Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:1416

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25-02-2014
Datum publicatie
07-03-2014
Zaaknummer
200.093.523
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolg van ECLI:NL:GHARL:2013:8146. Eindarrest nadat verpachter van bewijslevering had afgezien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

Locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.093.523

(zaaknummer rechtbank Alkmaar, locatie Hoorn, 358157)

arrest van de pachtkamer van 25 februari 2014

inzake

de vennootschap onder firma [appellante],

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante,

hierna: [appellant] (in mannelijk enkelvoud),

advocaat: mr. J.A. van den Berg,

tegen:

1 de maatschap naar burgerlijk recht [geïntimeerde sub 1],

gevestigd te [vestigingsplaats],

en haar vennoten:

2. [geïntimeere sub 2],

wonende te [woonplaats],

3. [geïntimeerde sub 3],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerden,

hierna: [geïntimeerde] (in mannelijk enkelvoud),

advocaat: mr. K. Aantjes.

1 Het verloop van het geding

1.1

Voor het verloop van het geding tot aan de arresten van 18 oktober 2011 en 29 oktober 2013 verwijst het hof naar die arresten.

1.2

Het vervolg van de procedure blijkt uit:

■ de aantekening op de rol van 18 december 2013 waarbij aan de zijde van [geïntimeerde] een getuigenverhoor is bepaald op 20 januari 2014;

■ de brief van mr. J.L.J. van Apeldoorn, kantoorgenoot van mr. Aantjes, van 13 januari 2014;

■ de brief van mr. Van den Berg van 16 januari 2014.

1.3

Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.

2 Voortgezette motivering van de beslissing in hoger beroep

2.1

Het hof roept in herinnering dat het bij het arrest van 29 oktober 2013 heeft voorop gesteld dat de omstandigheid dat land voor de teelt van bloembollen is verpacht op zichzelf nog niet betekent dat de verpachter aansprakelijk is indien de pachtgrond voor die teelt niet geschikt blijkt, omdat het bij uitstek de bloembollenteler die de deskundigheid bezit om te kunnen beoordelen of de aan hem aangeboden grond voor de door hem voorgenomen teelt geschikt is (zie rechtsoverweging 3.4). Vervolgens heeft het hof geoordeeld dat in het onderhavige geval [appellant], gelet op stellige, concrete en zonder voorbehoud gedane mededelingen van [geïntimeerde], ervan mocht uitgaan dat de drainage in orde was en dat hij geen problemen met de afwatering van het perceel behoefde te verwachten, afgezien van uitzonderlijke weersomstandigheden (zie rechtsoverweging 3.5). Verder heeft het hof geoordeeld dat voorshands is bewezen dat het niet functioneren van de drainage de oorzaak van de schade is geweest. Het hof heeft [geïntimeerde] op dit punt tot tegenbewijs toegelaten (zie rechtsoverweging 3.6). Het hof heeft [geïntimeerde] bovendien toegelaten tot het bewijs van de feitelijke grondslag van zijn beroep op overmacht, namelijk dat hij bij gelegenheid van het aangaan van de pachtovereenkomst geen aanleiding had om de goede werking van de drainage te betwijfelen (zie rechtsoverweging 3.9).

2.2

[geïntimeerde] heeft laten weten af te zien van het (inmiddels bepaalde) getuigenverhoor en verzocht arrest te wijzen. Dit kan niet anders worden begrepen dan dat hij afziet van het hiervoor bedoelde tegenbewijs respectievelijk bewijs.

2.3

Bij deze stand van zaken staat thans definitief vast dat het niet functioneren van de drainage de oorzaak van de schade is en dat [geïntimeerde] daarvoor (in volle omvang) aansprakelijk is.

2.4

Het bedrag van de schade in hoofdsom bedraagt € 21.625,— (arrest van 29 oktober 2013 onder 3.11; de vermelding van een bedrag van € 21.265,— is een kennelijke verschrijving). Over dit bedrag zal het hof de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek toewijzen en niet de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a Burgerlijk Wetboek, omdat de bedoelde handelsrente immers alleen ziet op de (primaire) verbintenissen uit overeenkomst en niet op een verbintenis tot schadevergoeding. De ingangsdatum van de wettelijke rente zal het hof bepalen op 20 januari 2011 (datum van de inleidende dagvaarding). Weliswaar treedt volgens artikel 6:83 aanhef en onder b Burgerlijk Wetboek in geval van een schadevergoedingsverbintenis het verzuim terstond in, maar door [appellant] is niet toegelicht wanneer de schade geacht kan worden te zijn ingetreden.

2.5

Verder zijn toewijsbaar de kosten van de door [appellant] ingeschakelde experts tot een bedrag van in totaal € 1.917,40 (de som van € 397,40, € 1.100,— en € 420,—; arrest van 29 oktober 2013 onder 3.12).

2.6

Het hof zal [geïntimeerde] veroordelen in de proceskosten, zowel wat betreft de eerste aanleg als het hoger beroep. De aan de zijde van [appellant] gevallen kosten zal het hof wat betreft de eerste aanleg begroten op € 800,— voor salaris van de gemachtigde, op € 142,— voor griffierecht en op € 76,31 voor explootkosten, en wat betreft het hoger beroep op € 4.632,— voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief (maximum van tarief III), op € 1.769,— voor griffierecht en op € 76,31 voor explootkosten.

3 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de pachtkamer van de rechtbank Alkmaar, sector kanton, locatie Hoorn, van 25 juli 2011 en doet opnieuw recht;

veroordeelt [geïntimeerde] hoofdelijk tot betaling aan [appellant] van een bedrag van € 23.542,40, te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 21.625,— vanaf 20 januari 2011;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep, en begroot de tot op de uitspraak van dit arrest aan de zijde van [appellant] gevallen kosten wat betreft de eerste aanleg op € 800,— voor salaris, op € 142,— voor griffierecht en op € 76,31 voor explootkosten, en wat betreft het hoger beroep op € 4.632,— voor salaris, op € 1.769,— voor griffierecht en op € 76,31 voor explootkosten;

wijst af het meer of anders gevorderde;

verklaart dit arrest wat betreft voormelde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.L. Valk, H.L. van der Beek en Th.C.M. Willemse en de deskundige leden mr. ing. H.J. Vinke en ir. J.H. Jurrius, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2014.