Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:2112

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
27-02-2014
Datum publicatie
20-03-2014
Zaaknummer
200.141.149-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Machtiging gesloten plaatsing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.141.149/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, C/19/102161 / FA RK 13-3120)

beschikking van de familiekamer van 27 februari 2014

inzake

[verzoekster],

thans verblijvende [A] te [plaats],

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: [verzoekster],

advocaat: mr. J.W. Brouwer, kantoorhoudend te Assen,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming regio Noord Nederland, locatie Groningen,

kantoorhoudend te Groningen,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de raad.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

1 Bureau Jeugdzorg Drenthe,

kantoorhoudende te Assen,

hierna te noemen: de stichting,

2. [de moeder],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de moeder.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 4 december 2013, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift, ingediend op 31 januari 2014;

- het verweerschrift van de raad;

- het faxbericht van de stichting van 18 februari 2014.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op dinsdag 18 februari 2014 plaatsgevonden. [verzoekster] is verschenen, bijgestaan door haar advocaat. Namens de raad is [Y] verschenen. Als belanghebbenden zijn verschenen de moeder en namens de stichting

[X].

3 De vaststaande feiten

3.1

[verzoekster], geboren op [geboortedatum 1] te Assen, is 14 jaar. De moeder is belast met het gezag over [verzoekster]. Over de vader van [verzoekster] zijn bij de raad geen gegevens bekend. Naast [verzoekster] heeft de moeder nog drie andere kinderen, van twee verschillende biologische vaders, te weten:

- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 2];

- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 3];

- [minderjarige 3], geboren op [geboortedatum 4].

Deze drie kinderen zijn alle erkend door de heer [Z].

3.2

[verzoekster] woonde tot voor kort bij haar moeder samen met haar halfbroertje [minderjarige 2] en tot december 2012 met haar halfzusje [minderjarige 1] en halfbroertje [minderjarige 3]. [minderjarige 1] en [minderjarige 3] zijn in december 2012 bij hun vader, de heer [Z], gaan wonen.

3.3

Sinds 20 november 2013 staat [verzoekster] onder toezicht van de stichting.

3.4

Bij de bestreden beschikking is, voor zover van belang, een machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg bekrachtigd en verleend voor de periode van 20 november 2013 tot 20 februari 2014.

4 De motivering van de beslissing

4.1

Duidelijk is geworden dat [verzoekster] een belast verleden kent waarbij zij in de thuissituatie veel zorg heeft moeten dragen voor haar jongere broertjes en zusje omdat haar moeder onvoldoende beschikbaar was. Ook is zij meermalen geconfronteerd met huiselijk geweld tussen haar moeder en partners. De moeder verkeerde tot de geboorte van [verzoekster] in een lover boy circuit en is bekend met psychiatrische- en verslavingsproblematiek. Ook voor [verzoekster] was haar moeder onvoldoende beschikbaar en als gevolg daarvan lijkt [verzoekster] haar moeder als onbetrouwbaar te ervaren en is sprake van een ernstig verstoorde moeder-kind relatie. Het is de moeder niet gelukt om [verzoekster] in de thuissituatie voldoende regels, duidelijkheid en structuur te geven. Omdat [verzoekster] heeft ervaren dat haar moeder onvoldoende beschikbaar is en haar moeder niet in staat is om consequent, duidelijk en voorspelbaar te zijn, heeft [verzoekster] zelfbepalend en sturend gedrag ontwikkeld, waardoor zij geen, althans onvoldoende, gezag accepteert van haar moeder of andere volwassenen.

4.2

[minderjarige 1] en [minderjarige 3] zijn in december 2012 bij hun vader gaan wonen omdat de moeder de zorg voor vier kinderen niet aan kon. In dezelfde periode is de heftige strijd tussen de moeder en [verzoekster] zodanig opgelopen dat [verzoekster] niet langer thuis kon blijven en in B6T (Module "Binnen zes weken thuis" van het Leger des Heils) is geplaatst. Een terugplaatsing naar huis is binnen deze module niet gelukt waarna [verzoekster] is geplaatst binnen het GMV (Gezinshulpverlening met verblijf). Vanwege de houding en het gedrag van [verzoekster] is deze plaatsing niet goed verlopen en is [verzoekster] in een crisispleeggezin met geschoolde hulpverleners geplaatst. In september 2013 is, onder begeleiding van Accare, gestart met intensieve gezinsbehandeling met veel aandacht voor de relatie tussen de moeder en [verzoekster]. In verband met het gedrag van [verzoekster] is het voor Accare - al hoewel gewenst - niet mogelijk haar klinisch op te nemen. Er wordt ingezet op dagbehandeling, alsmede een plaatsing binnen de [groep 1] omdat [verzoekster] ook in het pleeggezin niet langer kon blijven. Op 23 oktober 2013 is [verzoekster] daar geplaatst maar de groepsleiding heeft onvoldoende grip op [verzoekster]. [verzoekster] onttrekt zich aan de behandeling en verlaat op 29 oktober 2013 de instelling en blijft twee dagen spoorloos. Op 4 november 2013 is zij opnieuw weggelopen. Vanuit de [groep 1] is aangegeven dat zij zeer veel zorg hebben over [verzoekster]. Zij ervaren haar vaak als zelfbepalend, boos en respectloos. Ook ervaren zij dat de spanning bij [verzoekster] snel oploopt waarbij zij zich bedreigend en fysiek agressief opstelt naar de groepsleiding. Er wordt aangegeven dat [verzoekster] zich tijdens het weglopen begeeft in een netwerk dat misbruik van haar maakt op seksueel gebied, emotioneel gebied en crimineel gebied. De groepsleiding van de [groep 1] heeft geen grip op haar en adviseert om [verzoekster] te plaatsen in een instelling voor gesloten jeugdzorg.

4.3

Gelet op de ernstige opgroei- en opvoedproblemen van [verzoekster], de situatie van de moeder van [verzoekster] en het verloop van de reeds ingezette hulpverleningstrajecten is het hof met de kinderrechter van oordeel dat een machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg dient te worden verleend. Er is sprake van zodanige ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen dat de ontwikkeling van [verzoekster] naar volwassenheid ernstig wordt belemmerd. [verzoekster] dient tegen zichzelf te worden beschermd. Opneming en het verblijf in een gesloten setting zijn noodzakelijk om te voorkomen dat [verzoekster] zich aan de zorg die zij nodig heeft zal onttrekken. Het hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat de gedragswetenschapper instemt met deze plaatsing.

4.4

De opvoedingsrelatie tussen de moeder en [verzoekster], en naar het laat aanzien ook het evenwicht tussen de draagkracht en draaglast van de moeder, zijn dermate verstoord dat met de ernstige gedragsproblemen van [verzoekster] een thuisplaatsing op dit moment, maar mogelijk ook op termijn, geen reële kans van slagen heeft. Zeker niet nu de moeder ook de zorg draagt voor [minderjarige 2] en ook hier zich het probleem voordoet dat de moeder moeilijk in staat is om duidelijke regels en grenzen naar hem toe te stellen en hulpverlening in de thuissituatie noodzakelijk is geacht. Het is positief dat de moeder inziet dat sprake is van een zeer zorgelijke situatie, onderkent dat zij daar een belangrijke rol in heeft en ook behandeling voor zichzelf heeft gezocht en aanvaart. Voor [verzoekster] is het van groot belang dat wordt onderzocht welke hulp of behandeling voor haar nodig is en hoe de meest gewenste toekomst voor haar er uitziet. Het hof vindt het een ernstige zaak dat de daarvoor noodzakelijk geachte diagnostiek nog niet heeft plaatsgevonden. Ter zitting heeft de stichting toegezegd ook bij de instelling te zullen aandringen op spoed. Echter het feit dat op dit moment nog geen diagnostiek is verricht, maakt niet dat het hof op dit moment anders oordeelt over de noodzaak van een gesloten plaatsing. Immers [verzoekster] moet in bescherming worden genomen en zij is gebaat bij de structuur en begrenzing die haar nu wordt geboden. Het hof deelt daarbij de mening van de diverse professionals dat een verblijf van [verzoekster] bij de stichting "Stop Loverboys", zoals door de moeder (eigenmachtig) ingezet en gewenst, geen goed alternatief vormt omdat de voor [verzoekster] vereiste professionele begeleiding en hulpverlening daar onvoldoende aanwezig is.

4.5

Het hof begrijpt dat [verzoekster], zoals zij zelf aangeeft, niet wil worden ''opgesloten" maar het is in haar belang dat zij nu tegen zichzelf wordt beschermd, er duidelijkheid en rust komt in haar leven, zij ondersteund wordt in haar ontwikkeling, kan werken aan haar toekomst en het verwerken van haar verleden en de problemen die zich hebben voorgedaan, en ook nog voordoen, worden voorkomen. Het spreekt daarbij voor zich dat -waar mogelijk- wordt toegewerkt naar het vergroten van de vrijheden van [verzoekster]. Om die vrijheden mogelijk te maken, is een positieve inzet van [verzoekster] een eerste vereiste. Het is zeker voor te stellen dat, zoals [verzoekster] aangeeft, het voor haar heel moeilijk is om te verblijven bij jongeren met ernstige gedragsproblemen. Echter, [verzoekster] zal zich moeten realiseren dat ook bij haar ernstige gedragsproblemen zijn vastgesteld.

4.6

Het is buitengewoon spijtig dat [verzoekster] het slachtoffer lijkt te zijn van een situatie in haar leven die zij niet zelf heeft gecreëerd. Echter feit is dat haar problematiek nu dermate ernstig is dat zij er rekening mee moet houden dat zij nog een lange weg heeft te gaan en van haar veel inzet zal worden gevergd om niet terug te vallen in de negatieve overlevingsstrategieën die zij zich (begrijpelijkerwijs) eigen heeft gemaakt.

5 De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.W. Beversluis, mr. G. Jonkman en mr. M.P. den Hollander, en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 februari 2014.