Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:1669

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
20-02-2014
Datum publicatie
06-03-2014
Zaaknummer
TBS P13-0167
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet voldaan aan het in artikel 38d Sr vereiste voor verlenging van de tbs-maatregel: dermate laag risico op geweldsdelict na beëindiging tbs-maatregel en niet aannemelijk dat er bij de tbs-er nog sprake is van een voor de verlenging van de tbs-maatregel relevante psychische stoornis of gebrekkige ontwikkeling. Artikel 509t, lid 2, laatste volzin, Sv staat echter aan beëindiging van de tbs-maatregel in de weg. Onder verwijzing naar zijn beslissing van 9 januari 2014 (ECLI:NL:GHARL:2014:67) formuleert het hof zelf voorwaarden voor een voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging, die naar het oordeel van het hof niet of nauwelijks vrijheidsbeperkend zijn en derhalve geen strijd opleveren met het EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

TBS P13/0167

Beslissing d.d. 20 februari 2014

De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van

[terbeschikkingestelde],

geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedatum],

verblijvende in [FPC instelling].

Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Rotterdam van 14 maart 2013, houdende verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van twee jaar.

Het hof heeft gelet op de stukken, waaronder:

- het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 20 oktober 2006, waarbij de terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege werd opgelegd;

- het verlengingsadvies van [FPC instelling] van 14 december 2012;

- de vordering van de officier van justitie, ingekomen op 16 januari 2013;

- het proces-verbaal van het onderzoek in eerste aanleg;

- de beslissing waarvan beroep;

- de akte van hoger beroep van de terbeschikkinggestelde van 2 april 2013;

- de aanvullende informatie van [FPC instelling] van 13 mei 2013, inhoudende het behandelplan van de terbeschikkinggestelde van 16 januari 2013 en de wettelijke aantekeningen over de periode van 25 december 2012 tot 11 mei 2013;

- het rapport van psycholoog [psycholoog 2] van 24 juni 2013, betreffende de terbeschikkinggestelde;

- het proces-verbaal van de zitting van het hof van 4 juli 2013;

- de tussenbeslissing van de zitting van het hof van 18 juli 2013;

- het Pro Justitia rapport van het NIFP, locatie Pieter Baan Centrum, van 7 januari 2014;

- een emailbericht met de reactie van hoofd behandeling [FPC instelling] [psycholoog 1] van 22 januari 2014, betreffende de terbeschikkinggestelde.

Het hof heeft ter zitting van 23 januari 2014 gehoord de terbeschikkinggestelde, bijgestaan door zijn raadsman mr. J.J. Lieftink, advocaat te Amsterdam, en de advocaat-generaal

mr. A.A. Schut.

Tevens zijn gehoord [psycholoog 1], GZ psycholoog en hoofd behandeling van [FPC instelling], [psycholoog 2], psycholoog, [psychiater], psychiater, en [psycholoog 3], GZ-psycholoog, beide laatsten verbonden aan het NIFP, locatie Pieter Baan Centrum.

Overwegingen:

Het advies van de kliniek van 14 december 2012

Volgens de kliniek functioneert de terbeschikkinggestelde intellectueel op een begaafd niveau, maar is hij lijdende aan een persoonlijkheidsstoornis NAO met narcistische, theatrale en vermijdende trekken. In de kern is de terbeschikkinggestelde een erg kwetsbare, angstige man die koste wat het kost deze kwetsbaarheid wil overdekken. Daarnaast speelt bovendien de vermijdende copingstijl die dit mechanisme nog versterkt. De terbeschikkinggestelde heeft vooruitgang geboekt in zijn behandeling. Hij stelt zich meer coöperatief op en kan zich op sommige momenten kwetsbaar opstellen. Hij gaat minder de strijd aan en laat zich beter aanspreken. Dit bevordert de behandelrelatie. Ook is hij meer in staat evenwichtige keuzes te maken en beter naar de visie van anderen te luisteren. De terbeschikkinggestelde praktiseert begeleid verlof dat goed verloopt. De historische items laten een laag recidiverisico zien. De klinische items geven een matig recidive risico aan. Bij het beëindigen van de tbs-maatregel wordt het risico als hoog geschat. Gelet op het bovenstaande adviseert de kliniek de maatregel voor de duur van twee jaar te verlengen.

Uit de aanvullende informatie van de kliniek van 13 mei 2013 blijkt dat de kliniek bij haar conclusie blijft dat er sprake is van een persoonlijkheidsstoornis NAO met narcistische en theatrale kenmerken. De kliniek acht een reëel recidivegevaar aanwezig omdat de risicofactoren prominenter aanwezig zijn dan de beschermende factoren. Een vorm van zelfstandig wonen met begeleiding is aangewezen.

Het Pro Justitia rapport van [psycholoog 2] van 24 juni 2013

Op verzoek van de terbeschikkinggestelde heeft de deskundige [psycholoog 2] een contra-expertise uitgevoerd. Hij komt tot de conclusie dat er geen aanwijzingen zijn voor een (pathologisch) verhoogde agressieve prikkelbaarheid of agressieve impulsiviteit, noch voor een pathologische agressieremming, een pathologische vermijding van conflicten, of een pathologische afhankelijkheid van de waardering, steun en bevestiging van anderen. De terbeschikkinggestelde lijdt niet aan een gebrekkig ontwikkeling en/of ziekelijke stoornis van de geestvermogens waarbij ook geen aanwijzingen zijn voor narcistische, theatrale en vermijdende trekken. De deskundige [psycholoog 2] onderschrijft niet de diagnostiek zoals door de kliniek is geconcludeerd. Met de afwezigheid van een psychische stoornis in de zin van een persoonlijkheidsstoornis kan niet worden geconcludeerd dat er sprake is van een pathologische delictgevaarlijkheid. De deskundige schat het recidiverisico klein tot zeer klein. De deskundige adviseert om de tbs-maatregel onvoorwaardelijk te beëindigen.

Tussenbeslissing van het hof van 18 juli 2013

Het hof heeft bij de tussenbeslissing van 18 juli 2013 de behandeling van de zaak heropend en het onderzoek geschorst, nu het hof, gelet op de tegengestelde opvattingen tussen de kliniek en de deskundige [psycholoog 2], het voor de vorming van zijn eindoordeel noodzakelijk achtte dat de terbeschikkinggestelde in het Pieter Baan Centrum zou worden onderzocht. Voorts achtte het hof het noodzakelijk dat de kliniek, in het bijzonder de ter zitting gehoorde deskundige [deskundige], hoofd behandeling van [FPC instelling], in de gelegenheid zou worden gesteld uitgebreid op het rapport van [psycholoog 2] zal reageren, dat de kliniek, althans de deskundige [deskundige], haar bevindingen ter kennis zou brengen van het PBC.

Het advies van het Pieter Baan Centrum van 7 januari 2014

De deskundigen [psychiater] en [psycholoog 3] komen tot de conclusie dat – kort weergegeven – bij de terbeschikkinggestelde ten tijde van het indexdelict vermoedelijk sprake is geweest van ernstige psychische klachten en emotionele ontregeling in het kader van een aanpassingsstoornis, waarbij de terbeschikkinggestelde last had van akoestische pseudohallucinaties. Volgens de deskundigen zijn er weliswaar aanwijzingen voor narcistische en vermijdende kenmerken, maar de ernst en omvang van voornoemde kenmerken of dynamiek is niet (of niet meer) op het niveau van een persoonlijkheidsstoornis of een gebrekkige ontwikkeling zijner geestvermogens. Voorts dient de wijze waarop de terbeschikkinggestelde zich uit te worden bezien in het licht van de cultuur waaruit hij afkomstig is en niet te snel te worden geduid als een kenmerk van een (theatrale) persoonlijkheidsstoornis. Tijdens zijn behandeling in het kader van de terbeschikkingstelling en zijn verblijf in het PBC heeft de terbeschikkinggestelde geen gedrag vertoond dat blijk geeft van opvallende ego-zwakte of afhankelijkheid. Het geheel overziend zijn de deskundigen van oordeel dat vanuit gedragskundige optiek de kans op recidive van (relationeel) geweld laag is. Deze klinische inschatting is getoetst aan de hand van het risicotaxatieinstrument HCR-20 en de SAPROF. De via deze instrumenten verkregen scores ondersteunen genoemde klinische inschatting van het recidiverisico.

De schriftelijke reactie van de kliniek op het PBC-rapport

De kliniek blijft van oordeel dat sprake is van een persoonlijkheidsstoornis NAO met narcistische en theatrale kenmerken. Op het eerste gezicht is de terbeschikkinggestelde aangepast en vriendelijk en doet hij zijn best om goed over te komen. De kliniek benadrukt dat de onderliggende dynamiek – het ten koste van alles willen onderdrukken van kwetsbaarheden en emoties en het willen voorkomen gekrenkt of verlaten te worden - nog altijd aanwezig is. Op het moment waarop de terbeschikkinggestelde opnieuw een relatie zal aangaan, zullen de spanningen steeds verder oplopen en kan een uitbarsting in een agressief delict niet worden uitgesloten. Het feit dat de terbeschikkinggestelde in een klinische setting geen fysiek agressieve delicten pleegt, is verklaarbaar omdat in deze kunstmatige setting geen sprake is van een intieme relatie. Vanwege de ernst van het indexdelict kiest de kliniek voor de weg van geleidelijke uitstroom in plaats van voor een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging.

Ter zitting van het hof van 23 januari 2014 hebben de deskundigen hun respectieve standpunten verder toegelicht en gehandhaafd.

De deskundige [psycholoog 1] (kliniek) geeft aan dat het moeilijk is vast te stellen of de terbeschikkinggestelde bij het eerste onderzoek in het PBC de stemmen en hallucinaties heeft gefingeerd. De kliniek heeft zich alleen gefocust op de persoonlijkheidsproblematiek. Het recidivegevaar op langere termijn en binnen een intieme relatie wordt als zijnde hoog geschat. De terbeschikkinggestelde kent zijn risicofactoren niet. De problematiek van de terbeschikkinggestelde is moeilijk bewerkbaar gebleken. Bij het wegvallen van het tbs-kader kunnen de spanningen oplopen en is er een kans op terugval in een op het indexdelict gelijkend delict.

De deskundige [psycholoog 2] heeft aangegeven dat het mogelijk is dat ook ten tijde van het indexdelict geen sprake was van een persoonlijkheidsstoornis. Indien aanwezig zou deze zich naar verwachting ook in eerdere relaties dan die met het slachtoffer hebben gemanifesteerd.

Hiervan is niet gebleken. De kliniek heeft te weinig aandacht voor de specifieke indexdelictsituatie. De deskundige [psycholoog 2] ziet de terbeschikkinggestelde niet als pathologisch onbetrouwbaar; het lijkt niet goed mogelijk een pathologie in een klinische situatie blijvend te verhullen. Met betrekking tot de factor delicten in relatie tot de relationele sfeer is de terbeschikkinggestelde first-offender. Bepaalde karaktereigenschappen zijn mede bepaald door de culturele afkomst.

De deskundigen [psychiater] en [psycholoog 3] hebben aangegeven dat uit het onderzoek is niet gebleken dat er sprake zou zijn van het horen van stemmen of een psychiatrische stoornis. Het verhaal dat de terbeschikkinggestelde bij het eerste onderzoek van het PBC hallucinaties en stemmen heeft gefingeerd, achten de deskundigen hoogst onwaarschijnlijk. Er was mogelijk sprake van akoestische pseudo hallucinaties maar dit betekent niet dat er ook sprake was van een psychose. De factor tijd is een belangrijk aspect voor het thans ontbreken van een persoonlijkheidsstoornis. De terbeschikkinggestelde is ouder geworden en heeft de nodige behandeling ondergaan. Daarnaast moeten bepaalde karaktereigenschappen in het licht van zijn culture achtergrond worden bezien. Volgens deskundige [psychiater] valt niet te verwachten dat bij beëindiging van de maatregel de terbeschikkinggestelde een hoge mate van stress zal ervaren waardoor er sprake kan zijn van een terugval. Het recidivegevaar op de lange termijn wordt laag geschat. Mede omdat de terbeschikkinggestelde een netwerk heeft en zicht heeft op een baan De beide deskundigen zien geen reden om de behandeling in het kader van een maatregel van terbeschikkingstelling te laten voortduren.

Het standpunt van de terbeschikkinggestelde en zijn raadsman

Uit de rapporten en de verklaringen van de deskundigen van het PBC en van de deskundige [psycholoog 2] blijkt dat een stoornis niet langer kan worden vastgesteld. Ook komen zij tot de conclusie dat het gevaar voor recidive laag is. Om de maatregel van terbeschikkingstelling te kunnen verlengen dan wel - met verlenging van die maatregel - de verpleging van overheidswege voorwaardelijk te kunnen beëindigen, moet sprake zijn van recidivegevaar en een stoornis. Indien aan deze vereisten niet wordt voldaan, zijn een verlenging en een voorwaardelijke beëindiging in strijd met artikel 38d van het Wetboek van Strafrecht en/of met artikel 5 EVRM. Nu deze verlengingsgronden bij de terbeschikkinggestelde niet meer aan de orde zijn, heeft de raadsman verzocht de beslissing van de rechtbank te vernietigen en de vordering van de officier van justitie af te wijzen.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De conclusies van de kliniek staan diametraal op die van [psycholoog 2] en van het PBC. De kliniek is van oordeel dat sprake is van een persoonlijkheidsstoornis en een hoge mate van recidivegevaar. De deskundigen van het PBC zijn van mening dat door tijdsverloop en behandeling een persoonlijkheidsstoornis kan vervagen. Zij zien geen redenen tot voorzetting van de maatregel. De deskundige [psycholoog 2] heeft zich bij deze conclusie aangesloten. Hij en de deskundigen verbonden aan het PBC schatten het gevaar voor recidive als laag.

Gelet op artikel 509t van het Wetboek van Strafvordering kan beëindiging van de terbeschikkingstelling pas plaatsvinden nadat de verpleging van overheidswege gedurende minimaal één jaar voorwaardelijk beëindigd is geweest. Op 9 januari 2014 heeft het hof met betrekking tot deze recente wetsbepaling een belangrijk arrest gewezen. In het geval er niet is voldaan aan de eisen van artikel 38d van het Wetboek van Strafrecht kán een verlenging in strijd zijn met artikel 509t, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, maar dit hoeft niet altijd het geval te zijn. De terbeschikkinggestelde dient met begeleiding in de maatschappij terug te keren. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot aanhouding van de behandeling van de zaak teneinde door de reclassering een maatregelrapport op te laten maken om de mogelijkheden van een voorwaardelijke beëindiging te onderzoeken. Daarbij moeten voorwaarden worden geformuleerd waardoor de terbeschikkinggestelde niet in zijn verdragsrechten zoals bedoeld in artikel 5 EVRM wordt geschaad.

Het oordeel van het hof

Het hof zal de beslissing van de rechtbank vernietigen, daar het tot een andere beslissing komt.

Gelet op de inhoud van de rapportages en de toelichting zoals door de deskundigen ter zitting gegeven, is het hof van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat het risico dat de terbeschikkinggestelde na het beëindigen van de maatregel van terbeschikkingstelling een geweldsdelict zal begaan thans zodanig laag is, dat niet langer kan worden gezegd dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen verdere verlenging van de terbeschikkingstelling eist. De visie van de kliniek met betrekking tot het recidiverisico heeft het hof niet kunnen overtuigen dat de conclusies van de deskundige [psycholoog 2] en het PBC op dit punt onjuist zijn.

Het hof is op grond van genoemde rapportages en de daarop gegeven toelichtingen overigens tevens van oordeel dat het niet aannemelijk is geworden dat er bij de terbeschikkinggestelde nog sprake is van een voor verlenging van de maatregel van terbeschikkingstelling relevante psychische stoornis of gebrekkige ontwikkeling.

Gelet hierop constateert het hof dat niet wordt voldaan aan het in artikel 38d van het Wetboek van Strafrecht genoemde vereiste voor verlenging van de maatregel van terbeschikkingstelling. Dat zou betekenen dat de maatregel beëindigd moet worden, ware het niet dat daaraan - sinds 1 juli 2013 - in de weg staat het bepaalde in artikel 509t, tweede lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

In zijn uitspraak van 9 januari 2014 (ECLI:NL:GHARL:2014:67) heeft het hof omtrent de toepasselijkheid van artikel 509t, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering het volgende overwogen.

“Per 1 juli 2013 is in werking getreden de Wet van 13 september 2012 tot wijziging van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden, de Penitentiaire beginselenwet en de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen in verband met de verruiming van de mogelijkheid onvrijwillige geneeskundige behandeling te verrichten (Stb. 2012, 410), waardoor onder meer artikel 509t, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) is gewijzigd.

De wijziging van artikel 509t, tweede lid, Sv houdt onder meer in dat daaraan een volzin is toegevoegd waarin wordt bepaald dat beëindiging van de terbeschikkingstelling niet eerder kan plaatsvinden dan nadat de verpleging van overheidswege gedurende minimaal een jaar voorwaardelijk beëindigd is geweest.

Het hof verstaat de laatste volzin van het tweede lid van artikel 509t Sv aldus dat deze toepassing vindt als de officier van justitie de verlenging van de terbeschikkingstelling heeft gevorderd, met andere woorden beëindiging van de terbeschikkingstelling moet in het kader van deze bepaling worden opgevat als afwijzing van de vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling.

De voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege kan slechts worden bevolen als de maatregel van terbeschikkingstelling wordt verlengd of, met toepassing van artikel 509t, vijfde lid, Sv, is verlengd. Ingevolge artikel 38d van het Wetboek van Strafrecht kan de maatregel alleen worden verlengd als de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de verlenging eist.

Naar het oordeel van het hof vormt een verlenging van de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege, waarbij niet aan de verlengingsgrond van genoemd artikel 38d is voldaan, een schending van het in artikel 5 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) besloten liggende verbod op willekeurige detentie. In die gevallen dat de verpleging van overheidswege voorwaardelijk is of wordt beëindigd, kán, afhankelijk van de aan die voorwaardelijke beëindiging verbonden vrijheidsbeperkende voorwaarden, verlenging van de maatregel waarbij niet aan de verlengingsgrond van artikel 38d is voldaan, schending opleveren van artikel 5 EVRM en/of van artikel 2, lid 1, Vierde Protocol bij het EVRM (het recht zich vrij te verplaatsen en vrij woonplaats te kiezen). Dit laatste artikel dient ingevolge artikel 6 van het Protocol als een aanvullend artikel van het EVRM te worden aangemerkt.

Onverkort toepassing geven aan de laatste volzin van het tweede lid van artikel 509t Sv kan dus strijdig zijn met artikel 5 EVRM dan wel artikel 2 Vierde Protocol bij het EVRM. In die gevallen dient naar het oordeel van het hof de bepaling in die volzin dan ook buiten toepassing te worden gelaten, nu ingevolge artikel 94 van de Grondwet binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften geen toepassing vinden, indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties. Het EVRM is zo’n verdrag.”

Voorwaarden die aan een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege zouden kunnen of moeten worden verbonden, zijn in deze zaak nog niet geformuleerd. Het hof zal het onderzoek echter niet heropenen teneinde de reclassering te laten rapporteren over de wenselijke voorwaarden omdat dit zou betekenen dat de terbeschikkinggestelde nog drie tot vier maanden langer de verpleging van overheidswege zou moeten ondergaan terwijl het hof heeft vastgesteld dat daartoe geen redenen meer zijn. Het hof zal daarom zelf de voorwaarden formuleren.

Het hof is van oordeel dat de hierna te noemen voorwaarden niet of nauwelijks vrijheidsbeperkend zijn en dat in dit geval dan ook zonder dat strijd ontstaat met het EVRM toepassing kan worden gegeven aan artikel 509t, tweede lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering indien de terbeschikkingstelling met een jaar wordt verlengd onder gelijktijdige voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege met als voorwaarden:

  • -

    de terbeschikkinggestelde verleent medewerking aan reclasseringstoezicht overeenkomstig artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

  • -

    de terbeschikkinggestelde verleent ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking aan het nemen van een of meer vingerafdrukken, of biedt ter inzage een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht aan.

Beslissing

Het hof:

Wijst af het verzoek tot het doen onderzoeken van de mogelijkheden van een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege.

Vernietigt de beslissing van de rechtbank Rotterdam van 14 maart 2013 met betrekking tot de terbeschikkinggestelde [terbeschikkingestelde].

Verlengt de terbeschikkingstelling met een termijn van een jaar.

Beëindigt de verpleging van overheidswege.

Stelt daarbij de volgende voorwaarden:

1.

de terbeschikkinggestelde verleent medewerking aan reclasseringstoezicht overeenkomstig artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

2.

de terbeschikkinggestelde verleent ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking aan het nemen van een of meer vingerafdrukken, of biedt ter inzage een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht aan.

Het hof draagt aan de Reclassering Nederland op de terbeschikkinggestelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen.

Aldus gedaan door

mr E.A.K.G. Ruys als voorzitter,

mr R. de Groot en mr. J.W. Rijkers als raadsheren,

en drs. G. Mensing en W.J. Canton als raden,

in tegenwoordigheid van B. Moorlag als griffier,

en op 20 februari 2014 in het openbaar uitgesproken.

De raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.