Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:1512

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
28-02-2014
Datum publicatie
28-02-2014
Zaaknummer
21-008083-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing voorwaardelijke vordering tot getuigenverhoor na afweging van verschillende belangen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-008083-13

Uitspraak d.d.: 28 februari 2014

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 10 oktober 2013 met parketnummer 16-657320-12 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats].

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 14 februari 2014 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. A.J.M. Mohrmann, naar voren is gebracht.

Voorwaardelijke vordering tot getuigenverhoor

Bij pleidooi heeft de raadsman onder meer aangevoerd, dat de getuige [getuige] niet heeft kunnen zien dat, zoals hij heeft verklaard, het meisje bij de verdachte op schoot zat.

Bij repliek heeft de advocaat-generaal gevorderd dat, mocht het hof de raadsman in dit standpunt volgen, de behandeling van de zaak wordt heropend teneinde de getuige alsnog te horen.

Het hof overweegt het volgende.

De officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank gegeven vrijspraak. De zaak is ter beoordeling van het hof voorgelegd zonder dat van de zijde van het openbaar ministerie nader onderzoek is verricht en/of nadere stukken aan het dossier zijn toegevoegd. Het horen van de getuige brengt onvermijdelijk een aanhouding van de behandeling van de zaak met zich.

Verschillende belangen spelen bij de beslissing op de vordering van de advocaat-generaal een rol. Daarbij is te denken aan de noodzaak die de advocaat-generaal hecht aan het horen van de getuige, het belang van een voortvarende afdoening van de zaak en het belang van de organisatie van de rechtspraak. Voor de afweging van deze verschillende belangen is van belang, dat

  • -

    het betoog van de raadsman hetzelfde is als in eerste aanleg en dat voor het openbaar ministerie niet eerder dan bij repliek aanleiding tot nader onderzoek is geweest;

  • -

    verdachte op grond van de gerezen verdenking in deze zaak is ontslagen en

  • -

    de ouders van [slachtoffer] zich als benadeelde partij in deze zaak hebben gevoegd en ter terechtzitting zowel in eerste aanleg als in hoger beroep aanwezig zijn geweest.

Het belang van een voortvarende afdoening van de zaak weegt, gelet op de belangen van de ouders van [slachtoffer] en het belang van de verdachte die al sinds 4 juni 2012 onder de dreiging van de vervolging en veroordeling in deze zaak lijdt, zwaarder dan het belang van het openbaar ministerie. Daarbij wordt nog in aanmerking genomen, dat het op schoot zitten van [slachtoffer] bij verdachte niet de kern van het tenlastegelegde verwijt, maar slechts een omstandigheid is waaronder het feit zou zijn begaan.

De vordering van de advocaat-generaal zal dan ook wegens gebrek aan noodzaak worden afgewezen.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof is van oordeel dat de eerste rechter op juiste gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist. Daarom dient het vonnis waarvan beroep te worden bevestigd.

Gezien het vorenstaande zal het vonnis worden bevestigd.

BESLISSING

Het hof:

Wijst het verzoek tot nader onderzoek af.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep.

Aldus gewezen door

mr H. Abbink, voorzitter,

mr J.D. den Hartog en mr M.J. Stolwerk, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr A.C. Wormgoor, griffier,

en op 28 februari 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.