Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:1704

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-03-2014
Datum publicatie
10-04-2014
Zaaknummer
200.120.040
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBARN:2012:BX9299, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

CMR Vervoer. Cargofoor-arrest. Vervoerder geeft abusievelijk verkeerde ladingreferenties door. Schade wordt geleden in ander traject. Aansprakelijkheid vervoerder eerder traject?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2014/106
NTHR 2014, afl. 3, p. 167
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.120.040

(zaaknummer rechtbank Arnhem 225427)

arrest van de zesde kamer van 4 maart 2014

in de zaak van

de vennootschap naar Belgisch recht

Transfennica Logistics b.v.b.a.,

gevestigd te Kallo (Beveren), België,

appellante,

hierna: Transfennica,

advocaat: mr. R.P. van Campen,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Schenker B.V.,

gevestigd te Ede,
geïntimeerde,

hierna: Schenker,

advocaat: mr. F.A.M. Knüppe.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van
8 februari 2012 en 26 september 2012 (gecorrigeerd op 23 oktober 2012) die de rechtbank Arnhem tussen Transfennica als eiseres in conventie en verweerster in reconventie en Schenker als gedaagde in conventie en eiseres in reconventie heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 21 december 2012 met grieven,

- de memorie van antwoord,

- de pleidooien overeenkomstig de pleitnotities.

2.2

Na afloop van de pleidooien heeft het hof arrest bepaald op één dossier.

3 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de volgende feiten.

3.1

Op vrijdag 10 september 2010 heeft Schenker Transfennica verzocht de volgende dag een aantal zendingen Nokia artikelen te vervoeren van Roosendaal naar Helsinki. Partijen hadden niet eerder zaken met elkaar gedaan. Schenker was als ondervervoerder ingeschakeld door de Finse vennootschap Schenker OY. Schenker OY had de transportopdracht aangenomen de Nokia artikelen over het gehele traject van Roosendaal naar Moskou (Rusland) te vervoeren.

3.2

Transfennica heeft de opdracht aanvaard onder mededeling dat de aflevering beter in Hamina kon geschieden waarmee Schenker heeft ingestemd. Voor het vervoer over de weg van Roosendaal naar de haven van Antwerpen heeft Transfennica Transport M. Janssens N.V. (hierna: Janssens) ingeschakeld.

3.3

Op 11 september 2010 heeft Janssens zich met eigen containers gemeld bij DHL in Roosendaal waar de zendingen Nokia artikelen klaarstonden. De zendingen hadden laadreferentienummers (RU-nummers). Bij het laden heeft DHL op de CMRvrachtbrieven per zending aangegeven in welke container zij geladen waren.

3.4

Op maandag 13 september 2010 heeft Schenker Transfennica een e-mail gestuurd met de volgende inhoud: “Zou je ons de containernrs. willen doorgeven van de vrachten die afgelopen zaterdag in Roosendaal geladen zijn. Bij voorbaat dank.” Hierop heeft een medewerker van Transfennica bij Janssens gegevens opgevraagd en teruggemaild:

“Goede morgen,
Hierbij de container nummers:

Laaddatum/uur : 11-09 6U Laadref.: RU-86260 CLXU 4501899

Laaddatum/uur :11-09 6U30 Laadref.: RU-86261 CLXU 4506015

Laaddatum/uur :11-09 7U Laadref.: RU-86259 PVDU 1029605

Laaddatum/uur :11-09 7U30 Laadref.: RU-86264 CLXU 4504563

Laaddatumluur :11-09 8U Laadref: RU-86258 & 26288 PVDU 1013595

Laaddatum/uur :11-09 9U Laadref.: RU-86285 PVDU 1007946

Laaddatum/nur :11-09 I0U Laadref.: RU-86286 & 86287 TFEU 4553122

Laaddatum/uur :11-09 11U Laadref.: RU-86289 CRXU 0505238

Laaddatum/uur :11-09 12U Laadref.: RU-86290 CLXU 4500932

Laaddatum/uur :11-09 13U Laadref.: RU-86293 TFEU 4530024”.

3.5

Abusievelijk is in deze e-mail vermeld dat de zendingen RU-86286 & 86287 in de container met nummer TFEU 4553122 waren geladen en dat RU-86289 in container CRXU 0505238 zat. Dat was namelijk precies andersom.

3.6

De goederen zijn op 17 september 2010 in Hamina aangekomen. Transfennica heeft vervolgens op 21 september 2010 aan Schenker facturen verzonden ter hoogte van € 23.200.

3.7

Schenker heeft de e-mail van 13 september 2010 van Transfennica doorgestuurd aan Schenker OY. Schenker OY heeft op basis van die e-mail douanedocumenten opgesteld voor uitvoer uit de EU (carnet-tirs). In opdracht van Schenker OY hebben Contento OY en JSP Cargo OY als ondervervoerders het vervoer van de goederen van Hamina naar Moskou verzorgd. Bij de Russische grens zijn de containers met nummers TFEU 4553122 en CRXU 0505238 achtergehouden omdat de gewichten van de ladingen niet overeenkwamen met de in de carnet-tirs vermelde gegevens. De Russische douane heeft vervolgens een rechterlijke uitspraak afgewacht voordat de containers werden vrijgegeven. Maanden later is aan Contento OY en JSP Cargo OY ieder een boete opgelegd van 50.000 roebel (€ 1.299,92). Tot die tijd zijn de containers opgeslagen geweest aan de Russische grens. De boetes heeft Schenker OY op grond van artikel 11 CMR voor haar rekening genomen.

3.8

Bij faxbericht van 29 augustus 2011 heeft Schenker aan Transfennica laten weten de transportkosten te verrekenen met de door haar geleden schade, bestaande uit de opgelegde boetes, de opslagkosten ter hoogte van € 72.157 inclusief btw, truckdemurrage ad € 6.000 en € 1.876,45 voor het in- en uitslaan van de goederen.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1

Het gaat in dit geding kort samengevat over het volgende. In eerste aanleg heeft Transfennica in conventie veroordeling van Schenker gevorderd tot betaling van de transportkosten, vermeerderd met wettelijke handelsrente en buitengerechtelijke incassokosten. In reconventie heeft Schenker de veroordeling van Transfennica gevorderd tot betaling van
€ 82.633,29 – dan wel van € 59.433,29 in het geval van verrekening –, vermeerderd met wettelijke rente.

4.2

De rechtbank heeft vooropgesteld dat zij bevoegd is en dat partijen hebben gekozen voor Nederlands recht als het toepasselijk recht, waarbij geldt dat het gehele transport onder de condities van de CMR zou plaatsvinden. Voorts heeft de rechtbank – kort samengevat – geoordeeld dat Transfennica het op zich heeft genomen Schenker informatie te verschaffen en dat Schenker ervan mocht uitgaan dat Transfennica zich ervan had vergewist dat de verstrekte informatie juist was. Omdat Transfennica onjuiste informatie heeft verstrekt, is zij tekortgeschoten in de nakoming van haar contractuele verplichtingen. Zij is dan ook op grond van artikel 6:74 BW aansprakelijk voor de door Schenker geleden schade. Op grond van het arrest van de Hoge Raad van 15 april 1994 (NJ 1995,114, Cargofoor) waarin is uitgemaakt dat de CMR niet in een uitputtende regeling voor aansprakelijkheid van de vervoerder voorziet, komt Transfennica geen beroep toe op artikel 23 lid 4 CMR, aldus de rechtbank. De rechtbank heeft in reconventie het gevorderde bedrag toegewezen waarop in mindering strekt de som van € 23.200, vermeerderd met wettelijke handelsrente.

4.3

Bij de feitenvaststelling heeft het hof rekening gehouden met de opmerkingen van Transfennica in de toelichting onder grief I zodat deze grief in zoverre geen verdere bespreking behoeft. De grieven II tot en met VII stellen in de kern aan de orde de kwalificatie/grondslag en inhoud van de door de rechtbank aangenomen verplichting van Transfennica Schenker te informeren, mede in het licht van de toepasselijkheid van de CMR. Het hof oordeelt als volgt.

4.4

Transfennica en Schenker hebben een vervoersovereenkomst gesloten voor het traject Roosendaal – Hamina, Finland. In de transportopdracht (productie G1 van Schenker) is geen verplichting tot het verstrekken van laadreferentienummers en containernummers opgenomen. De verplichting voormelde gegevens aan Schenker te verstrekken, volgt ook niet uit de op de overeenkomst toepasselijke CMR. Dat laat onverlet dat een dergelijke verplichting onderdeel kan uitmaken van de vervoersovereenkomst. Schenker heeft zich erop beroepen dat Transfennica naar branchegebruik (gewoonte) is gehouden voormelde gegevens aan haar te verstrekken en de rechtbank heeft kennelijk aangenomen dat voormelde verplichting (mede) op grond van de aanvullende werking van redelijkheid en billijkheid op Transfennica rust.

4.5

Voor zover zou moeten worden aangenomen dat Transfennica inderdaad verplicht was op verzoek van Schenker onder de vervoersovereenkomst voormelde gegevens aan Schenker te verstrekken en in moest staan voor de juistheid daarvan, geldt het volgende. Schenker, als wederpartij van Transfennica, heeft haar vordering gestoeld op het schenden van een contractuele verplichting. Haar stelling is dat Transfennica de verplichting tot juiste gegevensverstrekking jegens haar niet is nagekomen. Aangenomen dat dit juist is, geldt dat de contractuele verhouding tussen Transfennica en Schenker omkaderd en beperkt is door de transportopdracht waarop de CMR van toepassing is. Nu vast staat dat Transfennica de zaken tijdig en in goede staat in Hamina heeft afgeleverd, is de vervoersovereenkomst tussen Schenker en Transfennica op dat moment geëindigd. De gestelde fout van Transfennica heeft in de contractuele relatie tussen Transfennica en Schenker, dus tijdens het vervoer van Roosendaal naar Hamina, niet tot schade – bijvoorbeeld vanwege vertraging in de aflevering – geleid en daarmee niet tot schadeplichtigheid van Transfennica binnen de vervoersovereenkomst.

4.6

De gestelde schade is immers pas ingetreden tijdens het verdere vervoer door Contento OY en JSP Cargo OY, dat in opdracht van Schenker OY is verricht. De vervoerde zaken zijn opgehouden waardoor vertraging is ontstaan in de aflevering en er zijn extra kosten gemaakt voor onder meer opslag. Transfennica was echter geen partij bij deze contractuele relatie - evenmin als Schenker - en Schenker heeft ook onvoldoende toegelicht op welke wijze Transfennica desalniettemin contractueel op grond van de CMR aansprakelijk is jegens haar voor een in de verhouding tussen Schenker OY en Contento OY/JSP Cargo OY ontstane schade. Het enkele feit dat de schade is veroorzaakt door een fout van Transfennica en Schenker OY de kosten heeft doorbelast aan Schenker is daartoe onvoldoende. Er geen reden is om een uitzondering te maken op het in de CMR (strikt) gehanteerde uitgangspunt. Ook uit het nationale recht, artikel 8:1103 BW, volgt overigens dat de afzender geen ander recht heeft dan betaling van de limiet in geval van schendingen van artikel 8:1095 en 8:1096 BW. Gevolgschade, zoals hier aan de orde, komt niet voor vergoeding in aanmerking.

4.7

Schenker heeft betoogd dat in het onderhavige geval het arrest Cargofoor toepassing moet vinden, maar dat betoog faalt. In dat arrest ging het om een schadevordering van de gesubrogeerde opdrachtgever op grond van onrechtmatige daad voor schade die de vervoerder bij het lossen aan andere dan de vervoerde goederen had toegebracht. Schenker vordert echter op een contractuele grondslag vergoeding van schade die in verband staat met de vervoerde zaken en heeft zich op het standpunt gesteld dat zij de schadelijdende partij is. Uitbreiding van de leer van het Cargofoor-arrest naar gevallen als het onderhavige acht het hof voorts niet opportuun, mede gelet op de opvattingen in naburige landen over de (on)mogelijkheid van aansprakelijkheid van de vervoerder buiten de CMR. De rechter dient naar het oordeel van het hof dan ook terughoudendheid te betrachten bij het aannemen van een dergelijke aansprakelijkheid.

4.8

Het hoger beroep slaagt dus in zoverre en de overige grieven behoeven geen bespreking meer. De reconventionele vordering van Schenker zal alsnog worden afgewezen. Op grond van de devolutieve werking dient het hof thans de niet besproken of verworpen verweren van Schenker tegen de vordering van Transfennica te beoordelen.

4.9

Tegen de hoofdsom en de daarover gevorderde wettelijke handelsrente heeft Schenker geen verweer gevoerd. Wel heeft zij betwist dat Transfennica buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt, anders dan kosten die dienen ter instructie van de zaak in de zin van artikel 241 Rv. Nu Transfennica haar vordering op dit punt niet nader heeft toegelicht, zal dit onderdeel van haar vordering worden afgewezen.

4.10

De overige stellingen en verweren die partijen hebben aangevoerd, behoeven geen bespreking meer. Bij deze stand van zaken wordt niet toegekomen aan bewijslevering zodat het hof de bewijsaanbiedingen van partijen passeert.

Slotsom

4.11

Het hoger beroep slaagt zodat het bestreden vonnis moet worden vernietigd. De vorderingen in reconventie van Schenker zullen alsnog worden afgewezen. In conventie zal de vordering in hoofdsom, vermeerderd met wettelijke handelsrente worden toegewezen en voor het overige worden afgewezen. Als de (overwegend) in het ongelijk te stellen partij zal het hof Schenker in de kosten van het beide instanties veroordelen.

4.12

De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van Transfennica zullen worden vastgesteld op:
in conventie

- explootkosten € 76,31

- griffierecht € 1.789

subtotaal verschotten € 1.865,31

- salaris advocaat € 1.158 (2 punten x tarief III)

Totaal € 3.023,31

en in reconventie

- salaris advocaat € 894 (2 punten x 0,5 x tarief IV)

4.13

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van Transfennica zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten € 92,17

- griffierecht € 1.862

subtotaal verschotten € 1.954,17

- salaris advocaat € 4.893 (3 punten x tarief IV)

Totaal € 6.847,17

4.14

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals hierna vermeld.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de rechtbank te Arnhem van 26 september 2012 en doet opnieuw recht:

In conventie

veroordeelt Schenker tot betaling van € 23.200 in hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vervaldata van de facturen van 21 september 2010;

veroordeelt Schenker in de kosten, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van Transfennica vastgesteld op € 3.023,31 en te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en -voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt- te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

wijst het meer of anders gevorderde af;

In reconventie

wijst de vorderingen alsnog af;

veroordeelt Schenker in de kosten, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van Transfennica vastgesteld op € 894 en te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en -voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt- te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

veroordeelt Schenker in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van vastgesteld op € 6.847,17 en te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en -voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt- te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Th.C.M. Willemse, H.E. de Boer en C.J.H.G. Bronzwaer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2014.