft verzonden, en bovendien aannemelijk dient te maken dat de brief (tijdig) aan de geadresseerde is aangeboden op de wijze die daartoe ter plaatse van bestemming is voorgeschreven. [appellant] heeft terzake evenwel geen, althans geen voldoende concreet en specifiek, bewijsaanbod gedaan. Hij heeft slechts aangeboden te bewijzen dat de faxberichten zijn verzonden, niet dat de mededelingen De Amersfoortse hebben bereikt. Het hof ziet geen aanleiding de bewijslast om te keren of om [appellant] ambtshalve tot bewijslevering toe te laten. Ook voor het aannemen van een vermoeden dat (een van) de stuitingsmededeling(en) De Amersfoortse heeft (hebben) bereikt, ziet het hof onvoldoende grond (vergelijk HR 4 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5122). Nu niet is komen vast te staan dat de verjaring tijdig is gestuit, zijn de vorderingen van [appellant] jegens De Amersfoortse tot het doen van een uitkering verjaard en dienen die vorderingen ook op die grond te worden afgewezen.

4.16

Vervolgens zal het hof de grieven beoordelen die zich richten tegen de beslissingen van de rechtbank in het geschil tussen [appellant] en VVAA.

4.17

De eerste grief 16 behoeft geen bespreking. Deze is gericht tegen de gedeeltelijke afwijzing door de rechtbank van de wijziging van eis maar het staat [appellant], zoals hij heeft gedaan, gelet op de herstelfunctie van het hoger beroep in hoger beroep vrij zijn eis alsnog te wijzigen. VVAA heeft zich voor wat betreft de toelaatbaarheid van de eiswijziging gerefereerd aan het oordeel van het hof. Het hof acht de eiswijziging niet in strijd met de eisen van een goede procesorde en zal op de gewijzigde eis recht doen.

4.18

De tweede grief 16 en de grieven 17 tot en met 20 richten zich tegen het oordeel van de rechtbank dat niet is gebleken van een beroepsfout van VVAA op grond waarvan VVAA jegens [appellant] aansprakelijk zou zijn voor door hem geleden schade. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

4.19

[appellant] stelt zich op het standpunt dat VVAA haar zorgplicht jegens hem niet is nagekomen. Het verwijt van [appellant] jegens VVAA zoals in hoger beroep geformuleerd komt er in de kern op neer dat VVAA niet of op onvoldoende wijze het aanvraagformulier voor de verzekering, de vragen en de relevantie van die vragen met [appellant] heeft besproken en aan hem heeft uitgelegd en dat VVAA niet heeft voorkomen dat het formulier onjuist of onvolledig werd ingevuld. VVAA heeft betwist in haar zorgplicht te zijn tekort geschoten en heeft gemotiveerd (in eerste aanleg en in hoger beroep) gesteld dat zij regelmatig met [appellant] overleg heeft gehad, dat het formulier met [appellant] is besproken, dat zij geen reden had om eraan te twijfelen dat [appellant] de vraagstelling op het aanvraagformulier begreep en dat het voor [appellant] klip en klaar was wat het gevolg van verzwijging zou zijn. Op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv rust op [appellant] de bewijslast van de feiten en omstandigheden die tot de conclusie kunnen leiden dat VVAA een beroepsfout heeft begaan en is tekort geschoten in haar zorgplicht jegens [appellant]. De stellingen van VVAA dat zij met [appellant] regelmatig overleg heeft gehad, dat zij het aanvraagformulier met hem heeft besproken, dat [appellant] het aanvraagformulier goed heeft begrepen en dat het voor hem duidelijk was wat de gevolgen zouden zijn indien hij de vragen niet juist of niet volledig zou beantwoorden, vormen onderdeel van de betwisting door VVAA van de stelling van [appellant] dat VVAA jegens hem in haar zorgplicht is tekort geschoten. Het ligt derhalve op de weg van [appellant], als onderdeel van de op hem rustende bewijslast van zijn stelling dat VVAA jegens hem in haar zorgplicht is tekort geschoten, om aannemelijk te maken dat die betwisting ongegrond is (vergelijk onder meer HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ5356). [appellant] heeft in hoger beroep evenwel geen bewijs aangeboden, althans heeft dit niet voldoende concreet en specifiek gedaan. De akte houdende bewijsaanbod van [appellant] heeft geen betrekking op in dit verband relevante feiten of omstandigheden. Het hof ziet geen aanleiding [appellant] ambtshalve tot bewijslevering in de gelegenheid te stellen. [appellant] heeft zich ook nog (memorie van grieven onder 134) op het standpunt gesteld dat als het beroep van De Amersfoortse op verzwijging niet slaagt maar het beroep op verjaring wel, er sprake is van een beroepsfout omdat VVAA verjaring had moeten voorkomen. Aan de voorwaarde waaronder deze stelling is ingenomen (namelijk dat het beroep op verzwijging niet slaagt) is niet voldaan zodat deze stelling verder geen bespreking behoeft. Bovendien heeft [appellant] het in dit verband aan VVAA te maken verwijt onvoldoende onderbouwd.

4.20

Nu niet is komen vast te staan dat VVAA is tekort geschoten in haar zorgplicht, stranden daarop de vorderingen van [appellant] jegens VVAA. De grieven 16 tot en met 20 falen. Grief 21 deelt in dat lot. Gelet op dit oordeel behoeven de overige verweren van VVAA geen bespreking meer.

4.21

De slotsom is dat alle grieven falen. De bestreden vonnissen dienen te worden bekrachtigd. Voor het meer of anders in hoger beroep gevorderde bestaat geen grond. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt de tussen partijen gewezen vonnissen van de rechtbank Utrecht respectievelijk rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 8 december 2010, 7 september 2011, 16 november 2011, 29 augustus 2012 en 9 januari 2013;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van De Amersfoortse begroot op € 6.870,00 voor salaris van de advocaat overeenkomstig het liquidatietarief en op € 4.961,00 voor griffierecht, te vermeerderen met de nakosten ad € 131,00, te vermeerderen met € 68,00 in geval van betekening, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na de datum van dit arrest;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van VVAA begroot op € 4.580,00 voor salaris van de advocaat overeenkomstig het liquidatietarief en op € 4.961,00 voor griffierecht, te vermeerderen met de nakosten ad € 131,00, te vermeerderen met € 68,00 in geval van betekening, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na de datum van dit arrest;

verklaart dit arrest wat betreft voornoemde proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders in hoger beroep gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.M. Croes, H.L. Wattel en F.J.P. Lock en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2014.