Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:1650

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
13-02-2014
Datum publicatie
05-03-2014
Zaaknummer
TBS P13-0499
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van twee jaren.

Het hof acht het gewenst dat ten behoeve van de volgende verlengingszitting nader wordt onderzocht of de dan nog noodzakelijk geachte beveiliging en psychiatrische zorg kunnen worden geboden door een GGZ-instelling in het kader van de rechterlijke machtiging op grond van de Wet BOPZ. Indien dit het geval blijkt te zijn, verwacht het hof dat daarvoor noodzakelijke (voorbereidende) stappen voor een eventuele volgende verlengingszitting zullen zijn gezet. Het hof gaat ervan uit dat bij het voormeld onderzoek sprake zal zijn van een overleg tussen betrokken partijen, onder wie in elk geval: een indicatiesteller van het NIFP/IFZ, een vertegenwoordiger van de beoogde GGZ-instelling en de reclasseringsinstelling Novadic Kentron, en dat aan de verlengingsrechter verslag wordt gedaan van dit overleg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

TBS P13/0499

Beslissing d.d. 13 februari 2014

De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van

[terbeschikkinggestelde],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

verblijvende [adres] te [verblijfplaats] op het terrein en onder verantwoordelijkheid van FPC [kliniek].

Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Oost-Brabant van 8 november 2013, houdende verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van twee jaar.

Het hof heeft gelet op de stukken, waaronder:

  • -

    de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 8 mei 1992, waarbij de terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege is opgelegd;

  • -

    de beslissing van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 21 december 2011, waarbij het bevel tot verpleging van overheidswege voorwaardelijk is beëindigd;

  • -

    het pro justitia rapport van forensisch psychiater [psychiater] van 15 april 2013;

  • -

    de vordering van de officier van justitie, ingekomen op 28 mei 2013;

  • -

    het reclasseringsadvies van Novadic Kentron van 30 mei 2013;

  • -

    het voortgangsverslag TBS van Novadic Kentron van 13 juni 2013;

  • -

    de processen-verbaal van het onderzoek in eerste aanleg;

  • -

    de beslissing waarvan beroep;

  • -

    het reclasseringsadvies van Novadic Kentron van 9 januari 2014, met als bijlagen de voorgangsverslagen TBS van 23 september 2013 en 2 december 2013.

Het hof heeft ter zitting van 30 januari 2014 gehoord de terbeschikkinggestelde, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr S.C. Sassen, advocaat te Amsterdam, en de advocaat generaal mr E.J. Julsing-Nijenhuis.

Overwegingen:

Het pro justitia rapport van forensisch psychiater [psychiater]

De deskundige onderschrijft de diagnostiek en classificatie van de kliniek. De terbeschikkinggestelde functioneert (mede) door een foetaal alcohol syndroom op een beperkt begaafdheidniveau. De laatste jaren lijkt, mogelijk mede onder invloed van Refusal, zijn alcoholafhankelijkheidsproblematiek in remissie, ook nu hij veel meer buiten de kliniek functioneert.

Eerdere resocialisaties en trajecten mislukten doordat de terbeschikkinggestelde zich onttrok en/of terugviel in fors alcoholmisbruik. Hij functioneert nu al langere tijd zonder incidenten. Het laatste ernstige incident vond plaats in 2006. Dit mag worden gezien als een indicatie dat het recidiverisico - bij voldoende ondersteuning en geleidelijke opbouw van bewegingsruimte - maatschappelijk acceptabel is.

De deskundige adviseert de terbeschikkingstelling te verlengen met een termijn van twee jaren om in die periode te komen tot een stabiele woon- en werksituatie buiten de kliniek.

Het verlengingsadvies van Novadic Kentron

In de rapport van 30 mei 2013 adviseert de reclasseringsinstelling eveneens de terbeschikkingstelling te verlengen met een termijn van twee jaren. Dit advies wordt gehandhaafd in het rapport van 9 januari 2014. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.

De terbeschikkinggestelde verblijft thans niet meer op een afdeling binnen de kliniek [kliniek]. Hij is eind december 2013 verhuisd naar een woning op het terrein van deze kliniek. Hij staat bovenaan de wachtlijst van de GGZ Oost-Brabant voor begeleid wonen in een individueel appartement in Deurne. Er kan geen enkele indicatie worden gegeven van de wachttijd. Uit navraag van de reclassering bij de GGZ Oost-Brabant is gebleken dat de terbeschikkinggestelde ook in een appartement kan worden geplaatst met een rechterlijke machtiging. De reclassering acht een plaatsing van de terbeschikkinggestelde met rechterlijke machtiging echter nog niet aan de orde.

In oktober 2013 is de terbeschikkinggestelde, zonder overleg met de psychiater, gestopt met het gebruik van de aan hem voorgeschreven alcohol abstinentie bevorderende medicatie Antabus. Hij had last van lichamelijke klachten die volgens hem mogelijk kunnen optreden als bijwerking van Antabus. Dit is later bevestigd door de psychiater, die geen farmacologische alternatieven voor Antabus ziet. Het gebruik van Antabus is nu ook officieel stopgezet. Er worden alternatieve interventies ingezet om voldoende zicht te houden op eventueel alcoholgebruik door de terbeschikkinggestelde. Er is geen alcoholgebruik vastgesteld.

Bij het ontbreken van de huidige structuur wordt het recidiverisico ingeschat als hoog. Binnen de huidige context is de kans op recidive laag. De verwachting is dat het risico niet toeneemt nu de terbeschikkinggestelde is verhuisd naar een woning op het terrein van de kliniek. De terbeschikkinggestelde draagt meer verantwoordelijkheid, maar hij kan nog steeds profiteren van de structuur. Hij heeft nauw contact met zijn begeleiders en behandelaar.

Er is nog geen zicht op de invloed op het recidiverisico van de overgang van de huidige setting naar begeleid wonen. Ook het lange termijn effect van het stoppen met Antabus is nog niet bekend. In het verleden is de terbeschikkinggestelde tijdens het zelfstandig wonen veelvuldig teruggevallen in alcoholgebruik. Pas vanaf september 2012 is hij opnieuw gaan resocialiseren binnen [kliniek]. De reclassering prefereert de voorzetting van dit traject en vindt het nu nog te vroeg voor een beëindiging van de terbeschikkingstelling.

Het standpunt van de terbeschikkinggestelde en zijn raadsvrouw

De terbeschikkinggestelde beseft dat alcohol niet goed voor hem is. Hij heeft geen behoefte aan alcohol, ook niet nadat hij is gestopt met het gebruik van Antabus. Hij heeft al jaren geen alcohol meer gebruikt. De terbeschikkinggestelde wil zo spoedig mogelijk worden geplaatst in een begeleide woonvoorziening. Hij vindt dat de plaatsing te lang duurt in het kader van de terbeschikkingstelling. Hij verwacht dat een rechterlijke machtiging meer mogelijkheden biedt voor een plaatsing in een begeleide woonvoorziening.

De raadsvrouw heeft bepleit dat de terbeschikkingstelling moet worden beëindigd. Een redelijke verhouding tussen de ernst van het indexdelict en de lange duur van de terbeschikkingstelling is thans niet meer aanwezig. Het recidivegevaar is onvoldoende onderbouwd. Bij het wegvallen van de terbeschikkingstelling kan voldoende toezicht en begeleiding plaatsvinden door betrokkene bij een RIBW te plaatsen in het kader van een rechterlijke machtiging op grond van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet BOPZ).

De raadsvrouw heeft primair verzocht de beslissing op de verlengingsvordering met drie maanden aan te houden en het openbaar ministerie opdracht te geven onderzoek te doen naar de mogelijkheid tot verkrijging van een rechterlijke machtiging. Subsidiair heeft de raadsvrouw bepleit de terbeschikkingstelling te verlengen met één jaar, zodat met betrekking tot de doorstroming van de terbeschikkinggestelde een vinger aan de pols kan worden gehouden.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het nu nog te vroeg is voor een plaatsing van de terbeschikkinggestelde in het kader van een rechterlijke machtiging. Het gaat niet alleen om de beschikbaarheid van een plaats in een begeleide woonvoorziening. Er bestaan ook zorgen over de een mogelijke terugval in alcoholgebruik. In dat geval is er sprake van recidivegevaar. De advocaat-generaal heeft primair geconcludeerd tot bevestiging van de beslissing van de rechtbank de terbeschikkingstelling te verlengen met een termijn van twee jaren. De advocaat-generaal kan zich evenwel ook vinden in het (subsidiaire) voorstel van de raadsvrouw om de terbeschikkingstelling te verlengen met een termijn van één jaar.

Het oordeel van het hof

Afwijzing verzoek

Het hof acht zich op basis van de voorhanden zijnde informatie thans voldoende voorgelicht om te kunnen oordelen op het door de terbeschikkinggestelde ingediende beroep. Het verzoek om te doen onderzoeken of op grond van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet BOPZ) een rechterlijke machtiging tot plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis kan worden verkregen, wordt afgewezen, omdat de noodzakelijkheid daarvan niet is gebleken. Het hof is van oordeel dat binnen de structuur van de terbeschikkingstelling eerst moet kunnen worden getoetst hoe de terbeschikkinggestelde reageert op zijn sinds kort begonnen begeleid wonen.

Vernietiging

Het hof zal de beslissing van de rechtbank vernietigen, daar het tot een andere beslissing komt.

Indexdelict

Het hof stelt vast dat de terbeschikkinggestelde bij vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 8 mei 1992 is veroordeeld ter zake van - kort gezegd - diefstal met geweld. Blijkens de bewezenverklaring, de kwalificatie en de motivering van de oplegging van de straf en de maatregel, in onderling verband en samenhang bezien, ligt in die uitspraak besloten dat de terbeschikkingstelling is opgelegd ter zake van een geweldsmisdrijf in de zin van artikel 38e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Proportionaliteit en subsidiariteit

De terbeschikkingstelling is ingegaan op 29 juni 1992 en loopt dus thans meer dan 21 jaren. Dit tijdsverloop in relatie tot de ernst van het delict waarvoor de maatregel is opgelegd, moet mede in aanmerking worden genomen bij de verlengingsbeslissing.

Het hof is van oordeel dat bij een afweging tussen de belangen van de terbeschikkinggestelde en die van de maatschappij naarmate de maatregel van terbeschikkingstelling langer duurt, het belang van de terbeschikkinggestelde steeds zwaarder dient te wegen. Anders dan de raadsvrouw is het hof evenwel van oordeel dat van disproportionaliteit in het onderhavige geval geen sprake is, immers niet alleen het tijdsverloop - in relatie tot de ernst van het delict - moet in aanmerking worden genomen, maar ook de aard van de stoornis en de ernst van het recidivegevaar.

Het hof acht evenmin strijd met het beginsel van de subsidiariteit aanwezig, nu uit de stukken blijkt dat er op dit moment nog geen geschikte alternatieven zijn om de terbeschikkinggestelde te kunnen laten functioneren in de maatschappij zonder de structuur van de terbeschikkingstelling.

Verlenging

Gelet op de adviezen van de deskundige [psychiater] en de reclassering en in aanmerking genomen hetgeen overigens ter zitting naar voren is gekomen, is het hof van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen verlenging van de terbeschikkingstelling eist.

Blijkens voormelde adviezen is er een positieve ontwikkeling te zien in de behandeling van de terbeschikkinggestelde. Hij functioneert al geruime tijd zonder noemenswaardige incidenten. Zijn laatste terugval in alcoholgebruik heeft lang geleden plaatsgevonden.

Mogelijk kan in de naaste toekomst de resocialisatie van de terbeschikkinggestelde worden bespoedigd, en het dan nog aanwezige recidivegevaar tot een maatschappelijk aanvaardbaar niveau worden teruggebracht door plaatsing van de terbeschikkinggestelde in een begeleide woonvoorziening in het kader van een rechterlijke machtiging op grond van de Wet BOPZ. Het hof ziet in deze omstandigheid aanleiding om de terbeschikkingstelling te verlengen met niet meer één jaar, zodat de verlengingsrechter op een kortere termijn opnieuw kan bezien kan of de ontwikkelingen zodanig zijn dat een plaatsing van betrokkene op grond van de Wet BOPZ tot de mogelijkheden behoort.

Het hof acht het gewenst dat ten behoeve van de volgende verlengingszitting nader wordt onderzocht of de dan nog noodzakelijk geachte beveiliging en psychiatrische zorg kunnen worden geboden door een GGZ-instelling in het kader van de rechterlijke machtiging op grond van de Wet BOPZ. Indien dit het geval blijkt te zijn, verwacht het hof dat daarvoor noodzakelijke (voorbereidende) stappen voor een eventuele volgende verlengingszitting zullen zijn gezet. Het hof gaat ervan uit dat bij het voormeld onderzoek sprake zal zijn van een overleg tussen betrokken partijen, onder wie in elk geval: een indicatiesteller van het NIFP/IFZ, een vertegenwoordiger van de beoogde GGZ-instelling en de reclasseringsinstelling Novadic Kentron, en dat aan de verlengingsrechter verslag wordt gedaan van dit overleg.

Beslissing

Het hof:

Wijst af het verzoek tot schorsing van het onderzoek teneinde op grond van de Wet BOPZ een rechterlijke machtiging tot plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis te bewerkstelligen.

Vernietigt de beslissing van de rechtbank Oost-Brabant van 8 november 2013 met betrekking tot de terbeschikkinggestelde [terbeschikkinggestelde].

Verlengt de terbeschikkingstelling met een termijn van een jaar.

Aldus gedaan door

mr E.A.K.G. Ruys als voorzitter,

mr. J.W. Rijkers en mr M. Keppels als raadsheren,

en dr. W. van Kordelaar en drs. R. Vecht-van den Bergh als raden,

in tegenwoordigheid van mr R. Hermans als griffier,

en op 13 februari 2014 in het openbaar uitgesproken.

De raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.