Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:1797

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-04-2014
Datum publicatie
03-04-2014
Zaaknummer
200.112.659-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolg op ECLI:NL:GHARL:2013:3974

Niet bewezen dat sprake is van een onterechte beschuldiging wegens seksuele intimidatie. Vordering tot schadevergoeding afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.112.659/01

(zaaknummer rechtbank Leeuwarden 115717/HA ZA 11-680)

arrest van de eerste kamer van 4 maart 2014

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats 1],

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. H.A. de Boer, kantoorhoudend te Sneek,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats 2],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. R.W. de Casseres, kantoorhoudend te Leeuwarden.

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 4 juni 2013 hier over.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

[appellant], die bij voormeld arrest tot bewijs is toegelaten van zijn stelling dat [geïntimeerde] hem ten onrechte heeft beschuldigd van seksuele intimidatie tijdens een taxirit, heeft zes getuigen voorgebracht, waarna in contra-enquête drie getuigen zijn gehoord.

1.2

[appellant] heeft daarna een memorie na enquête genomen, waarop [geïntimeerde] bij antwoordmemorie heeft gereageerd.

1.3

Vervolgens heeft [appellant] de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest en heeft het hof arrest bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1

[appellant] heeft, naast zichzelf, als getuigen laten horen: zijn wederpartij [geïntimeerde], haar vriend [C], zijn vader [de vader], zijn vriend [A] en zijn buurman [B].

De verklaring van [appellant] als partijgetuige omtrent door hem te bewijzen feiten kan geen bewijs in zijn voordeel opleveren, tenzij zijn verklaring strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs. De beperking van de bewijskracht van de verklaring van de partijgetuige geldt niet als er aanvullende bewijzen voorhanden zijn die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen, dat zij de verklaring van de partijgetuige voldoende geloofwaardig maken (ECLI:NL:HR:1995:ZC1688). Zulke aanvullende bewijzen zijn er evenwel niet.

Zoals het hof al in het tussenarrest onder 3.1.2 had vastgesteld, waren er op het moment dat het incident zou hebben plaatsgevonden geen anderen in de taxi aanwezig dan [appellant] en [geïntimeerde]. De andere, aan de zijde van [appellant] gehoorde, getuigen hebben dan ook niet uit eigen wetenschap kunnen verklaren over het gebeurde. [de vader], [A] en [B] hebben verklaard niet te geloven dat [appellant] zou hebben gedaan waarvan hij naar zijn zeggen beschuldigd werd (waarbij [A] kennelijk een ander verhaal heeft gehoord dan beide anderen). Hun verklaring bevat echter geen aanknopingspunten voor het door [appellant] te leveren bewijs.

[geïntimeerde] is, gehoord als getuige, bij haar beschuldiging gebleven. Haar verklaring is op de raadsheer-commissaris authentiek en betrouwbaar overgekomen. Getuige [C] heeft vervolgens verklaard dat [geïntimeerde] hem op de middag van het bewuste incident overstuur heeft gebeld en haar verhaal heeft verteld, waarna zij op zijn advies met de taxicentrale contact heeft opgenomen. Het hof constateert dat het verhaal dat [C] van [geïntimeerde] heeft gehoord, overeenstemt met wat [geïntimeerde] zelf heeft verklaard. Geen van deze twee verklaringen bevat een snipper bewijs voor de stelling van [appellant] dat hij ten onrechte beschuldigd is van seksuele intimidatie.

2.2

Bij memorie na enquête heeft [appellant] nog een schriftelijke verklaring overgelegd van ene [E], die volgens zijn verklaring tot 1 maart 2012 als administrateur bij [de taxicentrale] heeft gewerkt. In deze verklaring stelt [E] dat uit de automatische ritgegevens van de bewuste dag blijkt, dat [appellant] slechts 3 minuten alleen met [geïntimeerde] in de taxi is geweest.

Het hof is van oordeel dat, wat overigens ook zij van de waarde van deze verklaring nu [E] niet als getuige is gehoord en het hof noch [geïntimeerde] hem nadere vragen hebben kunnen stellen, deze verklaring geen afbreuk doet aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [geïntimeerde]. De verklaring levert geen aanvullend bewijs op voor wat [appellant] moest bewijzen.

2.3

[appellant] is derhalve niet geslaagd in het hem opgedragen bewijs. Volledigheidshalve voegt het hof daaraan toe dat ook de in contra-enquête afgelegde verklaringen (van [de taxicentrale], [1] en [2]) geen aanvullend bewijs opleveren voor de juistheid van de verklaring van [appellant]. [appellant] heeft nog aangevoerd dat het niet mogelijk was dat hij via een spiegel in de taxi oogcontact zocht met [geïntimeerde]. Voor zover hij hiermee de geloofwaardigheid van de verklaring van [geïntimeerde] heeft willen aantasten, is zijn bewering weersproken door [de taxicentrale] en [2], die allebei hebben verklaard dat zij in het bewuste taxibusje de proef op de som hebben genomen en hebben geconstateerd dat het wel degelijk mogelijk is via de achteruitkijkspiegel oogcontact te hebben met een passagier die meteen achter de chauffeur aan het gangpad zit.

Dat [2] volgens de schriftelijke verklaring van [E] "een persoonlijke vete" had met [appellant] doet aan het voorgaande niet af.

2.4

De slotsom is dat het vonnis, waarvan beroep, bekrachtigd moet worden onder verbetering van gronden. [appellant] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep (griffierecht € 291,- en 2,5 punt, tarief II, voor salaris advocaat volgens liquidatietarief, waarbij de antwoordmemorie na enquête buiten berekening blijft).

3 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Leeuwarden van 18 juli 2012 onder verbetering van gronden;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 2.235,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 291,- voor verschotten;

verklaart dit arrest, voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft, uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. M.E.L. Fikkers, mr. H. de Hek en mr. R.E. Weening en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 4 maart 2014.