Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:2029

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
11-03-2014
Datum publicatie
14-03-2014
Zaaknummer
BK 12/00275 t/m 12/00281
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLEE:2012:2595, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:3135
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is of de Inspecteur terecht en voor het juiste bedrag de bestreden navorderingsaanslagen en aanslagen heeft opgelegd. De discussie spitst zich toe op de vraag of de Inspecteur terecht correcties heeft aangebracht inzake de voor het pand gemaakte kosten, de ziektekosten van de kinderen, de waarde van het pand, en het bedrag dat door belanghebbende als negatief ondernemingsvermogen tot de grondslag voor zijn inkomsten uit sparen en beleggen is gerekend, welke vraag belanghebbende ontkennend en de Inspecteur bevestigend beantwoordt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2014/544
FutD 2014-0666
NTFR 2014/1406 met annotatie van Mr. drs. B.J.E. Lodder
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Leeuwarden

nummers 12/00275 tot en met 12/00281

uitspraakdatum: 11 maart 2014

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

mr. [X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 19 juli 2012, nummers AWB 11/1374 en 11/1375, 11/2403 t/m 11/2406 en 11/3229, in het geding tussen belanghebbende en

de Inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor Groningen (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.1

Aan belanghebbende is over het jaar 2005 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 44.065 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 16.904. Aan heffingsrente is daarbij een bedrag berekend van € 4.563. Bij beschikking is een boete opgelegd van € 5.419.

1.1.2

Aan belanghebbende is over het jaar 2005 een navorderingsaanslag in de Ziekenfondswet (ZfW) opgelegd, berekend naar het maximum inkomen voor de ziekenfondswet van € 21.050, vermeerderd met een bedrag aan heffingsrente van € 358. Het op de aanslag vermelde inkomen voor de ZfW bedraagt € 59.614.

1.1.3

De Inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2006 een aanslag in de IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 35.489 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 17.614, alsmede bij beschikking een bedrag aan heffingsrente van € 2.333.

1.1.4

Voor het jaar 2006 heeft de Inspecteur belanghebbende een aanslag in de zorgverze-keringswet (ZvW) opgelegd, berekend naar het maximum bijdrage-inkomen van € 30.015.

Het op de aanslag vermelde bijdrage-inkomen ZvW (winst uit onderneming) bedraagt € 51.983.

1.1.5

De Inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2007 een aanslag in de IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 19.877 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 21.529, alsmede bij beschikking een bedrag aan heffingsrente van € 1.478.

1.1.6

De Inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2007 een aanslag in de ZvW opgelegd, berekend naar het maximum bijdrage-inkomen van € 30.623. Het op de aanslag vermelde bijdrage-inkomen ZvW (winst uit onderneming) bedraagt € 56.620.

1.1.7

De Inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2008 een aanslag in de inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 29.560 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 18.437, alsmede bij beschikking een bedrag aan heffingsrente van € 1.039.

1.2

Op het tegen voormelde aanslagen door belanghebbende ingediende bezwaar heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar:

- de navorderingsaanslag in de IB/PVV over het jaar 2005 verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 42.886 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 15.912, vermeerderd met een bedrag van € 4.396 aan heffingsrente, en de vergrijpboete verminderd tot een bedrag van € 5.221;

- de navorderingsaanslag in de ZfW over het jaar 2005 gehandhaafd;

- de aanslag in de IB/PVV voor het jaar 2006 gehandhaafd;

- de aanslag in de ZvW voor het jaar 2006 gehandhaafd;

- de aanslag in de IB/PVV voor het jaar 2007 verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 17.949 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 21.052, vermeerderd met een bedrag aan heffingsrente van € 1.345;

- de aanslag in de ZvW voor het jaar 2007 gehandhaafd;

- de aanslag in de IB/PVV voor het jaar 2008 verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 28.092 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 17.977, vermeerderd met een bedrag aan heffingsrente van € 967.

1.3

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Leeuwarden (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft bij uitspraak van 19 juli 2012 betreffende de volgende aanslagen het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslagen als volgt verminderd:

- de navorderingsaanslag in de IB/PVV over het jaar 2005 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 41.565 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 15.912, onder vermindering van de boete tot een bedrag van € 5.082;

- de aanslag in de IB/PVV voor het jaar 2006 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 35.489 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 16.107;

- de aanslag in de IB/PVV voor het jaar 2007 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 17.341 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 21.052;

- de aanslag in de IB/PVV voor het jaar 2008 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 27.384 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 17.977.

Ten aanzien van de vernietigde uitspraken heeft de Rechtbank verstaan dat de Inspecteur de in rekening gebrachte heffingsrente dienovereenkomstig vermindert.

De Rechtbank heeft het beroep van belanghebbende tegen de uitspraken van de Inspecteur betreffende de overige voormelde aanslagen ongegrond verklaard.

Voorts heeft de Rechtbank de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 246 en gelast dat de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 164 vergoedt.

1.4

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5

Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.6

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 januari 2014 te Leeuwarden. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende, bijgestaan door zijn echtgenote, [A], ten behoeve van wie tevens mevrouw [B] als schrijftolk aanwezig was, alsmede mr. [C] namens de Inspecteur, bijgestaan door [D] en [E]. Bij die gelegenheid zijn tevens de bij het Hof aanhangige zaken van belanghebbendes echtgenote (zaaksnummers 12/00282 en 12/00283) behandeld.

1.7

Partijen hebben ieder een pleitnota overgelegd.

1.8

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende is geboren op 12 augustus 1945 en gehuwd met mevrouw [A].

2.2

Belanghebbende en zijn echtgenote hebben drie kinderen: [F], geboren op 10 oktober 1980, [G], geboren op 28 april 1982 en [H], geboren op 24 juli 1984.

2.3

Belanghebbende drijft voor zijn rekening en risico een advocatenpraktijk. Belanghebbendes echtgenote werkt een aantal uren mee in deze praktijk.

2.4

Belanghebbende heeft op 19 maart 2007 zijn aangifte in de IB/PVV voor het jaar 2005 ingediend. Het aangegeven belastbare inkomen uit werk en woning, bedraagt na aftrek van de persoonsgebonden aftrek nihil. Er resteert dan nog een bedrag van € 2.507 aan niet verrekende persoonsgebonden aftrek. Het aangegeven belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang en sparen en beleggen bedraagt eveneens nihil.

2.5

De Inspecteur heeft aan belanghebbende op 28 december 2007 een definitieve aanslag in de IB/PVV opgelegd voor het jaar 2005, overeenkomstig belanghebbendes aangifte.

2.6

De Inspecteur heeft bij belanghebbende op 28 juli 2010 een boekenonderzoek ingesteld, waarvan hij de uitkomsten in een rapport van 25 november 2010 (hierna: het controlerapport) heeft vastgelegd. In februari 2011 heeft de Inspecteur naar aanleiding van de reacties van belanghebbende het controlerapport aangepast. Onderzocht zijn de aanvaardbaarheid van de aangiften in de IB/PVV voor de jaren 2005 tot en met 2008 van belanghebbende en zijn echtgenote en de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2005 tot en met 31 december 2008.

2.7

Blijkens het controlerapport heeft de Inspecteur belanghebbendes aangifte in de IB/PVV 2005 op de volgende punten gecorrigeerd:

Aangegeven belastbaar inkomen box 1

€ (2.507)

afschrijving verbouwingskosten

€ 1.277

arbeidsbeloning echtgenote

€ 5.000

onderhoud gebouwen

€ 6.468

privé-gebruik auto

€ 4.142

investeringsaftrek

€ 7.920

energie-investeringsaftrek

€ 13.938

zelfstandigenaftrek

€ 2.357

meewerkaftrek

€ 433

meer winst

€ 41.535

kosten EW van echtgenote naar belanghebbende

€ (9.576)

geen kosten levensonderhoud kinderen

€ 4.950

minder ziektekosten

€ 9.663

Gecorrigeerd belastbaar inkomen box 1

€ 44.065

Aangegeven belastbaar inkomen box 3

  € 0

gecorrigeerde rendementsgrondslag

€ 461.650

heffingvrij vermogen (2x)

€ 39.044

grondslag

€ 422.606

4%

meer inkomen

€ 16.904

Gecorrigeerd belastbaar inkomen box 3

€ 16.904

De Inspecteur heeft op 27 mei 2011 dienovereenkomstig de navorderingsaanslag in de IB/PVV over 2005, alsmede de vergrijpboete opgelegd.

2.8

Naar aanleiding van de uitkomsten van de controle heeft de Inspecteur belanghebbende met dagtekening 27 mei 2011 eveneens een navorderingsaanslag in de ZfW over 2005 opgelegd naar het maximum premie-inkomen van € 21.050.

2.9

Belanghebbende heeft in zijn brief van 14 juni 2011 bezwaar gemaakt tegen de onder 2 .7 vermelde navorderingsaanslag en in zijn brief van 28 april 2011 tegen de onder 2.8 vermelde navorderingsaanslag.

2.10

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het belastbaar inkomen uit werk en woning voor het jaar 2005 verminderd met € 1.179 door alsnog een bedrag van € 916 aan meewerkaftrek en een bedrag van € 263 aan buitengewone uitgaven/ziektekosten toe te staan. De Inspecteur heeft het belastbare inkomen uit sparen en beleggen verminderd tot een bedrag van € 15.912 en de vergrijpboete tot een bedrag van € 5.221.

2.11

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de aanslag in de ZfW gehandhaafd, omdat de onder 2.10 vermelde aftrekposten niet leiden tot een vermindering van het vastgestelde (maximum) premie-inkomen.

2.12

In zijn aangifte in de IB/PVV voor het jaar 2006 heeft belanghebbende een belastbaar inkomen uit werk en woning aangegeven van € 1.958 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang en sparen en beleggen van nihil.

2.13

Blijkens de brief van de Inspecteur aan belanghebbende van 19 november 2009 is de Inspecteur op de volgende punten afgeweken van belanghebbendes aangifte IB/PVV 2006:

Aangegeven belastbaar inkomen box 1

 € 1.958

energie- en investeringsaftrek

€ 11.652

meewerkaftrek

€ 659

privé-gebruik auto

€ 3.577

zelfstandigenaftrek

€ 1.246

meer winst

€ 17.134

minder aftrek EW

€ 2.209

geen kosten levensonderhoud kinderen

€ 3.960

minder studiekosten

€ 575

minder giften

€ 75

Gecorrigeerd belastbaar inkomen box 1

€ 25.911

Aangegeven belastbaar inkomen box 3

€ 0

correcties bezittingen waarde [a-straat]

€ 84.595

correcties schulden:

€ 369.720

rendementsgrondslag

€ 409.412

heffingvrij vermogen (2x)

€ 39.396

grondslag

€ 370.016

4%

meer inkomen

€ 14.800

Gecorrigeerd belastbaar inkomen box 3

€ 14.800

2.14

De Inspecteur heeft de aanslag in de IB/PVV voor 2006 met dagtekening 18 december 2009, in afwijking van de bij 2.13 vermelde uitwerking, opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 35.489 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 17.614. De aanslag in de ZvW is, eveneens met dagtekening 18 december 2009, opgelegd naar het maximum bijdrage-inkomen van € 30.015.

2.15

Belanghebbendes brief van 7 december 2009 is door de Inspecteur aangemerkt als bezwaarschrift tegen de bij 2.14 vermelde aanslagen.

2.16

De Inspecteur heeft bij brief van 5 maart 2012 de rechtbank, onder verwijzing naar bijgevoegde stukken, onder meer als volgt geïnformeerd:

"1. De door de belanghebbende ingediende (papieren) aangifte 2006, bij de Belastingdienst binnengekomen op 29 mei 2008 . Bij vraag 37 is de aftrekpost "buitengewone uitgaven' berekend. Bij vraag 37h is een (aftrekbaar) bedrag van 9.334 euro vermeld, welk bedrag later door de belanghebbende weer is doorgehaald. Daarboven heeft hij een '0' (nul) vermeld. Dit getal staat echter buiten de sectie van het biljet welke door de computer wordt ingelezen. De '0' is dus niet ingelezen, het bedrag van 9.334 euro echter wel. Conclusie is dat de belanghebbende in zijn aangifte IB 2006 geen 'buitengewone uitgaven' in aftrek wenst te brengen.

2. De brief van de belanghebbende en zijn echtgenote van 28 mei 2008. Deze brief is een aanvulling op de door de echtgenote ingediende aangifte IB 2006. In deze brief stelt de echtgenote van de belanghebbende dat zij het volledige bedrag aan 'buitengewone uitgaven' ad 9.334 euro aan haar wil toerekenen.

3. Een computerprint van de aangifte IB 2006 van de belanghebbende. Bij vraag 37 blijkt een aftrekbaar bedrag aan 'buitengewone uitgaven van 9.334 euro. De met de hand aangebrachte correctie in de papieren aangifte van de belanghebbende (zie1.) is, zoals hiervoor al is opgemerkt, bij het inlezen in het computersysteem niet overgenomen.

4. Een computerprint, waarin naast elkaar zijn afgedrukt: de door de belanghebbende aangeleverde gegevens (kolom 'aangegeven'), de correcties die daarop zijn aangebracht ('correcties voorvastgesteld'), en tot welke inkomensbestanddelen dit heeft geleid (kolom 'voorvastgesteld'), en de uiteindelijk vastgestelde inkomensbestanddelen (koplom 'vastgesteld').

Op bladzijde 3, vraag 37, blijkt dat de rubriek 'aftrekbare buitengewone uitgaven aangever' is gevuld met een '0', overeenkomstig de bedoeling van de belanghebbende. Dit spoort met de brief van 28 mei 2008 (zie hiervoor punt 2.).

Het verzamelinkomen dat als basis voor het aanbrengen van de correcties bij aanslagregeling moet worden gehanteerd, is dus 11.292 euro (rubriek 60, regel 'verzamelinkomen').

Controleberekening: 1.958 (uw berekening) + 9.334 (geen aftrek 'buitengewone uitgaven') = 11.292 euro.

De overige verschillen met uw overzicht berusten vermoedelijk op reken- en/of afrondingsfouten.

Met betrekking tot de verschillen in de berekening van het belastbaar inkomen in box 3 kan ik het volgende opmerken.

Uw berekening van het gecorrigeerd inkomen in box 3 van 14.800 euro is op zich juist. De definitieve aanslag is echter naar een hoger bedrag opgelegd. De verschillen zitten in rubriek 31, regels 'overige bezittingen bw' en ‘overige bezittingen ew’ (vraag 31h in de papieren aangifte). Bij het inlezen van de papieren aangifte in het computersysteem zijn de negatieve bedragen omgezet in positieve bedragen. Reden hiervoor is vermoedelijk geweest het feit dat in de rubriek ‘bezittingen’ geen negatieve bedragen kunnen voorkomen. Negatieve bedragen (bv. negatieve saldi) hoeren in de rubriek ‘schulden' thuis.

Het verschil met de oorspronkelijke aangifte blijkt duidelijk uit bijlage 4.

De ‘voorcorrectie’ op het belastbaar inkomen uit box 3 bedraagt (82.432 + 48.236) : 2 = 65.334 x 4% = 2.613 euro (afgerond 2.614 euro ).

Uw rechtbank constateert een verschil met de definitieve aanslag van 2.814 euro.

Het verschil van 200 euro wordt veroorzaakt doordat In rubriek 32 (schulden) op het beginvermogen een correctie is aangebracht van 369.720 euro (zie de brief van mw. [I] van 19 november 2009), maar op het eindvermogen een correctie van 379.720 euro. De gemiddelde schuld is hierdoor 5.000 euro lager dan door mw. [I] in haar brief is berekend, en dit levert als belastbaar inkomen in box 3 een verschil van 5.000 x 4% = 200 euro op.

Rekening houdend met het bovenstaande, had naar mijn mening het belastbaar inkomen box 3 bij aanslagregeling als volgt moeten worden vastgesteld:

gemiddelde bezittingen volgens aangifte

511.357

correctie negatief ondernemingsvermogen

(41.216 + 24.118) : 2 =

+ 32.667

correctie pand [a-straat] 19

+84.595

gecorrigeerde gemiddelde bezittingen

628.619

gemiddelde schulden volgens aangifte

-556.260

correctie schulden

+369.720

gemiddelde bezittingen --/ gemiddelde schulden

442.079

heffingvrij vermogen

-39.396

saldo

402.683

voordeel uit sparen en beleggen

16.107 ".

2.17

Belanghebbende heeft in zijn brief van 2 april 2012 gereageerd op de bij 2.16 vermelde brief van de Inspecteur. Blijkens de cijfermatige opstelling in belanghebbendes brief dient het inkomen in box 3 voor het jaar 2006 te worden vastgesteld op € 16.558.

2.18

Blijkens het controlerapport is de Inspecteur voornemens de volgende correcties voor de IB/PVV ten aanzien van het jaar 2006 door te voeren:

Vastgesteld belastbaar inkomen box 1

€ 35.489

afschrijving vastgoed

€ 4.230

arbeidsbeloning echtgenote

€ 5.000

huisvestingskosten

€ 6.285

GWE

€ 1.075

Belasting en zakelijke lasten

€ 1.078

meer winst

€ 17.668

kosten EW

€ (2.209)

kosten EW van echtgenote naar belanghebbende

€ (6.980)

minder nog te verrekenen pga 2005

€ 2.507

alsnog giftenaftrek

€ (75)

Gecorrigeerd belastbaar inkomen box 1

€ 46.400

Vastgesteld belastbaar inkomen box 3

€ 0

rendementsgrondslag

€ 588.580

heffingvrij vermogen (2x)

€ 39.396

grondslag

€ 549.184

4%

meer inkomen

€ 21.967

Gecorrigeerd belastbaar inkomen box 3

€ 21.967

2.19

De Inspecteur heeft in de uitspraak op bezwaar inzake de aanslag IB/PVV 2006 en ZvW 2006 onder meer geschreven:

" Beslissing op uw bezwaar

Ik handhaaf de aanslag inkomstenbelastingpremie volksverzekeringen 2006, aanslagnummer [0000.00.000].H.66. Daarnaast zal ik een navorderingsaanslag inkomstenbelasting-premie volksverzekeringen over het jaar 2006 opleggen, waarbij ik de belastbare inkomens box 1 jaar 2006 en box 3 jaar 2006 thans als volgt heb vastgesteld, rekening houdende met de opmerkingen bij respectievelijk punt 4 en punt 6

Nader vastgesteld belastbaar inkomen box 1 jaar 2006 volgens rapport onderzoek € 46.400

Af: meewerkaftrek, 1,25% van 73.859                    € 923

                    -----------

Nieuw vastgesteld belastbaar inkomen box 1 jaar 2006               € 45.477

                    =====

Gemiddelde waarde bezittingen volgens rapport boekenonderzoek    € 631 .085

Waarde schulden 01/01 was

€ 20.802

Waarde schulden 31/12

€ 75.009

Aanvulling

€ 33.051

Aanvulling

€ 9.075

----------

----------

€ 53.853

€ 84.084

af: drempel 01/01

€ 5.400

af: drempel 31/12

€ 5.400

----------

----------

€ 48.453

€ 78.684

Gemiddelde waarde van de schulden € 48.453 + € 78.684 gedeeld door twee  € 63.569

                   -----------

        Rendementsgrondslag        € 567.516

       Heffing vrij vermogen        € 39.396

                    ------------

                   € 528.120

                    x 0,04

                   ---------------

Nieuw vastgesteld belastbaar inkomen box 3 jaar 2006         € 21.124.

                   =======

De aanslag inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet 2006 ondergaat geen wijziging.".

2.20

In zijn aangifte in de IB/PVV voor het jaar 2007 heeft belanghebbende een belastbaar inkomen uit werk en woning aangegeven van € 8.679 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang en sparen en beleggen van nihil.

2.21

Blijkens het controlerapport heeft de Inspecteur belanghebbendes aangifte in de IB/PVV 2007 op de volgende punten gecorrigeerd:

Aangegeven belastbaar inkomen box 1

€ 8.679

afschrijving verbouwingskosten

€ 5.395

arbeidsbeloning echtgenote

€ 5.000

huisvestingskosten

€ 6.172

belastingen en zakelijke lasten

€ 719

verzekeringskosten

€ 288

zelfstandigenaftrek

€ 2.537

meewerkaftrek

€ 622

meer MKB-winstvrijstelling

€ (2.074)

meer winst

€ 18.659

kosten EW van echtgenote naar belanghebbende

€ (14.000)

minder ziektekosten

€ 6.539

Gecorrigeerd belastbaar inkomen box 1

€ 19.877

Aangegeven belastbaar inkomen box 3

€ 0

rendementsgrondslag

€ 578.271

heffingvrij vermogen (2x)

€ 40.028

grondslag

€ 538.243

4%

meer inkomen

€ 21.530

Gecorrigeerd belastbaar inkomen box 3

€ 21.530

De Inspecteur heeft op 4 maart 2011 dienovereenkomstig de onder het procesverloop opgenomen aanslag in de IB/PVV voor 2007 opgelegd. Eveneens heeft de Inspecteur op 4 maart 2011 de aanslag ZvW 2007 opgelegd naar het maximum bijdrage-inkomen van € 30.623.

2.22

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het belastbare inkomen uit werk en woning voor het jaar 2007 verminderd met € 1.928 door alsnog een bedrag van € 836 aan meewerkaftrek toe te staan, een bedrag van € 84 minder MKB-vrijstelling in aanmerking te nemen en een bedrag van € 1.176 aan buitengewone uitgaven/ziektekosten in mindering toe te staan. De Inspecteur heeft het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen verminderd tot een bedrag van € 21.052.

2.23

In zijn aangifte in de IB/PVV voor het jaar 2008 heeft belanghebbende een belastbaar inkomen uit werk en woning aangegeven van € 23.829 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang en sparen en beleggen van nihil.

2.24

Blijkens het controlerapport heeft de Inspecteur belanghebbendes aangifte op de volgende punten gecorrigeerd:

Aangegeven belastbaar inkomen box 1

€ 23.829

afschrijving verbouwingskosten

€ 5.395

afschrijving auto

€ 1.805

afschrijving auto

€ 1.790

arbeidsbeloning echtgenote

€ 5.000

huisvestingskosten

€ 6.232

GWE

€ 988

belastingen en zakelijke lasten

€ 612

verzekeringskosten

€ 294

geen desinvesteringsbijtelling

€ (5.227)

zelfstandigenaftrek

€ 2.556

meer MKB-winstvrijstelling

€ (5.583)

meer winst

€ 13.862

kosten EW van echtgenote naar belanghebbende

€ (8.856)

minder ziektekosten

€ 725

Gecorrigeerd belastbaar inkomen box 1

€ 29.560

Aangegeven belastbaar inkomen box 3

€ 0

rendementsgrondslag

€ 501.574

heffingvrij vermogen (2x)

€ 40.630

grondslag

€ 460.944

4%

meer inkomen

€ 18.438

Gecorrigeerd belastbaar inkomen box 3

€ 18.438

De Inspecteur heeft op 27 mei 2011 dienovereenkomstig de onder het procesverloop opgenomen aanslag in de IB/PVV voor 2008 opgelegd.

2.25

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het belastbare inkomen uit werk en woning voor het jaar 2008 verminderd met € 1.468 door alsnog een bedrag van € 751 aan meewerkaftrek toe te staan, een bedrag van € 75 minder MKB-vrijstelling in aanmerking te nemen en een bedrag van € 792 aan buitengewone uitgaven/ziektekosten in mindering toe te staan. De Inspecteur heeft het belastbare inkomen uit sparen en beleggen verminderd tot een bedrag van € 17.977.

2.26

Belanghebbende heeft een pand gekocht aan de [a-straat] 19 te [L], welk pand hem op 12 april 2005 is geleverd. Op de benedenverdieping van dit pand is belanghebbendes advocatenpraktijk gehuisvest. Op de bovenverdieping hebben één of meer kinderen van belanghebbende en hun partner gewoond. De woonfunctie bedraagt twee/derde-gedeelte van het pand. Belanghebbende heeft het pand gekocht voor €  257.500. De waarde van het pand aan de [a-straat] 19 te [L] is in het kader van de Wet waardering onroerende zaken per waardepeildatum per waardepeildatum 1 januari 2003 vastgesteld op € 172.810, per waardepeildatum 1 januari 2005 op € 253.000 en per waardepeildatum 1 januari 2007 op € 311.000.

2.27

Belanghebbende heeft het pand aan de [a-straat] 19 te [L] met de navolgende waarden in zijn aangiften in de IB/PVV voor de onderhavige jaren aangegeven, als onderdeel van de grondslag voor de rendementsheffing:

31-12-2005:  € 173.000

31-12-2006:  € 172.810

31-12-2007:  € 253.000

31-12-2008:  € 311.000.

2.28

De Inspecteur is bij het opleggen van de navorderingsaanslag in de IB/PVV voor 2005 en de aanslagen in de IB/PVV voor 2006 tot en met 2008 afgeweken van belanghebbendes aangifte ten aanzien van de waarde van het pand [a-straat] 19 te [L]. De Inspecteur schrijft daarover in het onder 1.6 vermelde rapport onder meer:

"Verder verklaarde belastingplichtige dat het pand per 04-03-2008 was getaxeerd door makelaardij [J], [b-straat] 4, [L]. Deze had aan het pand een waarde toegekend van € 290.000,-.

Op grond van art. 5.19 Wet IB 2001 dienen bezittingen en schulden te worden gewaardeerd op de waarde in het economisch verkeer. Als waarde in het economisch verkeer wordt beschouwd de waarde, "die bij aanbieding van het goed voor de verkoop op de meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meestbiedende gegadigde daarvoor zou worden betaald". T/m 2009 kan dus niet zondermeer worden uitgegaan van de WOZ-waarde (vanaf 2010 mag dit door een wetswijziging wél).

Gezien het vorenstaande, de door de gemeente Groningen bepaalde WOZ-waarden alsmede het fiscale belang zijn de waarden met behulp van door het Centraal Bureau voor de Statistiek verzamelde gegevens betreffende de verkoopprijzen van woningen in de gemeente Groningen berekend. Als basis is genomen de in 2008 door makelaardij [J] getaxeerde waarde. De berekeningen zijn dan als volgt:

Index-

cijfer

Peil-data

CBS

Waarde

31-12-2008/01-01-2009

107,6

€ 275.168,-

31-12-2007/01-01-2008

113,4

= 290.000,-

31-12-2006/01-01-2007

111,1

= 284.118,-

31-12-2005/01-01-2006

106,8

= 273.122,-".

2.29

De Inspecteur heeft in zijn verweerschriften over het pand aan de [a-straat] 19 te [L] onder meer geschreven: "De waarde in het economisch verkeer van dit pand is door een makelaar per 8 maart 2008 vastgesteld op 290.000 euro.". Bij de door belanghebbendevoor de zitting overgelegde stukken behoort een bijlage 119, bestaande uit een brief van 20 december 2011, waarin [K] (makelaar/taxateur) de hiervoor vermelde waardevaststelling als volgt toelicht: "De waardes, genoemd in de waarde verklaring, zijn vrij van huur.".

2.30

Bij de door belanghebbende voor de zitting overgelegde stukken behoren bijlagen 47A, 47B en 47C, waarin onder meer staat:

" Specificaties onderhoud kantoor 2005 (...)

[M] verhuizingen ( al in bezit belastingdienst)

2499,31

[N]: binnenschilderwerk

5940

(3 linker kamers en voorste rechterkamer)

( geen wc en niet kamer rechtsachter)

[O]: dakopbouw voor kantoorarchief

612,66

Aanpassing 1e verdieping

715,05

[P]: plaatsen laatste ramen

1247,90

11014,92

Aon brand verzekering ( inventaris en reconstructie dossiers)

192,29

[Q] montage thermostaat

226,33

[R] doen energieadvies

126,05

544,67

11559,59

Sleutels [a-straat]

11,76

Praxis

Verf

65,34

Kapstok, plankdrager, schroeven, pluggen, lijm

300,07

Stekkers

31,01

6,54

414,72

Gamma

Verf

458,25

Rolbandmaat

4,78

Keilbout, plank, plint

53,44

Snoer en kabelclip

8,29

Spaarlamp

9,55

534,31

Hornbach

Vloerbeschermer

22,34

Plafondsteun

20,63

42,97

12551.59

Karwei

Plug + haak

8,21

Klein materiaal ( bouten, cilinders schroeven, ijzerwaren)

[S]

10,65

[T]

27,37

Onderdelenhuis

49,70

95,93

[U]

Verf en anti-houtworm

47,75

[V]

Verf

105,13

Lighthouse lampen

13,03

Deurbel reparatie door [H], alleen materiaal

8,40

Stofzuigerspecialist

6,13

Kwantum

Stoelmat

32,77

Stoelen

82,35

[W] verhuisbordplaatje

10,92

306,48

12954

Ikea

Stellingkasten (deel privé gerekend)

209,25

(2 facturen)

Computerland

( kabel)

55,38

Primafoon ISDN modem ( 30-06)

74,79

[AA]: controle riolering

126,05

465,47

13419,47

Kantoorfiets:

Cycleshop geboekt

8,09

[BB]

34,17

10,18

8,70

[CC]

65,59

Bikecenter

16,76

Fietsrep

33,61

177,10

Beloning vrijwilligers bij verhuizing

De kleine heerlijkheid

218,80

Gemeente gron reiniging [a-straat]

167,70

Gemeente Groningen OZB kantoor [c-straat]

1320,87

Waterschap 2e helft

48,99

[DD] verf

46,89

[EE] Wristers

40,17

1843,42

15439,99 "

2.31

In het controlerapport heeft de Inspecteur onder het kopje 'Onderhoud gebouwen' onder meer het volgende geschreven:

"In 2005 is het pand [a-straat] 19 te [L] verbouwd. Een deel van de kosten van deze verbouwing is geactiveerd (zie 3.1.1) en het resterende deel (ruim € 15.000,-) is als 'Onderhoud kantoor' ten laste van het resultaat geboekt.

(…)

Gezien het vorenstaande en het feit dat aannemelijk is dat m.b.t. de ruimten die worden gebruikt ten behoeve van de advocatenpraktijk wel kosten zijn gemaakt die in normale huurdersverhoudingen voor rekening van de huurder komen, wordt, bij wijze van compromis, 50% van de geboekte kosten als zakelijk aangemerkt.

Naderhand heeft belastingplichtige aannemelijk gemaakt dat de factuur van [M] Verhuizingen BV betrekking had op de overbrenging van het archief van de advocatenpraktijk naar een opslagruimte bij de privé-woning te [Z]. Deze kosten kunnen als 'zakelijk' worden aangemerkt.

Correctie: Het resultaat over het jaar 2005 wordt verhoogd met € 6.468. ".

2.32

Belanghebbendes kinderen krijgen sinds 2006 jaarlijks een bedrag van hun ouders geschonken ter grootte van de volgens de Successiewet 1956 vrijgestelde bedragen voor schenkingen van ouders aan kinderen. Deze bedragen worden direct weer teruggeleend aan de ouders, zodat de dochters voor deze bedragen vorderingen wegens geldleningen hebben op hun ouders. Deze schenkingen zijn volgens de schenkingsovereenkomsten herroepbaar en pas opeisbaar na het overlijden van belanghebbende en zijn echtgenote. Tevens hebben belanghebbendes dochters sinds 2004 in totaal een bedrag van € 57.807 aan belanghebbende en zijn echtgenote geleend in verband met de aankoop van de eigen woning van belanghebbende en zijn echtgenote. De vordering van [F] op haar ouders bedraagt € 18.485, de vordering van [G] € 21.372 en de vordering van [H] € 17.949.

233  In het onder 1.6 vermelde rapport heeft de Inspecteur ten aanzien van de uitgaven voor levensonderhoud van kinderen jonger dan 30 jaar onder meer geschreven:

"Bij controle is geconstateerd dat de dochters, naast de (nog niet opeisbare) vorderingen op hun ouders , over nog andere, hierna gespecificeerde vermogensbestanddelen beschikten.

[F]

Waarde

Datum

Banksaldi

effecten

Totaal

31-12-2004

€ 6.424,-

€ 32.498,-

€ 38.922,-

31-12-2005

= 6.101,-

= 39.609,-

= 45.710,-

31-12-2006

= 9.129,-

= 43.368,-

= 52.497,-

31-12-2007

= 9.618,-

= 43.365,-

= 52.983,-

31-12-2008

= 8.091,-

= 25.434,-

= 33.525,-

Daarnaast had dochter [F] in de jaren 2006 t/m 2008 resp. € 2.527,-, € 14.248,- en € 30.098,- aan loon-inkomsten.

[G]

Waarde

Datum

Banksaldi

effecten

Totaal

31-12-2004

€ 8.050,-

€ 21.075,-

€ 29.125,-

31-12-2005

= 6.433,-

= 26.952,-

= 33.385,-

31-12-2006

= 4.377,-

= 29.034,-

= 33.411,-

31-12-2007

= 3.502,-

= 28.988,-

= 32.490,-

31-12-2008

= 31.266,-

= 0,-

= 31.266,-

Daarnaast had dochter [G] in de jaren 2006 t/m/ 2008 resp. € 2.476,-, € 1.123,- en € 8.039,- aan loon-inkomsten.

[H]

Waarde

Datum

Banksaldi

effecten

Totaal

31-12-2004

€ 4.447,-

€ 21.075,-

€ 25.522,-

31-12-2005

= 3.547,-

= 26.952,-

= 30.499,-

31-12-2006

= 3.242,-

= 29.034,-

= 32.276,-

31-12-2007

= 5.814,-

= 28.988,-

= 34.802,-

31-12-2008

= 6.072,-

= 15.355,-

= 21.427,-

Daarnaast had dochter [H] in de jaren 2006 en 2008 resp. € 2.589,- en € 661,- aan loon-inkomsten.".

2.34

De Inspecteur heeft in zijn in eerste aanleg ingediende verweerschriften voor onderhavige jaren onder meer geschreven:

"Uit de balans van de onderneming van belanghebbende blijkt dat hij per 31 december 2006 een ondernemingsvermogen heeft van negatief 24.118 euro. Ditzelfde bedrag heeft hij in de aangifte IB 2006 opgenomen als 'overige bezittingen'' in box 3 per 31 december 2006.

hertzelfde geldt voor het ondernemingsvermogen per 31 december 2005 (41.216 negatief), dat hij per1 januari 2006 als 'overige bezittingen' aanmerkt."

(…)

"Uit de balans van de onderneming van belanghebbende blijkt dat hij per 31 december 2007 een ondernemingsvermogen heeft van negatief 82.311 euro. Ditzelfde bedrag heeft hij in de aangifte IB 2007 opgenomen onder de schulden in box 3 per 31 december 2007.".

(…)

"Uit de balans van de onderneming van belanghebbende blijkt dat hij per 31 december 2008 een ondernemingsvermogen heeft van negatief 51.278 euro. Ditzelfde bedrag heeft hij in de aangifte IB 2008 opgenomen onder de schulden in box 3 per 31 december 2008.".

2.35

De Inspecteur heeft in het controlerapport over de autokosten het volgende geschreven:

"Op de personenauto wordt per jaar 20% van de aanschafwaarde excl. OB afgeschreven. Hierbij wordt ten onrechte geen rekening gehouden met een restwaarde. Bovendien werd in 2008 op de Dacia Logan + toebehoren niet naar tijdsgelang afgeschreven.

Op de Renault Scenic werd in 2008 nog een bedrag van € 1.805 als afschrijving ten laste van de winst geboekt. Gezien de verantwoorde boekwinst bij verkoop € 5.277,-) is dit niet correct.

Correctie: Het resultaat over het jaar 2008 wordt verhoogd met € 1.805

De restwaarde van de Dacia Logan, inclusief de trekhaak en de LPG-installatie, wordt gesteld op 10% van de aanschafwaarde ad € 15.334,-. De afschrijvingsbasis wordt dientengevolge €  13.801,-. De berekening van de afschrijving over de periode augustus 2008 t/m december 2008 is dan als volgt:

   (€ 13.801,- * 20% * 5/12e = )  € 1.278,-

   er is afgeschreven     = 3.068,-

   VERSCHIL      € 1.790

Correctie: Het resultaat over het jaar 2008 wordt verhoogd met € 1.790. De waarde van de balanspost 'Auto' wordt per 21-12-2008 met hetzelfde bedrag verhoogd.".

1.36

De Inspecteur heeft in het onder 1.6 vermelde controlerapport over de vergrijpboete voor de inkomstenbelasting onder meer geschreven:

"De feiten en omstandigheden op grond waarvan ik deze vergrijpboete zal opleggen betreffen: (…)

- bij controle is echter gebleken dat de in de ingediende aangiften vermelde bedragen in een aanzienlijk aantal gevallen waren gebaseerd op een onjuiste, dan wel onterechte toepassing van de diverse fiscale regelingen; als voorbeelden kunnen worden genoemd:

* onjuiste toepassing van investeringsregelingen;

* ten gevolge van vermogensetikettering ten onrechte geclaimde zakelijke kosten;

* ten onrechte toepassen van de reële arbeidsbeloning voor de echtgenote;

* onjuiste toepassing van des-investeringsbijtelling in 2008;

* het ten onrechte claimen van aftrek van kosten van levensonderhoud voor kinderen jonger dan 30 jaar door geen rekening te houden met het eigen vermogen van die kinderen;

* het claimen van te hoge aftrek voor buitengewone uitgaven/ziektekosten door geen rekening te houden met het eigen vermogen van de kinderen;

* het vermelden van aftrekposten in zowel de eigen aangifte als in de aangifte van de echtgenote;

* het meenemen van negatieve ondernemingsvermogens alsmede de schuld eigen woning in de schulden van box 3;

* enz. enz.

- belastingplichtige verzorgt zelf de aangiften; hij maakt hiervoor geen gebruik van het door de Belastingdienst ontwikkelde aangifte-programma; in zijn brief van 19 oktober 2010 schrijft belastingplichtige: "de gebruiksonvriendelijkheid van het fiscale vakidiotenprogramma …..werkt vergissingen en onvolledigheden in de hand";

- in dezelfde brief schrijft belastingplichtige: "Aangifte laten doen door een accountant helpt niet, daar deze niets weet van privé-posten….."; het is blijkbaar niet bij belastingplichtige opgekomen dat de gegevens m.b.t. privé-posten aan een accountant ter inzage gegeven kunnen worden.

Gezien het vorenstaande moet worden gesteld dat belastingplichtige onvoldoende op de hoogte is van de fiscale wet- en regelgeving. Belastingplichtige heeft hierin echter geen aanleiding gezien voor het invullen van de aangiften een 'professional' in te schakelen dan wel om advies te vragen.

Door zélf de invulling van de aangiften te doen had belastingplichtige redelijkerwijs moeten of kunnen begrijpen dat zijn gedrag tot gevolg kon hebben dat te weinig belasting zou worden geheven of betaald. Er is sprake van een in laakbaarheid aan opzet grenzende mate van verwijtbaarheid. Dit wordt gesanctioneerd met een boete van 25%.".

2.37

Belanghebbende heeft een zogeheten 'Inkomensverklaring/IB60' overgelegd met dagtekening 4 december 2007, waarop staat vermeld dat zijn belastbare inkomens uit werk en woning, aanmerkelijk belang en sparen en beleggen voor het jaar 2005 nihil bedragen. Op de verklaring staat tevens vermeld:

" Overige informatie

Over het genoemde jaar is nog geen aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekering opgelegd. De gegevens zijn overgenomen uit het aangiftebiljet. De Belastingdienst heeft deze gegevens nog niet gecontroleerd.".

2.38

Belanghebbende heeft een tweetal nota's overgelegd van [FF] accountants en belastingadviseurs met dagtekening 18 februari 2011 en 21 april 2011 en met factuurnummers [00000000] en [00000001]. J. Meerveld heeft daarover namens Lubberink in zijn brief van 16 januari 2012 het volgende verklaard:

"Hierbij verklaren wij dat de facturen met de factuurnummer [00000000] en [00000001] van respectievelijk 18 februari 2011 en 21 april 2011 betrekking hebben op werkzaamheden van ondergetekende inzake een bezwaarprocedure naar aanleiding van een boekenonderzoek 2005-2008 van de belastingdienst."

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In geschil is of de Inspecteur terecht en voor het juiste bedrag de bestreden navorderingsaanslagen en aanslagen heeft opgelegd. De discussie spitst zich toe op de vraag of de Inspecteur terecht correcties heeft aangebracht inzake de voor het pand gemaakte kosten, de ziektekosten van de kinderen, de waarde van het pand, en het bedrag dat door belanghebbende als negatief ondernemingsvermogen tot de grondslag voor zijn inkomsten uit sparen en beleggen is gerekend, welke vraag belanghebbende ontkennend en de Inspecteur bevestigend beantwoordt.

3.2

Voorts is in geschil of de Inspecteur voor het opleggen van de navorderingsaanslag over het jaar 2005 beschikte over een nieuw feit. Ook deze vraag beantwoordt belanghebbende ontkennend en de Inspecteur bevestigend. Ten aanzien van de bij die navorderingsaanslag opgelegde boete stelt belanghebbende zich op het standpunt dat deze dient te vervallen; de Inspecteur acht daartoe geen grond aanwezig.

3.3.1

Belanghebbende heeft in zijn hogerberoepschrift en in zijn pleitnota aanmerkingen opgenomen over de tekst van het proces-verbaal en de uitspraak van de Rechtbank, waarbij hij onder meer heeft gesteld dat het dossier door de Inspecteur niet volledig is overgelegd, dat sprake was van onzorgvuldigheden bij de controle, de aanslagregeling en de bezwaarfase. Volgens hem zijn daarbij bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geschonden, zijn bevoegdheden misbruikt, is hij onvoldoende gehoord en is tegenbewijs genegeerd. Ten slotte zet hij vraagtekens bij de zorgvuldigheid en de onafhankelijkheid van de Rechtbank.

3.3.2

Ter zitting heeft belanghebbende desgevraagd laten weten dat die stellingen uitsluitend bedoeld waren als kleuring van zijn stelling dat onvoldoende zorgvuldigheid in acht is genomen en dat hij niet heeft beoogd aan de gegrondheid van een of meer van die stellingen gevolgen te verbinden voor de door het Hof te nemen beslissing omtrent de hoogte van de enkelvoudige belasting, ook niet in die zin dat hij zich zou beroepen op schending van het zorgvuldigheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur. Wel zouden zij kunnen meewegen bij de bepaling van de hoogte van de boete of van de proceskosten.

3.3.3

Ten aanzien van zijn stelling dat de Inspecteur niet het gehele dossier heeft overgelegd heeft belanghebbende ter zitting verklaard dat hij daarmee niet heeft beoogd te stellen dat artikel 8:42 van de Awb is geschonden, doch dat de Inspecteur onzorgvuldig heeft gehandeld door het erop te laten aankomen dat belanghebbende de door hem relevant geachte stukken in het geding bracht.

3.3.4

Wel stelt belanghebbende zich op het standpunt dat de Belastingdienst, door op haar website de informatie te geven dat zij de kosten voor de zakelijke belangen van de onderneming volledig accepteert, bij hem het in rechte te honoreren vertrouwen heeft gewekt dat de door hem ten laste van de winst gebrachte bedragen niet tot correcties zouden leiden.3.3.5 Voorts stelt belanghebbende dat de Inspecteur door het aanbrengen van de in geschil zijnde correcties inbreuk heeft gemaakt op artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM en op artikel 17 van het Europees Handvest.

3.3.6

Ten slotte stelt belanghebbende dat hij schade heeft geleden doordat de controlerend ambtenaar weigerde tijdig met hem te overleggen, waardoor veel misverstanden ontstonden en onjuistheden optraden bij de aanslagregeling.

3.4

De Inspecteur heeft het standpunt van belanghebbende gemotiveerd weersproken.

3.5

Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.6

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, en tot vernietiging van de uitspraken van de Inspecteur en van de over 2005 opgelegde navorderingsaanslag, alsmede tot vermindering van de overige aan hem opgelegde aanslagen tot bedragen overeenkomstig de door hem ingediende aangiften.

3.7

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank met dien verstande dat belanghebbende voor het jaar 2006 tevens recht heeft op een vergoeding van de kosten van bezwaar

4 Beoordeling van het geschil

nieuw feit

4.1

Volgens belanghebbende had de Inspecteur er ten tijde van het regelen van de primitieve aanslag in de IB/PVV 2005 mee bekend kunnen zijn dat de aangifte fouten bevatte; zo stond het privépand niet op de balans, maar werd wel een bedrag wegens "verbouwings"investeringsaftrek = energieaftrek opgenomen, een te laag bedrag aan huur voor een kamer, een bedrag aan arbeidsbeloning naast meewerkaftrek, een kennelijk onjuist saldo aan schulden, een erg hoog bedrag aan arbeidsongeschiktheidsaftrek, en een overlapping met de aangifte van belanghebbendes echtgenote wat betreft het levensonderhoud van studerende kinderen. Dit alles is zodanig opvallend, aldus belanghebbende, dat de Inspecteur tot nader onderzoek gehouden was alvorens de (primitieve) aanslag op te leggen.

4.2

Artikel 16, eerste lid, van de AWR luidt voor zover hier van belang: ”Indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld (…) kan de inspecteur de te weinig geheven belasting (…) navorderen. Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is.”.

4.3

Naar is geoordeeld in HR 16 april 2010, nr. 08/05088, LJN BJ9082, BNB 2010/227, dient in gevallen als het onderhavige voorop gesteld te worden dat de inspecteur bij het vaststellen van een aanslag in de IB/PVV mag uitgaan van de juistheid van de gegevens die een belastingplichtige in en bij zijn aangifte heeft verstrekt. Tot een nader onderzoek is hij in beginsel niet gehouden. Wel is hij tot een nader onderzoek gehouden, indien hij, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoort te twijfelen.

4.4

De Inspecteur behoorde in het onderhavige geval, indien hij met een normale zorgvuldigheid kennis zou hebben genomen van de inhoud van de aangifte, in redelijkheid geen aanleiding tot twijfel te vinden aan de juistheid van de daarin opgenomen posten, indien er een niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestond dat deze juist waren. Aangezien belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt, dat de Inspecteur in redelijkheid had moeten onderkennen dat de – in de door hem ingediende aangifte – verstrekte gegevens een dergelijke mogelijkheid niet toelieten, bestond er naar het oordeel van het Hof voor de Inspecteur geen nadere onderzoekplicht.

4.5

In het onderhavige geval is een digitale aangifte gedaan, die een verzorgde indruk maakte. Weliswaar bevatte die aangifte veel fouten, maar niet dusdanig dat er geen (niet onwaarschijnlijke) mogelijkheid bestond dat deze juist waren. Terecht heeft de Inspecteur aangevoerd dat geen verband was te maken tussen het pand en de geclaimde investeringsaftrek, dat het lage huurbedrag op zich geen vragen opriep, dat de samenloop van arbeidsbeloning en meewerkaftrek zowel relatief als absoluut een gering belang oplevert, dat er geen grond was voor onderzoek naar een onjuist overzicht van de schulden, nu er volgens de aangifte een zodanig negatief bedrag aan grondslag was, dat aan heffing niet zou worden toegekomen, en dat ook het te hoge bedrag aan arbeidsongeschiktheidsaftrek als onderdeel van de buitengewone uitgaven niet tot nader onderzoek noopte.

4.6

Gelet op het voorgaande, was er voor de Inspecteur geen reden te twijfelen aan de juistheid van de ingediende aangifte. Hij heeft dus, door nader onderzoek achterwege te laten, geen ambtelijk verzuim begaan dat aan navordering in de weg zou staan.

huurderslasten

4.7

Belanghebbende heeft op de benedenverdieping van het tot zijn privévermogen behorende pand aan de [a-straat] te [L] ruimte in gebruik ten behoeve van zijn kantoor.

4.8

Artikel 3.17, eerste lid, aanhef en onderdeel c, ten eerste, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB) bepaalt dat bij het bepalen van de winst kosten en lasten in aftrek komen die verband houden met tot het privévermogen van de belastingplichtige behorende bezittingen. Het gaat daarbij, voor zover hier van belang, om een evenredig deel van de kosten die in huurverhoudingen ten laste van de huurder plegen te komen (de zogeheten gebruikelijke huurderslasten).

4.9

De Inspecteur heeft ter zitting van de Rechtbank voor het jaar 2005 een bedrag van € 10.293 geaccepteerd als te behoren tot de gebruikelijke huurderslasten. Het ligt op de weg van belanghebbende, op wie te dezen de bewijslast rust, aannemelijk te maken dat door hem in dat jaar een hoger bedrag is besteed aan zodanige uitgaven. Hij heeft daartoe offertes en facturen in het geding gebracht met betrekking tot verbouwingen, onderhoud en schilderwerk, die aan het pand zijn gepleegd. Voor een deel hebben die werkzaamheden echter betrekking op andere delen van het pand dan het kantoor op de benedenverdieping. Voor een deel van de kosten kan niet gezegd worden dat zij in een normale huurverhouding voor rekening van de huurder zouden komen.

4.10

In 2005 heeft belanghebbende € 5.940 betaald voor binnenschilderwerk op de begane grond. Voorts heeft hij een bedrag van € 2.808,50 voldaan voor het aanbrengen van een systeemplafond. Belanghebbende heeft onweersproken gesteld dat het aanbrengen van die plafonds goedkoper was dan het laten schilderen van de plafonds. Ervan uitgaande dat de bedoelde plafonds niet tevens geschilderd zijn en de kosten daarvan derhalve niet zijn begrepen in die van het binnenschilderwerk, is het Hof van oordeel dat ook de kosten van het aanbrengen van die plafonds zijn aan te merken als kosten die voor rekening van de huurder komen. Dat geldt echter niet voor de kosten van het aanbrengen van dubbele beglazing, buitenschilderwerk, en overige door belanghebbende voor de verbouwing van de benedenverdieping gemaakte kosten.

4.11

Nu de beide in aanmerking te nemen bedragen niet uitgaan boven het door de Inspecteur geaccepteerde bedrag, is belanghebbende niet geslaagd in het leveren van het van hem verlangde bewijs.

4.12

Voor het jaar 2006 heeft belanghebbende betoogd dat de Rechtbank heeft verzuimd rekening te houden met de rioollasten. Die stelling faalt, aangezien rioollasten in het algemeen niet behoren tot de lasten die gewoonlijk ten laste van de huurder komen.

ziektekosten

4.13 Buitengewone uitgaven, waaronder de door belanghebbende ten behoeve van zijn dochters gedane uitgaven wegens ziektekosten, kunnen slechts in aanmerking worden genomen, voor zover de belastingplichtige zich redelijkerwijs gedrongen heeft kunnen voelen tot het doen van die uitgaven. Daarvan zou slechts dan sprake zijn, indien belanghebbendes dochters over onvoldoende inkomsten of vermogen beschikten om die kosten zelf te dragen.

4.14

Blijkens het onder de vaststaande feiten opgenomen overzicht van de inkomens en vermogens - waaronder de vorderingen op de ouders niet zijn begrepen - van belanghebbendes dochters in de jaren 2005 tot en met 2008 kan niet worden gezegd dat zij niet in staat waren hun ziektekosten te voldoen. Dit is niet anders doordat de dochters op korte termijn betalingsverplichtingen tot enkele duizenden euro’s hadden, en doordat een van hen circa € 3.000 tijdelijk op haar bankrekening had gestald, welk bedrag was ingezameld voor de aanschaf van weefgetouwen voor Nepalese vrouwen. Bijzondere omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat van hen niet kon worden gevergd dat op hun vermogens zou worden ingeteerd door het doen van zodanige uitgaven, zijn niet aannemelijk geworden. Als zodanig kan niet gelden dat zij daardoor niet langer in staat zouden zijn tot het voeren van een redelijk bestaan overeenkomstig hun plaats in de samenleving, aangezien deze niet wordt bepaald door de positie van hun ouders, doch voor ieder van hen bestaat uit die van een jong volwassene die nog aan het begin van een loopbaan staat.

Waarde pand

4.15

Belanghebbende heeft het pand aan de [a-straat] 19 te [L] laten taxeren door makelaar [K]. Noch in bezwaar en beroep, noch in hoger beroep heeft belanghebbende feiten aangevoerd die zouden kunnen leiden tot het oordeel dat die taxatie onjuist was. Zijn stelling dat het pand na 2008 voor de WOZ lager werd gewaardeerd, is daartoe onvoldoende. Ook indien ervan moet worden uitgegaan dat de bewoning door belanghebbendes dochters geschiedde ten titel van huur, betekent dat niet dat de waarde van het pand daardoor zou verminderen. Bij gebrek aan nadere feiten en omstandigheden, die door belanghebbende niet zijn gesteld, moet het ervoor worden gehouden dat belanghebbende het pand vrij van huur zou kunnen verkopen, zonder dat zijn dochters zich op huurbescherming zouden kunnen beroepen.

negatief ondernemingsvermogen

4.16

Zoals de Rechtbank terecht heeft overwogen, stuit het opnemen van negatief ondernemingsvermogen in de rendementsgrondslag voor het belastbare inkomen uit sparen en beleggen af op het bepaalde in artikel 2.14 van de Wet IB.

vertrouwensbeginsel; verdragsinbreuk

4.17

Op de website van de Belastingdienst worden algemene inlichtingen gegeven met betrekking tot, voor zover hier van belang, de fiscale behandeling van ondernemingskosten. Nu belanghebbende heeft nagelaten aan te duiden aan welke uitlating op de site van de belastingdienst hij doelt en welk vertrouwen hij daaraan heeft ontleend, heeft hij in dit kader onvoldoende gesteld, en honoreert het Hof dit beroep reeds om die reden niet.

4.18

Voor zover belanghebbende met zijn beroep op verdragsinbreuken heeft bedoeld te stellen dat de wettelijke bepalingen inzake de vermogensrendementsheffing leiden tot een verboden aantasting van eigendom, is die stelling onjuist. Volgens vaste jurisprudentie tast artikel 1 Eerste Protocol EVRM uitdrukkelijk niet het recht van de verdragsluitende staten aan om belasting te heffen, mits daarbij de in het EVRM gegarandeerde rechten worden gerespecteerd. De vermogensrendementsheffing is vastgelegd in een wet en de belasting wordt geheven van een ieder die het in de wet bepaalde vermogen heeft. Er is dan geen sprake van een individuele en buitensporige last voor belanghebbende, noch van schending van enig in het EVRM gegarandeerd recht. De klachten van belanghebbende falen derhalve. Voor zover belanghebbende meer of anders heeft bedoeld, heeft hij die stelling onvoldoende duidelijk onderbouwd.

Boete

4.19

Blijkens de stukken van het geding verwijt de Inspecteur belanghebbende grofschuldig voor het jaar 2005 een onjuiste aangifte te hebben gedaan. In dat verband heeft hij gesteld dat belanghebbende – een niet in het fiscale recht gespecialiseerde advocaat – zich onvoldoende op de hoogte heeft gesteld van de fiscale wetgeving, en bovendien heeft nagelaten de aangifte door een fiscaal specialist te laten invullen. Daarmee heeft de Inspecteur, zo begrijpt het Hof, deze handelwijze van belanghebbende aangemerkt als dermate lichtvaardig dat het qua laakbaarheid grenst aan opzet. Op de Inspecteur rust de last aannemelijk te maken dat belanghebbende het in artikel 67e, eerste lid, van de AWR beboetbaar gestelde feit heeft begaan door zelf een aangifte in te dienen zonder zich te voldoende te vergewissen van de fiscale wetgeving en zonder een fiscaal deskundige te raadplegen. In dat verband heeft belanghebbende in hoger beroep onweersproken naar voren gebracht dat hij wel degelijk zijn accountant heeft geraadpleegd bij het indienen van de desbetreffende aangifte. De omstandigheid dat de belastingplichtige een adviseur heeft ingeschakeld, zelfs als aan deze opzet of grove schuld zou kunnen worden verweten, kan evenwel samengaan met de mogelijkheid dat bij de belastingplichtige zelf (voorwaardelijk) opzet of grove schuld aanwezig is geweest. In dat verband kan van belang zijn of de belastingplichtige de zorg heeft betracht die redelijkerwijs van hem kan worden gevergd bij de keuze van zijn adviseur en bij de samenwerking met die adviseur. Wat in dit opzicht redelijkerwijs van de belastingplichtige kan worden gevergd, zal van geval tot geval sterk kunnen verschillen, bij voorbeeld naar gelang zijn hoedanigheid en zijn kennis en ervaring omtrent de relevante fiscale en andere aspecten. De inspecteur heeft van een en ander de stelplicht en de bewijslast (vgl. HR 1 december 2006, nr. 40.518, ECLI:NL:HR:2006:AZ3355). Indien een belastingplichtige zich laat bijstaan door een adviseur die hij voor voldoende deskundig mocht houden en aan wiens zorgvuldige taakvervulling hij niet behoefde te twijfelen (hierna: deskundige adviseur), is er geen aanleiding tot het stellen van de algemene eis dat de belastingplichtige zich ter voorkoming van fouten ook zelf in de inhoudelijke aspecten van op hem toepasselijke belastingregelingen verdiept. Dit wordt niet anders door het enkele feit dat hij – al dan niet op grote schaal – gebruik maakt van de desbetreffende regeling, ook niet indien het een regeling als de onderhavige betreft. Reeds hierom kan een belastingplichtige in zo'n geval geen grove schuld ter zake van het niet-betalen van belasting worden verweten op de enkele grond dat hij aan hem toegezonden stukken, die op de desbetreffende belasting betrekking hebben, doorzendt naar zijn deskundige adviseur zonder daarvan zelf kennis te nemen.(vgl. HR 13 februari 2009, 07/12891 ECLI:NL:HR:2009:BH2586). Naar het oordeel van het Hof, heeft de Inspecteur met hetgeen hij op dit punt naar voren heeft gebracht onvoldoende aangevoerd om aan zijn bewijslast te voldoen. Ook de enkele omstandigheid dat het in deze gecompliceerde zaak voor de hand had gelegen om de aangifte volledig uit te besteden aan een deskundige adviseur, betekent nog niet dat bij belanghebbende door dit na te laten, sprake is geweest van een dermate grote, aan opzet grenzende mate van nalatigheid dat hem grove schuld kan worden verweten. Het hoger beroep is in zoverre gegrond.

schade

4.20

Belanghebbende heeft geen feiten gesteld die zouden kunnen leiden tot het oordeel dat er verband bestaat tussen enerzijds het handelen van de Inspecteur en zijn medewerkers en anderzijds de schade die hij stelt te hebben geleden. Voorts heeft hij die schade niet gespecificeerd. Voor een veroordeling tot schadevergoeding is daarom geen plaats.

heffingsrente

4.21 Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente aangevoerd. Nu het Hof ook overigens niet is gebleken dat de bepalingen met betrekking tot de heffingsrente onjuist zijn toegepast, is het beroep in zoverre ongegrond.

proceskosten

4.22

Voor zover belanghebbende in hoger beroep een – gedeeltelijke – integrale vergoeding van de door hem gemaakt proceskosten bepleit, heeft het volgende te gelden.

4.23

Op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht gelezen in verbinding met artikel 2, derde lid, van het Besluit Proceskosten Bestuursrecht (hierna: BPB), kan in bijzondere omstandigheden worden afgeweken van de forfaitaire proceskostenvergoeding van artikel 2, eerste lid, van het BPB. Artikel 2, derde lid, van het BPB ziet op de uitzonderlijke gevallen waarin strikte toepassing van deze regeling onrechtvaardig uitpakt (vgl. Kamerstukken II, 27 024, nr. 16, p. 3).

4.24

Voor een toekenning van een proceskostenvergoeding in afwijking van de forfaitaire bedragen van het BPB is grond indien het bestuursorgaan het verwijt treft dat het een beschikking of uitspraak geeft respectievelijk doet of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in een (de) daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden (vgl. HR 13 april 2007, nr. 41.235, ECLI: NL: HR: 2007: BA2802, BNB 2007/260). Daarnaast kan, indien de Inspecteur bij het opleggen van een belastingaanslag in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld, zulks grond opleveren om een bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 2, lid 3, van het Besluit aanwezig te achten (vgl. HR 4 februari 2011, nr. 09/02123, ECLI:NL:HR:2011:BP2975).

4.25

Belanghebbende, op wie ten deze de last rust aannemelijk te maken dat van een bijzondere omstandigheid in vorenbedoelde zin sprake is, is daarin, naar het oordeel van het Hof, niet geslaagd. Niet aannemelijk is geworden dat zich in het onderhavige geval een van de zojuist omschreven situaties heeft voorgedaan.

4.26

Het beroep slaagt evenwel voor de gevraagde vergoeding van de proceskosten in de bezwaarfase voor het jaar 2006. Gelet op het in de bezwaarfase daartoe strekkende verzoek heeft de Rechtbank ter zake ten onrechte geen vergoeding toegekend.

slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5 Proceskosten

Het Hof acht termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten. Het Hof stelt deze kosten, gelet op hetgeen hiervoor dienaangaande is overwogen, op de voet van het BPB en in de lijn van de Rechtbank als volgt vast: 1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, met een waarde per punt van € 243 en een wegingsfactor van 1,5. In beroep en in hoger beroep is niet gebleken van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en ook overigens niet van kosten die volgens artikel 1 van het BPB kunnen worden begrepen in een kostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6 Beslissing

Het Hof

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens ten aanzien van de voor het jaar 2005 opgelegde boete en de beslissing omtrent de proceskostenveroordeling;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar ten aanzien van de voor het jaar 2005 opgelegde boete;

- vernietigt de boetebeschikking;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 365;

- gelast dat de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht in hoger beroep van € 115 aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. baron van Knobelsdorff, voorzitter, mr. P. van der Wal en mr. E. Polak, in tegenwoordigheid van mr. H. de Jong als griffier.

De beslissing is op 11 maart 2014 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(H. de Jong)

(J.W. van Knobelsdorff)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 12 maart 2014

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.