Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:1502

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25-02-2014
Datum publicatie
07-03-2014
Zaaknummer
13/00689
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2013:645, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Vertrouwensbeginsel. Opleidingskosten verkeersvlieger. Achterwaartse verrekening?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-0545
V-N Vandaag 2014/495
Belastingadvies 2014/8.3
V-N 2014/25.20.21
mr.drs. R. Steenman annotatie in NTFR 2014/1307

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem

nummer 13/00689

uitspraakdatum: 25 februari 2014

Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 16 mei 2013, nummer AWB 12/5968, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Randmeren/kantoor Apeldoorn (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

Aan belanghebbende is voor het jaar 2009 een aanslag in de inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil. Daarbij is bij beschikking een bedrag van niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek vastgesteld van € 85.427.

1.2

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar de aanslag en de beschikking gehandhaafd.

1.3

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 16 mei 2013 ongegrond verklaard.

1.4

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5

Tot de stukken van het geding behoort, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.6

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 januari 2014 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord mr. drs. [A], als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede mr. [B] en mr. [C] namens de Inspecteur.

1.7

De gemachtigde van belanghebbende heeft een pleitnota overgelegd.

1.8

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende is geboren op 18 januari 1982. In de jaren vóór 2009 heeft hij in dienstbetrekking gewerkt. Op 29 januari 2009 heeft belanghebbende een overeenkomst getekend met [D] B.V. voor het volgen van een opleiding tot verkeersvlieger. Blijkens de inleidende overwegingen van de opleidingsovereenkomst heeft belanghebbende met goed gevolg de selectieprocedure doorlopen en was hij voornemens een overeenkomst te sluiten met betrekking tot de voorwaarden, waaronder de opleiding zal worden gevolgd. Volgens de opleidingsovereenkomst is de aanvangsdatum van de opleiding 19 maart 2009. De kosten voor de opleiding bedragen € 118.000. In de opleidingsovereenkomst is voorts opgenomen dat de opleider inspanningen zal verrichten die erop gericht zijn de student toegang te verlenen tot een speciale regeling met de ABN AMRO bank ter financiering van het opleidingsprogramma (artikel A.5). In artikel G.10 van de opleidingsovereenkomst is het volgende vermeld:

“(…)

10. Indien Student na ondertekening van dit contract geen financiering kan afsluiten met de ABN-AMRO bank en niet in staat geacht mag worden om de opleiding zelf te betalen zal dit contract volledig vervallen.

(…) “

2.2

Belanghebbende heeft op 10 februari 2009 een brief aan de inspecteur te Haarlem – onder wiens eenheid hij toen ressorteerde – gestuurd, waarin hij, voor zover van belang, het volgende heeft vermeld:

“(…)

Naar aanleiding van een gesprek met een van uw collega’s van de Belastingtelefoon schrijf ik u deze brief.

Op 19 maart 2009 ga ik beginnen met een opleiding tot verkeersvlieger.

Deze opleiding zal 16 tot 18 maanden duren en vindt gedeeltelijk plaats in Groot-Brittanie, Amerika en Nederland.

De opleiding is particulier en de totale opleidingskosten bedragen EUR 118.000 waarvan EUR 103.950 daadwerkelijk syllabus kosten bedragen en EUR 14.050 is gereserveerd voor accomodatie en maaltijden. Om deze kosten te kunnen opbrengen zal ik een lening afsluiten bij de ABN AMRO bank, groot EUR 118.000.

Uw collega’s informeerden mij over eventuele mogelijke aftrekbaarheid van de opleidingskosten. Aangezien ik sinds 2005 reeds een vaste baan heb zou ik graag willen weten of het mogelijk zou zijn om met terugwerkende kracht belasting af te trekken.

Graag zou ik willen weten hoe de procedure van belastingteruggaaf m.b.t. mijn vliegopleiding in zijn werk gaat. Ik zou u dankbaar zijn voor een antwoord.

(…)”

2.3

Bij brief van 12 februari 2009 heeft ABN AMRO bank aan belanghebbende naar aanleiding van diens aanvraag voor een financieringsarrangement voor de opleiding tot verkeersvlieger een kredietovereenkomst toegezonden, waarbij het aanbod van de bank geldig was tot 26 februari 2009. Belanghebbende heeft de kredietovereenkomst op 24 februari 2009 getekend.

2.4

De inspecteur van de Belastingdienst/Holland-Midden/kantoor Haarlem heeft belanghebbende bij brief van 25 februari 2009 geantwoord met betrekking tot diens vragen in de brief van 10 februari 2009. Hierin is, voor zover van belang, het volgende vermeld:

“(…)

In uw brief van 10 februari vroeg u naar de mogelijkheden van de aftrek van uw studiekosten.

In het jaar dat u de kosten maakt kunt u de kosten aftrekken, omdat u in 2009 begint kunt u deze kosten in de aangifte van 2009 aftrekken.

Er is geen maximum bedrag voor de kosten van de scholingsuitgaven.

Uw verlies uit box 1 wordt eerst verrekend met de positieve belastbare inkomens uit box 1 uit de drie voorgaande jaren (carry back). Daarna volgt verrekening met de positieve belastbare inkomens uit box 1 uit de 9 volgende jaren (carry forward).

(…)”

2.5

In het jaar 2009 heeft belanghebbende ter zake van de opleiding tot verkeersvlieger een bedrag van € 95.500 betaald. De eerste betaling van € 40.000 is geschied op 1 maart 2009.

2.6

Een adviseur heeft op 24 augustus 2010 namens belanghebbende aangifte IB/PVV 2009 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil. In de aangifte zijn de kosten van de opleiding als persoonsgebonden aftrek (‘34 Studiekosten en andere scholingsuitgaven’) opgevoerd voor een bedrag van € 103.950 (na drempel scholingsuitgaven van € 500 resteert € 103.450).

2.7

Belanghebbende heeft in oktober 2010 zijn opleiding tot verkeersvlieger met goed gevolg afgerond.

2.8

Bij het vaststellen van de aanslag IB/PVV 2009 heeft de Inspecteur de door belanghebbende gedane uitgaven voor de opleiding tot verkeersvlieger als tot de persoonsgebonden aftrek behorende scholingsuitgaven in aanmerking genomen voor een bedrag van € 9.573. Tevens is bij beschikking een restant aan persoonsgebonden aftrek vastgesteld op een bedrag van € 85.427 (= € 95.500 -/- drempel ad € 500 -/- € 9.573). Hiertegen heeft belanghebbende tijdig bezwaar gemaakt. Volgens belanghebbende dient het restant van de scholingsuitgaven als een verlies uit werk en woning in aanmerking te worden genomen.

2.9

Bij uitspraak op bezwaar van 18 oktober 2012 heeft de Inspecteur het bezwaar van belanghebbende afgewezen. Impliciet heeft de Inspecteur het verlies uit werk en woning van belanghebbende in 2009 vastgesteld op nihil. Het hiertegen ingestelde beroep is door de Rechtbank ongegrond verklaard.

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In hoger beroep is in geschil of de Inspecteur terecht heeft geweigerd het restant van de scholingsuitgaven van € 85.427 als een – verrekenbaar – verlies uit werk en woning als bedoeld in artikel 3.151, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet IB 2001) vast te stellen. Meer in het bijzonder is in geschil of de Inspecteur te dezen het in rechte te beschermen vertrouwen heeft gewekt dat het restant van de scholingsuitgaven door belanghebbende als een verlies uit werk en woning in aanmerking kan worden genomen. Belanghebbende beantwoordt de eerste vraag ontkennend en de tweede bevestigend. De Inspecteur beantwoordt de vragen in tegengestelde zin.

3.2

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hij recht heeft op een beschikking als bedoeld in artikel 3.151, eerste lid, van de Wet IB 2001. Belanghebbende voert daartoe aan dat het antwoord van de Inspecteur opgenomen in de brief van 25 februari 2009 moet worden aangemerkt als een toezegging. Belanghebbende heeft zijn concrete situatie immers eerst telefonisch met een medewerker van de Belastingtelefoon besproken en vervolgens de situatie in een vragenbrief voorgelegd aan de Inspecteur. Voor zover er al sprake is van een algemene toelichting, zoals de Inspecteur verdedigt, is belanghebbende van mening dat wordt voldaan aan het dispositievereiste, omdat zijns inziens sprake is van een causaal verband tussen de inlichtingen van de Inspecteur en de door hem gekozen opleidingsvorm en hij hierdoor schade heeft geleden.

3.3

De Inspecteur heeft daartegenover gesteld dat hij terecht een beschikking als bedoeld in artikel 3.151, eerste lid, van de Wet IB 2001 heeft geweigerd. De Inspecteur is de mening toegedaan dat de brief van 25 februari 2009 geen toezegging behelst doch moet worden aangemerkt als het verstrekken van algemene voorlichting. De Inspecteur stelt voorts dat belanghebbende niet is geslaagd in de op hem rustende bewijslast aannemelijk te maken dat wordt voldaan aan de voorwaarden van het dispositievereiste.

3.4

Beide partijen hebben voor hun standpunten aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het proces-verbaal van de zitting.

3.5

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak van de Inspecteur voor zover deze betrekking heeft op de beschikking waarin de niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek is vastgesteld en tot vernietiging van vorenbedoelde beschikking. Belanghebbende verzoekt het Hof de Inspecteur te gelasten tot het bij beschikking vaststellen van een te verrekenen verlies uit werk en woning van € 85.427 als bedoeld in artikel 3.151, eerste lid, van de Wet IB 2001. Voorts verzoekt belanghebbende tot veroordeling van de Inspecteur in de door belanghebbende gemaakte proceskosten.

3.6

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

4.1

Uit artikel 6.1, eerste lid, onderdelen a, b en f, van de Wet IB 2001 (tekst 2009) vloeit voort dat scholingsuitgaven tot de zogenoemde persoonsgebonden aftrekposten moeten worden gerekend. Het gezamenlijk bedrag van de in het kalenderjaar op de belastingplichtige drukkende persoonsgebonden aftrekposten alsmede het gedeelte van de persoonsgebonden aftrekposten van voorgaande jaren dat niet eerder in aanmerking is genomen, vormen de zogenoemde persoonsgebonden aftrek. Ingevolge artikel 6.2, eerste lid, van de Wet IB 2001 vermindert de persoonsgebonden aftrek het inkomen uit werk en woning van het kalenderjaar, maar niet verder dan tot nihil. Artikel 6.2a, eerste lid, van de Wet IB 2001 bepaalt dat de inspecteur het bedrag van de op enig tijdstip niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek vaststelt bij voor bezwaar vatbare beschikking.

4.2

Daarnaast is in artikel 3.148, eerste lid, van de Wet IB 2001 bepaald dat indien de berekening van het inkomen uit werk en woning leidt tot een negatief bedrag dit wordt aangemerkt als verlies uit werk en woning. Ingevolge artikel 3.150, eerste lid, juncto artikel 3.151, eerste lid, van de Wet IB 2001 wordt het bij voor bezwaar vatbare beschikking vastgestelde verlies uit werk en woning verrekend met de inkomens uit werk en woning van de drie voorafgaande kalenderjaren (de zogenoemde achterwaartse verliesverrekening, ook wel carry back genoemd) en de negen volgende kalenderjaren (de zogenoemde voorwaartse verliesverrekening, ook wel carry forward genoemd).

4.3

Niet in geschil is dat de onderhavige uitgaven op grond van een juiste wetstoepassing als tot de persoonsgebonden aftrek behorende scholingsuitgaven moeten worden aangemerkt die niet achterwaarts kunnen worden verrekend. Met een beroep op het vertrouwensbeginsel verdedigt belanghebbende evenwel dat de scholingsuitgaven in het onderwerpelijke geval niettemin dienen te worden gerekend tot het in artikel 3.148, eerste lid, van de Wet IB 2001 bedoelde verlies uit werk en woning, zodat die uitgaven achterwaarts kunnen worden verrekend. De Inspecteur bestrijdt dat te dezen een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel kan worden gedaan.

4.4

Dienaangaande is het volgende van belang. In het arrest van 26 september 1979, nr. 19250, ECLI:NL:HR:1979:AM4918 heeft de Hoge Raad het volgende overwogen:

“(…)

dat uit een en ander volgt dat zich te dezen de vraag voordoet of strikte toepassing van de wet in die mate in strijd komt met het beginsel dat de administratie verwachtingen honoreert, welke zij bij een belanghebbende ten aanzien van een door haar te volgen gedragslijn heeft gewekt en waarop deze zich in redelijkheid tegenover haar mag beroepen, dat die toepassing achterwege dient te blijven;

dat deze vraag moet worden beantwoord door afweging van het beginsel, dat de wet moet worden toegepast, tegen evenbedoeld algemeen beginsel van behoorlijk bestuur;

dat bij die afweging voorop dient te worden gesteld dat de fiscus niet gebonden kan worden geacht aan alle zijnerzijds gedane uitlatingen waardoor bij een belastingplichtige verwachtingen zijn gewekt ten aanzien van een door de fiscus te volgen gedragslijn;

dat met name indien het gaat om reacties op een verzoek van een belastingplichtige om inlichtingen aangaande de inhoud van wettelijke, dan wel andere door de fiscus in acht te nemen algemene regels, het belang dat de belastingplichtigen erbij hebben dat de fiscus zijn voorlichtende taak onbelemmerd kan vervullen ertoe noopt te aanvaarden dat het risico van een onjuiste inlichting in de regel voor rekening van de betrokken belastingplichtige blijft;

dat bijzondere omstandigheden aanleiding kunnen geven van deze regel af te wijken en de fiscus aan dergelijke inlichtingen wel gebonden te achten, maar daartoe ten minste vereist zal zijn, vooreerst dat die inlichtingen niet zo duidelijk in strijd zijn met een juiste wetstoepassing dat de betrokken belastingplichtige redelijkerwijs hun onjuistheid had kunnen en moeten beseffen, en voorts dat hij, afgaande op die onjuiste inlichtingen, een handeling heeft verricht of nagelaten, ten gevolge waarvan hij niet alleen de wettelijk verschuldigde belasting heeft te betalen, maar daarenboven schade lijdt;

dat indien het daarentegen gaat om als toezeggingen op te vatten uitlatingen van de zijde van de fiscus, waaraan een belastingplichtige het vertrouwen heeft mogen ontlenen dat de fiscus, na kennisneming van alle daartoe vereiste bijzonderheden van de belastingplichtige zelf betreffende geval, aan vorenbedoelde regels, zo omtrent de toepasselijkheid of de toepassing daarvan vragen zijn gerezen, in zijn geval een bepaalde toepassing zal geven, bij een afweging als voormeld aan het voornoemde beginsel van behoorlijk bestuur doorslaggevende betekenis moet worden toegekend;

dat daarbij wel het voorbehoud moet worden gemaakt dat de door de belastingplichtige aan de fiscus verschafte, voor diens toezegging relevante gegevens juist zijn, en dat de gedane toezegging niet zo duidelijk in strijd is met een juiste wetstoepassing dat de belastingplichtige op nakoming van die toezegging in redelijkheid niet mocht rekenen;

(…)”

4.5

De uitlatingen in de brief van 25 februari 2009 van de destijds ten aanzien van belanghebbende bevoegde inspecteur te Haarlem kunnen naar het oordeel van het Hof redelijkerwijs – zeker vanuit het perspectief van belanghebbende – niet anders worden geduid dan dat die inspecteur ermee akkoord ging dat de scholingsuitgaven van belanghebbende konden worden verrekend met diens belastbare inkomens uit voorgaande jaren. Er is met andere woorden sprake van een toezegging door die inspecteur. De brief van belanghebbende van 10 februari 2009 bevatte immers concrete, en overigens ook juiste, informatie over diens voornemen om een opleiding tot verkeersvlieger te volgen, over de specifieke kosten die hieraan zijn verbonden en over de wijze van financiering door belanghebbende van die kosten. Belanghebbende heeft in die brief vervolgens een concrete vraag gesteld met betrekking tot de aftrekbaarheid van die kosten. De vraag van belanghebbende omtrent de procedure van belastingteruggaaf met terugwerkende kracht kan, anders dan de Inspecteur verdedigt, naar het oordeel van het Hof redelijkerwijs niet anders worden gelezen dan in het licht van belanghebbendes verzoek omtrent de aftrekbaarheid van vorenbedoelde studiekosten. Belanghebbende heeft aldus een concreet op zijn geval van toepassing zijnde situatie met bijbehorende specifieke vragen voorgelegd aan de destijds bevoegde inspecteur. De naar aanleiding van deze brief door de inspecteur te Haarlem gegeven antwoorden zijn niet in algemene bewoordingen geformuleerd. Integendeel. De antwoorden gaan specifiek in op de in belanghebbendes geval van toepassing zijnde feiten en omstandigheden. In de brief wordt immers gerept over ‘uw brief van 10 februari’, ‘aftrek van uw studiekosten’, ‘omdat u in 2009 begint kunt u deze kosten in de aangifte van 2009 aftrekken’ en over ‘uw verlies in box 1’ en de daarmee verband houdende verliesverrekeningsmogelijkheden. Gelet op de specifieke vragen die belanghebbende aan de inspecteur te Haarlem heeft gesteld en gelet op diens specifieke antwoorden daarop, is naar het oordeel van het Hof sprake van een toezegging van de inspecteur te Haarlem over de wijze waarop hij belanghebbendes concrete situatie fiscaal zal behandelen.

4.6

In beginsel is de Inspecteur aan de toezegging van zijn ambtgenoot te Haarlem gebonden, tenzij belanghebbende weet of behoorde te begrijpen dat de toezegging niet overeenstemde met het werkelijke standpunt van de Inspecteur, dan wel dat de toezegging zo duidelijk in strijd is met een juiste wetstoepassing dat belanghebbende in redelijkheid niet erop mag rekenen dat de Inspecteur zich aan de toezegging zal houden.

4.7

Aannemelijk is dat belanghebbende niet wist en ook niet had behoren te begrijpen dat de toezegging van de inspecteur te Haarlem niet zou overeenstemmen met diens werkelijke standpunt. De stellingen van de Inspecteur dat het antwoord in de brief van 25 februari 2009 afkomstig is van een medewerker van de klantendienst van de Belastingdienst en dat dergelijke gedane uitlatingen hem niet binden, kunnen naar het oordeel van het Hof niet slagen. De enkele vermelding op het briefpapier van de Belastingdienst dat de brief afkomstig zou zijn van de klantendienst, neemt immers niet weg dat de brief is ondertekend namens de destijds ten aanzien van belanghebbende bevoegde inspecteur. Gelet op de omstandigheid dat belanghebbende zijn brief van 10 februari 2009 heeft gericht aan deze inspecteur om de specifiek op zijn situatie gerichte vragen te stellen, en die inspecteur blijkens de ondertekening van de brief vervolgens daarop heeft geantwoord, mocht belanghebbende naar het oordeel van het Hof uit de brief van 25 februari 2009 in redelijkheid opmaken dat hetgeen in die brief is gesteld, afkomstig was van de inspecteur en dat de inhoud van de brief overeenstemde met het werkelijke standpunt dat de inspecteur te dezen innam.

4.8

Voor de beantwoording van de vraag of de door de inspecteur te Haarlem gedane toezegging al dan niet zo duidelijk in strijd is met een juiste wetstoepassing dat belanghebbende op nakoming van deze toezegging in redelijkheid niet mocht rekenen, dient naar het oordeel van het Hof te worden uitgegaan van hetgeen een redelijk oordelend belastingplichtige, naar objectieve maatstaven beoordeeld, te dezen mocht begrijpen. Zoals in onderdeel 4.1 is overwogen, voorziet de inkomstenbelastingwetgeving erin dat de persoonsgebonden aftrek over de jaargrens wordt verrekend, zij het alleen voorwaarts. Naar het oordeel van het Hof is het voor een – zoals in het onderhavige geval – op fiscaal juridisch terrein als leek te beschouwen belastingplichtige, naar objectieve maatstaven beoordeeld, niet evident dat de in een kalenderjaar niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek alleen voorwaarts en niet ook achterwaarts kan worden verrekend. Dat de niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek niet onder het begrip ‘verlies’ als bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van de Wet IB 2001 valt, laat staan dat er verschillende wijzen van behandeling bestaan in de verrekening van een niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek en verlies uit werk en woning, is naar het oordeel van het Hof evenmin duidelijk voor een op fiscaal juridisch terrein als leek te beschouwen belastingplichtige. Gelet hierop, kan niet worden gezegd dat het verschil in het systeem van verrekenen van persoonsgebonden aftrekken en verliezen in die mate kenbaar was dat een redelijk oordelend belastingplichtige zich in een geval als hier van de onjuistheid van de wetstoepassing bewust had moeten dan wel had kunnen zijn. Er is met andere woorden wel sprake van een met de wet strijdige toezegging, maar niet van een ‘zo duidelijke’ met de wet strijdige toezegging dat op nakoming van de toezegging in redelijkheid niet mocht worden gerekend. Belanghebbende kan zich dan ook met vrucht beroepen op nakoming van de door de inspecteur te Haarlem gedane toezegging.

Slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5 Proceskosten

De proceskosten van belanghebbende zijn in overeenstemming met het Besluit proceskosten bestuursrecht te berekenen op

  • -

    1 punt  wegingsfactor 1  € 243  factor 1 voor samenhangende zaken = € 243 aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in bezwaar

  • -

    2 punten  wegingsfactor 1  € 487  factor 1 voor samenhangende zaken = € 974 aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beroep

  • -

    en op 2 punten  wegingsfactor 1  € 487  factor 1 voor samenhangende zaken = € 974 aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in hoger beroep, derhalve in totaal op € 2.191.

6 Beslissing

Het Hof:

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

– verklaart het tegen de uitspraak van de Inspecteur ingestelde beroep gegrond,

– vernietigt de uitspraak van de Inspecteur voor zover deze betrekking heeft op de beschikking waarin de niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek is vastgesteld,

– vernietigt die beschikking,

– stelt het verlies uit werk en woning vast € 85.427,

– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 2.191, en

– gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 42 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 118 in verband met het hoger beroep bij het Hof.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. den Ouden, voorzitter, mr. A.J. Kromhout en mr. J.B.H. Röben, in tegenwoordigheid van mr. C.E. te Brake als griffier.

De beslissing is op 25 februari 2014 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(C.E. te Brake)

(R. den Ouden)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 26 februari 2014

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.