Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:1476

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25-02-2014
Datum publicatie
12-03-2014
Zaaknummer
200.032.835-01 25-2-2014
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontzegging recht op een verdeling van de zorg- en opvoedtaken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Beschikking d.d. 25 februari 2014

Zaaknummer 200.032.835

HET GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

Locatie Leeuwarden

Beschikking in de zaak van

[de moeder],

wonende te [woonplaats 1],

appellante in het principaal appel,

geïntimeerde in het incidenteel appel,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. J.S. Bauer, kantoorhoudende te Leeuwarden,

tegen

[de vader],

wonende te [woonplaats 2],

geïntimeerde in het principaal appel,

appellant in het incidenteel appel,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. C.L. Verhoeven, kantoorhoudende te Alkmaar,

Belanghebbende:

Bureau Jeugdzorg Overijssel,

gevestigd te Zwolle,

hierna te noemen: BJZ.

De inhoud van de tussenbeschikking van 4 juli 2013 wordt hier overgenomen. De thans te geven beschikking wordt gegeven door het hof in deels een andere samenstelling. De reden daarvan is dat het zittingsrooster niet toeliet dat de zaak door dezelfde samenstelling van het hof verder werd behandeld als die de tussenbeschikking heeft gegeven.

Het verdere procesverloop

Na voormelde tussenbeschikking zijn op de griffie van het hof de volgende stukken binnengekomen:

- een brief van 20 september 2013 met bijlage van mr. Verhoeven;

- een brief van 9 oktober 2013 met bijlagen van BJZ;

- een journaalbericht van 24 oktober 2013 met bijlagen van mr. Bauer;

- een brief van 5 december 2013 met bijlagen van mr. Bauer;

- een brief van 15 januari 2014 van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad), waarin de raad heeft aangegeven niet ter zitting aanwezig te zullen zijn.

Ter zitting van 20 januari 2014 is de zaak opnieuw behandeld. Verschenen zijn de moeder, bijgestaan door mr. Bauer en de vader, bijgestaan door mr. A.K. Oostlander-Vos (kantoorgenote van mr. Verhoeven), en mevrouw Y.M. de Wilde en mevrouw E. Hörömpö namens BJZ.

De verdere beoordeling

Inleiding

1.

In de tussenbeschikking van 4 juli 2013 heeft het hof de zaak opnieuw aangehouden omdat tijdens de zitting bleek dat er inmiddels een hulpverleningstraject via de GGZ voor [het kind] was opgestart en dat hij in dat kader spel- en EMDR-therapie volgde, maar informatie daarover was niet voorhanden. Hierdoor was er nog immer onvoldoende zicht op a) de oorzaken van het gedrag van [het kind] in het kader van de omgang met zijn moeder b) een mogelijke oplossing van deze gedragsproblematiek en c) de noodzaak van begeleiding van (één van de) ouders. Het hof heeft de vader opgedragen om het hof te berichten over de bevindingen van de deskundige van de GGZ ten aanzien van de hiervoor genoemde vragen. Daarnaast heeft het hof voor de duur van de aanhouding als voorlopige zorgregeling tussen de moeder en [het kind] bepaald: één keer per maand op zaterdag van 11.00 uur tot 19.00 uur.

De overwegingen van het hof

2.

Uit de nadien bij het hof binnengekomen stukken blijkt het navolgende.

3.

[het kind] zit al jarenlang klem tussen zijn ouders en lijdt daar erg onder. Hij lijkt steeds meer te verharden in zijn gedrag waarbij hij zijn moeder afwijst. De GGZ heeft geconstateerd dat bij [het kind] angst bestaat voor zijn moeder en daardoor zijn moeder niet wil zien. De oorzaak van het ontstaan van de angst is onduidelijk, maar volgens de GGZ hebben de conflicten en het gebrek aan vertrouwen tussen de ouders zeker een bijdrage geleverd aan toename van die angst. Voorts is gebleken dat [het kind] moeite heeft om zijn emoties te uiten en een vermijdende coping toepast. Om de angst van [het kind] (en de herinneringen zoals die in zijn hoofd zitten) te verminderen, is EMDR-therapie ingezet. Daarnaast acht de GGZ het van belang om te zorgen dat [het kind] veiligheid in het contact met zijn moeder gaat ervaren. Mogelijk zou het helpen om [het kind] daarin ook enige regie te geven, omdat gebleken is dat hij daar veiligheid aan ontleent. Ook heeft de GGZ als behandeloptie gegeven dat de ouders een gezamenlijk verhaal van eerdere gebeurtenissen uit zijn leven beschrijven en dit aan [het kind] voorlezen. Daarvoor is echter wel vereist dat de ouders dan in staat zijn om samen te werken. De GGZ heeft tot slot nog aangegeven dat zij ouders altijd ouderbegeleiding bieden als hun kind in therapie is. Onderdeel daarvan is bijvoorbeeld dat de ouders moeten leren om [het kind] de boodschap te geven dat hij met zowel zijn vader als moeder contact mag hebben.

4.

BJZ heeft naar voren gebracht dat inmiddels Intensieve Orthopedagogische Gezinsbegeleiding is ingeschakeld en dat een neutraal persoon de contacten tussen [het kind] en zijn moeder kan begeleiden. Het maken van een gezamenlijk verhaal door de ouders acht BJZ ook helpend in de therapie aan [het kind], echter het ontbreken van vertrouwen tussen de ouders onderling belemmert dit. Volgens BJZ heeft er sinds de beschikking van het hof van 4 juli 2013 uiteindelijk maar één keer begeleid contact tussen moeder en [het kind] plaatsgevonden, namelijk op 13 augustus 2013. Hierna heeft de vader aangegeven dat [het kind] daar zodanig last van had dat hij rust nodig heeft. De gezinsvoogd achtte het -hoewel zij het verloop van het omgangsmoment zelf en de houding van de ouders juist als zeer positief had ervaren- naar aanleiding van de (latere) reactie van [het kind] bezwaarlijk om de contacten voort te zetten. De GGZ heeft overigens aangegeven, daarnaar gevraagd door de gezinsvoogd, dat zij daarin geen reden zagen om het contact met de moeder te verbreken.

5.

Volgens de moeder bestaan er twee opties voor het gedrag van [het kind]. Voor de eerste optie, dat er sprake zou zijn van terechte angst van [het kind] voor haar omdat zij hem zou mishandelen, is in al die jaren geen ondersteuning gevonden. Ten aanzien van de tweede optie, dat de angst voor haar onterecht zou zijn, kan er sprake zijn van òf eigen problematiek van [het kind], hetgeen niet aan de orde lijkt te zijn, òf angsten en beschuldigingen die te maken hebben met de relatie tussen de ouders, hetgeen wel aan de orde lijkt te zijn. Zij stelt dat het gezien de frequentie, ernst en heftigheid van de beschuldigingen van de vader en het feit dat [het kind] van hem afhankelijk is (namelijk vader is de verzorgende ouder), niet vreemd is dat [het kind] angsten jegens haar heeft ontwikkeld en beschuldigingen heeft overgenomen. Al eerder, te weten in 2010, is -zo stelt moeder- door een kinderpsycholoog geopperd dat sprake zou kunnen zijn van het Parental Alienation Syndrome (PAS). Zij is van mening dat de focus in plaats van op haar, vanaf nu op de vader moet komen te liggen. In plaats van dat zij zich terugtrekt, acht zij een strikt vastgelegde omgangsregeling noodzakelijk om te voorkomen dat de vader teveel ruimte heeft.

6.

De vader heeft betwist dat er sprake is van PAS. Hij stelt in het belang van [het kind] te hebben gehandeld door rust te creëren. Volgens vader gaat het niet om de schuldvraag, maar moeten de ouders tot samenwerking komen om zo de angst bij [het kind] weg te nemen. Volgens vader ligt de kern van het probleem niet bij [het kind], maar bij de ouders. Hij stelt bereid te zijn overal aan mee te werken. Zo is hij van mening dat het samen één verhaal vertellen aan [het kind] een goede stap in die richting is, echter doordat de moeder ineens aangaf de uithuisplaatsing van [het kind] aan te vragen is dit niet verder van de grond gekomen. Ook zou moeder een bij Yorneo gepland gesprek op 7 januari 2014 hebben afgezegd. De moeder laat daarmee geen consistent gedrag zien, aldus vader. Daarnaast heeft de moeder zowel aan vader als aan [het kind] niet laten weten dat zij ging verhuizen en ging trouwen. De moeder dient zich te realiseren dat dit dan voor [het kind] als een volslagen verrassing komt. De vader acht op dit moment een (strikte) omgangsregeling niet in het belang van [het kind] en hij is van mening dat [het kind] nu rust nodig heeft.

7.

Gelet op het voorgaande en de behandeling ter zitting overweegt het hof als volgt. Het werken aan de verbetering van de verstandhouding door de ouders heeft, ondanks alle hulpverlening, tot op heden onvoldoende vruchten afgeworpen. Er zijn periodes waarin het heel goed lijkt te gaan met de communicatie tussen de ouders, maar dan ineens kunnen zij weer in hun oude patronen schieten. Ook bij [het kind] is terug te zien dat het periodes goed gaat en dat hij tijdens contactmomenten met zijn moeder erg geniet, maar zich er later toch negatief over kan uitlaten. Inmiddels heeft [het kind] al meerdere keren zelf zijn hakken in het zand gezet en ook in de afgelopen periode is er opnieuw geen contact geweest tussen [het kind] en zijn moeder.

8.

De oplossing van de problemen dient naar het oordeel van het hof bij de ouders gezocht te worden. Het hof is ervan overtuigd dat zij wel steeds de intentie hebben om het op te lossen, maar zij lijken daarin onmachtig; het lijkt hen te ontbreken aan intrinsieke motivatie. Het is aan de ouders om hier zelf mee aan de slag te gaan; sterker nog, zij zijn dit verplicht aan [het kind].

9.

Op grond van al hetgeen nu en ook in eerdere tussenbeschikkingen is overwogen, stelt het hof vast dat er alleen nog maar slechte keuzes resteren. Onder die omstandigheden laat het hof het belang van [het kind], om een periode niet onder druk te staan, zwaarder wegen dan het belang van de moeder bij omgang met haar zoon, overeenkomstig het verzoek van de vader zoals gedaan bij brief van 23 december 2010. Mogelijk leidt dit uiteindelijk weer tot ruimte bij [het kind] om het contact met zijn moeder te herstellen. Dit betekent dat het hof op grond van artikel 1:253 a lid 1 jo. lid 2 BW, in het belang van [het kind], het recht van de moeder op een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tijdelijk zal opschorten. Het hof merkt hierbij op dat dit slechts een tijdelijke maatregel is en geen goede oplossing biedt voor het echte probleem. Het ligt op de weg van de vader en de moeder -sterker nog zij zijn het aan hun zoon verplicht- om deze periode van rust voor [het kind] verstandig te benutten door gezamenlijk als verantwoordelijke ouders nader tot elkaar te komen.

10.

Waar deze maatregel uit zijn aard tijdelijk is en niet te voorzien is of en wanneer de situatie zo zal zijn gewijzigd dat een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken weer aan de orde is, zal het hof geen termijn aan deze opschorting -die de vorm heeft van een ontzegging- verbinden.

Slotsom

11.

Op grond van het vorenstaande zal het hof beslissen als na te melden.

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de bestreden beschikking van de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Zwolle, van 5 februari 2009 voor zover het de daar bepaalde omgangsregeling betreft;

en opnieuw beslissende:

bepaalt dat aan de moeder het recht op een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken wordt ontzegd;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.D.S.L. Bosch, A.H. Garos en G.M. van der Meer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 25 februari 2014 in bijzijn van de griffier.