Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:1474

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25-02-2014
Datum publicatie
20-03-2014
Zaaknummer
200.123.330-03
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Incidenteel verzoek tot herroeping van de schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Beschikking d.d. 25 februari 2014

Zaaknummer 200.123.330/03

HET GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

Locatie Leeuwarden

Beschikking op de incidentele verzoeken in de zaak van

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in de incidentele verzoeken,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. H. Loonstein,

kantoorhoudende te Amsterdam,

tegen

[de man],

wonende te [woonplaats],

verweerder in de incidentele verzoeken,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. P. Rietberg,

kantoorhoudende te Groningen.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 18 december 2012 (met zaaknummer 105909/ FA RK 08-2624) heeft de rechtbank Groningen beslissingen gegeven met betrekking tot de afwikkeling van de tussen partijen overeengekomen huwelijkse voorwaarden en deze uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 13 maart 2013, heeft de man verzocht de beschikking van 18 december 2012 te vernietigen met betrekking tot de verdeling van de beperkte huwelijksgoederengemeenschap en opnieuw te beslissen zoals in het petitum van dat beroepschrift is weergegeven, welk petitum voor zover nodig als hier herhaald geldt.

Op 23 april 2013 is ter griffie binnengekomen een stuk van de kant van de man, getiteld "Conclusie inzake aanvulling Grieven Op grond van nieuwe feiten en omstandigheden alsmede wijziging c.q. aanvulling van Eis".

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 7 juni 2013, heeft de vrouw geconcludeerd dat het hof de man niet-ontvankelijk zal verklaren, althans de grieven in principaal hoger beroep ongegrond zal verklaren.

Bij genoemd verweerschrift heeft de vrouw tevens incidenteel beroep ingesteld en verzocht de beschikking van 18 december 2012 te vernietigen en opnieuw recht te doen conform hetgeen is aangevoerd in de grieven in het incidenteel hoger beroep, met veroordeling van de man in de proceskosten.

Het hof heeft op 2 mei 2013 bij beschikking het incidentele verzoek van de man tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van de beroepen beschikking toegewezen.

De man heeft op 5 augustus 2013 een verweerschrift in het incidenteel appel ingediend, waarin hij verzoekt de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren dan wel haar verzoeken in haar incidenteel appel ongegrond te verklaren.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken waaronder een journaalbericht van mr. Loonstein van 14 november 2013 met bijlagen.

De incidentele verzoeken

Bij incidenteel verzoekschrift, binnengekomen bij de griffie op 13 november 2013, heeft de vrouw het hof verzocht te bepalen dat de beschikking in prima van 18 december 2012 (weer) uitvoerbaar bij voorraad is en/of de beschikking van 2 mei 2013 wordt geschorst, althans dat het hof de man veroordeelt om aan de vrouw te betalen ter zake van goodwill € 210.000,-, althans het restant daarvan, althans en in ieder geval de achterstand tot en met november 2013, zijnde € 27.500,-, met veroordeling van de man om gedurende de eerste 48 maanden maandelijks aan de vrouw € 2.500,- te betalen en vervolgens gedurende 30 maanden telkens € 3.000,-, kosten rechtens.

Bij aanvullend incidenteel verzoekschrift, binnengekomen bij de griffie op 21 november 2013, heeft de vrouw het hof verzocht te bepalen dat de man dient over te gaan tot afgifte aan de advocaat van de vrouw van de in dat verzoekschrift aangeduide stukken, dan wel kopieën daarvan, alles binnen 5 dagen na betekening van de ten deze te geven beschikking, zulks op straffe van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag of gedeelte daarvan, dat de man in strijd met de ten deze te geven beschikking handelt, kosten rechtens.

De man heeft op 27 november 2013 een verweerschrift tegen de incidentele verzoeken van de vrouw ingediend en verzocht haar daarin niet ontvankelijk te verklaren dan wel de verzoeken ongegrond te verklaren c.q. af te wijzen.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een journaalbericht van mr. Loonstein van 28 november 2013.

Ter zitting van 2 december 2013 zijn de incidentele verzoeken, gelijktijdig met de hoofdzaak, ter zitting behandeld. Verschenen zijn partijen met hun advocaten. Beide advocaten hebben het woord gevoerd mede aan de hand van een pleitnota; deze nota's bevinden zich bij de stukken.

De beoordeling van de incidentele verzoeken

1.

Bij journaalbericht van 28 november 2013 heeft de vrouw verzocht de bij het verweerschrift in het incident overgelegde producties buiten beschouwing te laten, dan wel de zitting uit te stellen, omdat mr. Loonstein niet in staat was om de nieuwe stukken met de vrouw te bestuderen. Het hof heeft dit verzoek op dezelfde dag telefonisch afgewezen en deze beslissing ter zitting herhaald. De vrouw heeft daarop verder niet meer gereageerd.

2.

Het eerste incidentele verzoek van de vrouw betreft de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de beroepen eindbeschikking, althans het treffen van een voorlopige voorziening waardoor de door de vrouw gestelde financiële noodsituatie wordt opgeheven.

3.

Het hof is allereerst van oordeel dat de uitvoerbaarheid bij voorraad van de beroepen eindbeschikking door het hof bij beschikking van 2 mei 2013 op goede gronden is geschorst.

4.

De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat zich na de beschikking van 2 mei 2013 ingrijpende wijzigingen in de omstandigheden hebben voorgedaan, waardoor er niet meer voldoende grond bestaat voor schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van de beschikking waarvan beroep. De vrouw stelt daartoe dat zij zonder inkomsten zit en dat de man de exploitatie van het hotel "[het hotel]" kan voortzetten en daarmee inkomen kan genereren en genereert.

5.

Het hof is van oordeel dat een beslissing tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad niet ongedaan gemaakt kan worden op de grond dat de redenen daartoe zijn komen te vervallen. Door de beslissing tot schorsing ontstaat een nieuwe situatie die vervolgens, bij een nieuw verzoek tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad, weer moet worden beoordeeld naar de omstandigheden zoals die bestaan op het moment dat op dat nieuwe verzoek wordt beslist. Het hof beoordeelt het verzoek thans daarom volgens de normen die gelden voor een verzoek op grond van artikel 360 lid 2 eerste volzin Rv., hetgeen meebrengt dat de vrouw belang moet hebben bij de door haar verlangde uitvoerbaarverklaring bij voorraad, dat bij de in het licht van de omstandigheden van het geval te verrichten afweging van de belangen van partijen moet worden nagegaan of het belang van degene die de veroordeling verkreeg, zwaarder weegt dan dat van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand tot op het rechtsmiddel is beslist en dat bij deze belangenafweging de kans van slagen van het aangewende rechtsmiddel in de regel buiten beschouwing moet blijven (zulks naar analogie van HR 30 mei 2008, LJN BC5012). Dat de vrouw een belang heeft bij uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de beroepen beslissing ligt voor de hand, nu zij alsdan van de man betaling kan eisen van hetgeen haar bij die beschikking is toegewezen, maar het hof kan op grond van hetgeen de vrouw in dit kader heeft aangevoerd niet vaststellen dat de belangen van de vrouw thans zwaarder moeten wegen dan die van de man. De vrouw heeft slechts in algemene termen gesteld dat zij zonder inkomen zit en de man niet, hetgeen voor het maken van die afweging onvoldoende is, zodat geen wijziging in de thans bestaande situatie dient te worden gebracht. Het hof merkt terzijde nog op dat de vrouw zich mede beroept op een kort geding-vonnis van 9 oktober 2013, waaruit naar haar zeggen volgt dat de man de exploitatie van "[het hotel]" (ofwel "[het hotel]") kan voortzetten, tegen welk vonnis naar de vrouw stelt geen hoger beroep is ingesteld; de man heeft dat betwist en het is het hof ambtshalve bekend dat dat laatste inderdaad niet juist is, nu onder zaaknummer 200.114.115 bij het hof deze zaak op de rol staat voor grieven. Het eerste incidentele verzoek van de vrouw dient dus te worden afgewezen.

6.

Het tweede incidentele verzoek van de vrouw betreft - kort gezegd - de exhibitieplicht van de man.

7.

Het hof stelt vast dat de vrouw een gelijk verzoek betreffende dezelfde stukken (op één stuk na) gedaan heeft in de procedure in eerste aanleg, en dat de rechtbank dit verzoek bij beschikking van 27 september 2011 heeft afgewezen omdat de vrouw niet had betwist dat de man de gevraagde stukken reeds had overgelegd.

8.

Naar het oordeel van het hof had de vrouw tegen de afwijzende beschikking van de rechtbank op dit punt hoger beroep dienen in te stellen indien zij dit punt opnieuw bij het hof aan de orde wilde stellen. Dat heeft zij niet gedaan. Daarnaast heeft de vrouw ook thans niet ontkend dat de man de gevraagde stukken reeds heeft overgelegd, zodat niet aannemelijk is geworden dat zij enig belang bij dit verzoek heeft - voor zover zij daarin al zou kunnen worden ontvangen. Volledigheidshalve stelt het hof nog vast dat het verzoek aan de rechtbank één stuk meer omvatte dan het onderhavige verzoek aan het hof.

De conclusie moet luiden dat ook dit incidentele verzoek zal worden afgewezen.

De beslissing

Het gerechtshof:

wijst beide incidentele verzoeken van de vrouw af.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.D.S.L. Bosch, mr. J.G. Idsardi en mr. D.J. Buijs en uitgesproken ter openbare zitting van 25 februari 2014 in het bijzijn van de griffier.