Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:207

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
14-01-2014
Datum publicatie
11-03-2014
Zaaknummer
200.134.258
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:1549, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling. Raadsonderzoek naar behoren uitgevoerd. Eisen motivering in een situatie waarin ondertoezichtstelling met het oog op omgang gerechtvaardigd is?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.134.258

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, 344183)

beschikking van de familiekamer van 14 januari 2014

inzake

[verzoekster] ,

wonende op een geheim adres te Portugal,
verzoekster in het hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. A.D. van Koningsveld te Amsterdam,

en

Raad voor de Kinderbescherming, regio Midden-Nederland, locatie Utrecht,

gevestigd te Utrecht,

verweerder in het hoger beroep,

verder te noemen: de raad.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

Stichting Bureau Jeugdzorg Utrecht,

gevestigd te Utrecht,

verder te noemen: de stichting,

en

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats],

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. M.J.P. Leenders te Nieuwegein.


1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 13 juni 2013, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het beroepschrift, ingekomen op 13 september 2013;

  • -

    het verweerschrift van de raad, ingekomen op 14 oktober 2013;

  • -

    het verweerschrift van de vader, ingekomen op 15 oktober 2013;

  • -

    een brief van de stichting van 14 oktober 2013, ingekomen op diezelfde datum.

  • -

    een journaalbericht van mr. Van Koningsveld van 13 november 2013, met bijlagen, ingekomen op 15 november 2013.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 21 november 2013 plaatsgevonden. Namens de moeder is haar advocaat verschenen. Namens de raad is N. van Oorschot verschenen. Namens de stichting zijn verschenen D. van Rossum (gezinsvoogd) en A. Sas (gedragswetenschapper). Voorts is de vader verschenen.

3 De vaststaande feiten

3.1

Uit het inmiddels door echtscheiding ontbonden huwelijk van de moeder en de vader zijn geboren:

- [kind 1] (verder: [kind 1]), op [geboortedatum] 2003, en

- [kind 2] (verder: [kind 2]), op [geboortedatum] 2006.

De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over hen.

3.2

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de kinderrechter [kind 1] en [kind 2] onder toezicht gesteld van de stichting met ingang van

13 juni 2013 tot 13 juni 2014.

4 De motivering van de beslissing

4.1

Een minderjarige kan ingevolge artikel 1:254 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) onder toezicht worden gesteld indien hij zodanig opgroeit dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen.

4.2

De moeder kan zich met de ondertoezichtstelling van [kind 1] en [kind 2] niet verenigen. Zij heeft vier grieven gericht tegen de bestreden beschikking, waarmee zij de zaak in volle omvang aan het hof wenst voor te leggen.

Zij stelt – samengevat – het volgende. De rechtbank heeft het raadsrapport ten onrechte als uitgangspunt genomen bij de beslissing tot ondertoezichtstelling van [kind 1] en [kind 2]. Volgens de moeder is het raadsonderzoek niet naar behoren uitgevoerd. Het raadsrapport is eenzijdig opgesteld en bewijsstukken van haar zijde zijn niet in het onderzoek betrokken. De raad heeft verder geweigerd door haar aangedragen informanten te horen en nagelaten de psychologen van de vader als informant te raadplegen. Hierdoor is niet voldoende duidelijk geworden wat het verleden van de vader is en hoe hij zich tegenover de moeder en de kinderen heeft gedragen. De vader heeft al gedurende 15 jaar psychologische begeleiding en bij hem is sprake van agressieproblematiek. Volgens haar zijn de kinderen angstig voor de vader. De raad neemt deze angst, aldus de moeder, onvoldoende serieus. De moeder voelt zich – samenvattend – door de raad niet voldoende gehoord en acht de uitkomst van het onderzoek mede daarom niet juist.

De moeder voert verder aan dat de uitgesproken ondertoezichtstelling uitsluitend ziet op het tot stand brengen van contact tussen de vader en de kinderen. In een situatie waarin een ondertoezichtstelling met het oog op omgang gerechtvaardigd is, moeten volgens de moeder hoge eisen worden gesteld aan de motivering van de toewijzing (HR 13 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1009). De motivering van de bestreden beschikking voldoet volgens haar niet aan die eisen.

Daarnaast voert de moeder nog aan dat de mogelijkheid van hulp in een vrijwillig kader niet voldoende is onderzocht.

4.3

De raad stelt zich op het standpunt dat de raad bij het doen van het onderzoek en het opstellen van het rapport het Kwaliteitskader van de Raad voor de Kinderbescherming en het daarbij behorende Protocol Gezag en omgang na scheiding heeft gehanteerd. De raad stelt kennis te hebben genomen van de door de moeder aangeleverde informatie en deze, voor zover relevant bij de beantwoording van de onderzoeksvragen, in de overwegingen te hebben betrokken. Voor zover het de door de moeder op 26 februari 2013 toegezonden stukken betreft, heeft de raad na intern overleg met zijn juridisch deskundige besloten dat deze stukken voor kennisgeving worden aangenomen, maar niet verder zullen worden gebruikt voor het raadsonderzoek. Dit, omdat de raad reeds bekend was met de inhoud van deze stukken. De stukken zijn wel gevoegd in het raadsdossier. Hoewel bij het raadsrapport niet altijd gebruik is gemaakt van dezelfde informatie die door de ouders relevant werd geacht, is het onderzoek, aldus nog steeds de raad, naar behoren uitgevoerd en zijn ook de bevindingen in het rapport juist.

De raad acht een ondertoezichtstelling van de kinderen noodzakelijk. De raad stelt dat de ondertoezichtstelling niet uitsluitend ziet op de omgang. De ouders zijn verwikkeld in een hevige echtscheidingsstrijd, waarin iedere communicatie en samenwerking tussen de ouders ontbreekt. Met het plotselinge vertrek van de moeder met de kinderen naar het buitenland is de ontwikkelingsbedreiging van de kinderen niet alleen in nog belangrijker mate aanwezig, maar heeft de moeder de kinderen bovendien onttrokken aan het gezag van de vader, die immers samen met de moeder het gezag over de kinderen uitoefent.

4.4

De vader kan zich vinden in de uitgesproken ondertoezichtstelling.

4.5

Het hof overweegt ten aanzien van de klacht van de moeder over het gebrek aan zorgvuldigheid waarmee het raadsonderzoek is verricht, als volgt.

Het hof stelt voorop dat de raad zijn onderzoek uitvoert in overeenstemming met de regels zoals vastgelegd in het Kwaliteitskader van de Raad voor de Kinderbescherming van januari 2013 (hierna: het Kwaliteitskader) en het daarbij behorende Protocol Gezag en omgang na scheiding van 30 januari 2013 (hierna: het Protocol). Voorts is van belang dat het onderzoek van de raad niet zozeer is gericht op waarheidsvinding, in de zin dat de raad onderzoekt welke van de door de ouders aangedragen feiten al dan niet juist zijn, maar in een geval als het onderhavige onderzoek instelt naar de vraag of in het te onderzoeken geval is voldaan aan de gronden voor de ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 1:254 lid 1 BW. Ingevolge onderdeel 3.2.7 van het Kwaliteitskader wordt in een multidisciplinair overleg besloten of de raad in het kader van zijn onderzoek informatie inwint bij derden, en zo ja, bij welke derden, in beginsel bij professionals. Verder bepaalt onderdeel 3.2.7 dat de ouder de raad kan verzoeken bepaalde informanten te horen, zoals de moeder in het onderhavige geval tijdens een telefoongesprek met de raad op 27 februari 2013 heeft gedaan. Ten slotte vermeldt onderdeel 3.2.7 dat, indien de raad besluit een dergelijk verzoek van de ouders niet te honoreren, dit besluit gemotiveerd in het rapport wordt vermeld.

Het raadsrapport van 10 mei 2013 (hierna: het raadsrapport) vermeldt in dit verband (pagina 5) dat de raad op 26 februari 2013 verschillende stukken van de moeder via de post heeft ontvangen, waaronder contactgegevens van informanten alsmede diverse stukken in het kader van de rechtsgang, dat de raad na overleg met de juridisch deskundige heeft besloten dat deze aanvullende stukken ter kennisgeving zullen worden aangenomen maar niet verder zullen worden gebruikt bij het raadsonderzoek, omdat de raad reeds bekend is met de inhoud van die stukken die overeenkomen met het verweerschrift van de moeder, en dat die stukken in het raadsdossier zullen worden gevoegd. Verder vermeldt het raadsrapport dat de moeder bij brief van haar advocaat van 8 april 2013, onder andere, heeft verzocht haar te berichten of de door haar aangedragen informanten (alsnog) zullen worden gehoord. De raad heeft daarop aan de advocaat van de moeder geantwoord bij brief van 11 april 2013. In die brief schrijft de raad dat aan het begin van het onderzoek, op 27 februari 2013, aan de moeder is uitgelegd dat de raad (standaard) informanten bij het onderzoek betrekt, dat de door de moeder aangedragen informanten niet per definitie in het onderzoek zullen worden betrokken, dat de raad in dit geval ervoor heeft gekozen de leerkrachten van de kinderen van zowel de nieuwe als de oude school te benaderen, dat die informatie voldoende is gebleken om de onderzoeksvragen te kunnen beantwoorden en dat daarnaast nog andere informanten zijn benaderd waarvoor de raad naar het onderzoeksrapport verwijst.

Het hof is op grond van al het voorgaande van oordeel dat de raad bij de keuze van de door hem geraadpleegde informanten in overeenstemming met het Protocol heeft gehandeld. Dit betekent dat het hof voorbij zal gaan aan de stelling van de moeder, dat het raadsonderzoek en de daarop gebaseerde rapportage onvoldoende zorgvuldig en evenwichtig tot stand zijn gekomen. Het hof zal dan ook acht slaan op de in het raadsrapport opgenomen bevindingen en conclusies.

4.6

Op grond van de stukken, waaronder in het bijzonder het raadsrapport, en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen is het hof voorts van oordeel dat voldoende is gebleken van gronden die een ondertoezichtstelling van [kind 1] en [kind 2] rechtvaardigen. Uit het raadsrapport blijkt van de volgende zorgen over de opvoedingssituatie van [kind 1] en [kind 2]. Allereerst is van belang dat de ouders zijn verwikkeld in een verstarde echtscheidingsstrijd, die zich kenmerkt door een gebrek aan samenwerking van en communicatie tussen de ouders, waarbij de ouders weinig inzicht tonen in het effect van hun handelen op de kinderen en de andere ouder.

Voor [kind 1] geldt het volgende. [kind 1] heeft, los van de vraag of hij daadwerkelijk door de vader is geslagen, angst voor de vader en voor agressiviteit van de vader. Zijn angst is reëel en belemmert hem in zijn emotionele ontwikkeling. Ook bevindt [kind 1] zich in een loyaliteitsconflict, dat eveneens aan zijn emotionele ontwikkeling, en met name ook aan zijn identiteitsontwikkeling, in de weg staat. [kind 1] kan te weinig bij zijn eigen gevoel blijven en is te veel bezig met de zorg voor anderen. Onduidelijk is in hoeverre [kind 1] zichzelf kan zijn en zijn eigen keuzes kan maken.

Ten aanzien van [kind 2] vormt de invloed van de ingrijpende gebeurtenissen eveneens een zorg voor zijn ontwikkeling, evenals zijn loyaliteitsconflict. [kind 2] heeft in korte tijd een negatief vaderbeeld ontwikkeld en spreekt over de nieuwe partner van de moeder als een nieuwe papa. Hij stelt zich zelfbepalend op en heeft de neiging tot internaliseren; dit belemmert zijn sociaal emotionele ontwikkeling. [kind 2] vindt moeizaam aansluiting bij leeftijdsgenootjes en uit zich niet.

Ten slotte bestaan er grote zorgen over de invloed van ingrijpende gebeurtenissen op de kinderen. Sinds 4 juni 2012 hebben de kinderen geen enkel contact met de vader. Het verbreken van ieder contact met de vader wordt vooralsnog niet in hun belang geacht en vormt een serieuze bedreiging voor hun ontwikkeling. Verder zijn de moeder en de kinderen sinds het uiteengaan van de ouders vrijwel voortdurend op de vlucht geweest, waarbij de moeder hen onder andere personalia in hun nieuwe omgevingen bekend heeft gemaakt. In augustus 2013 is de moeder met de kinderen – zonder aankondiging of de mogelijkheid tot afscheid nemen van de vader en de vriendjes en vriendinnetjes in hun toenmalige woonomgeving en zonder toestemming van de vader, die mede het gezag over de kinderen uitoefent, en van de stichting – naar Portugal vertrokken om daar te gaan wonen bij haar nieuwe partner. Het recente abrupte vertrek naar het buitenland, waar de kinderen thans op een geheim adres verblijven, versterkt naar het oordeel van het hof de reeds bestaande ontwikkelingsbedreiging doordat de kinderen sedertdien volledig zijn afgesneden van ieder contact met de vader en de familie van vaderszijde. Bovendien baart het grote zorgen dat de kinderen in korte tijd diverse schoolwisselingen hebben meegemaakt, laatstelijk van de (tweede) Nederlandse school in ongeveer één jaar naar een internationale school in Portugal. Daarnaast is het zorgelijk dat het de stichting niet – of slechts met grote moeite – is gelukt contact te krijgen met de moeder en via haar informatie te verkrijgen over de huidige situatie van de kinderen. De moeder stelt nog wel dat het in Portugal goed gaat met de kinderen, maar dit doet niet eraan af dat de situatie van de kinderen thans geheel aan het zicht van de raad en de stichting is onttrokken. De moeder geeft voorts geen volledige openheid over de huidige situatie van de kinderen, hoewel het wel op de weg van de moeder had gelegen de stichting – ook zonder verzoek van de stichting daartoe – volledig en regelmatig te informeren.

De thans bestaande opvoedingssituatie biedt, gelet op al het voorgaande, onvoldoende basisveiligheid voor de kinderen.

Uit het voorgaande volgt niet alleen dat is voldaan aan de gronden voor het opleggen van een ondertoezichtstelling met betrekking tot de kinderen als bedoeld in artikel 1:254 lid 1 BW, maar ook dat de ondertoezichtstelling – anders dan de moeder stelt – niet uitsluitend ziet op het tot stand brengen van contact tussen de vader en de kinderen.

4.7

Gelet op de voorgeschiedenis van partijen is het hof van oordeel dat de ernstige bedreiging van de zedelijke of geestelijke belangen van de kinderen of hun gezondheid niet op een andere manier kan worden weggenomen. Alleen al gelet op het gebrek aan samenwerking en communicatie tussen de ouders, is vrijwillige hulpverlening bij de huidige stand van zaken een gepasseerd station.

4.8

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen falen de grieven en zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.

5 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 13 juni 2013.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.J. Laurentius-Kooter, A. Smeeïng-van Hees en M.L. van der Bel en is op 14 januari 2014 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.